Van zolderkamer tot schouwburgzaal. Receptie en opvoeringspraktijk van Samuel van Hoogstratens Dieryk en Dorothé, of de verlossing van Dordrecht (1666)


Trompe l’oeil van Van Hoogstraten. Op de omslag van het rode boek zijn de woorden ‘Dorothee’ en ‘treurspel’ te lezen. Karlsruhe, Staatliche Kunsthalle

Door Patrick van ’t Hof

Wie wel eens iets over de zeventiende-eeuwse Dordtse schilder-schrijver Samuel van Hoogstraten (1627-1678) gelezen of gehoord heeft, kent misschien zijn gewoonte wel om zijn schildersleerlingen toneelstukken te laten opvoeren op de zolder van zijn atelier. Op die manier konden ze bepaalde schaduwen en lichaamshoudingen bestuderen en zo hun schilderstechnieken ontwikkelen. Toneel zou voor Van Hoogstraten dan ook grotendeels in dienst van de schilderkunst gestaan hebben – zo is in de vakliteratuur althans meerdere malen beweerd. Zijn leerlng en biograaf Arnold Houbraken (1660-1719) beschreef hoe de zolderopvoeringen eraan toegingen. Van Hoogstraten koos zijn beste leerlingen uit, gaf ze een toneelstuk en liet ze voor publiek optreden: 

Om van deze gebaarden, en roeringen die een konstige redenvoeringe behoorden te verzellen, zyne leerlingen een vaster indruk te geven, en zig daar aan meerder te doen gewennen; koos hy de bekwaamste van zyne discipelen uit […] en gaf hun yder een rol van zyne, of een’s anders toneelstuk te spelen: tot het welke zy dan vermochten hunne ouders en goede bekenden te noodigen, tot aanschouwers, van het spel […].

Aan de hand van Houbrakens beschrijving mag je aannemen dat ook Van Hoogstratens treurspel Dieryk en Dorothé, of de verlossing van Dordrecht (1666) op die zolder is opgevoerd. Houbrakens beschrijving impliceert echter ook iets dat tot nu toe in de vakliteratuur onderbelicht is gebleven: ouders en bekenden mochten komen kijken naar de opvoeringen. Van Hoogstraten heeft blijkbaar moeite gedaan om een waar spektakel te maken van deze optredens. Of dit publiek van vrienden en familie veel toegevoegde waarde zou kunnen hebben bij het ontwikkelen van schildersvaardigheden, valt te betwijfelen. Ligt het dan misschien genuanceerder? Was toneel voor Van Hoogstraten niet alleen een hulpmiddel voor kunstschilders, maar had hij ook een oprechte interesse in toneel an sich?   

Je zou het zo zeggen. De vorige keer schreef ik dat Van Hoogstraten in zijn treurspel Dieryk en Dorothé een stellingname heeft verwerkt ten aanzien van de belangrijkste politieke discussie in die tijd, zoals men dat gewend was te doen bij het schrijven van treurspelen met een historisch onderwerp. Ook voor Van Hoogstratens tijdgenoten was het duidelijk dat Dieryk en Dorothé niet mocht verstoffen op de zolder van zijn schildersatelier. Dat blijkt wel uit het gegeven dat het stuk ook buiten Dordrecht voor groot publiek is vertoond. Volgens de database ONSTAGE werd het treurspel in 1669 van 20 mei tot 6 juni vier keer vertoond in de Amsterdamse Schouwburg. De opbrengsten van de voorstellingen bedragen afgerond tussen de 148 en 217 gulden, wat behoorlijk gemiddeld lijkt te zijn voor dat jaar. De Koninklijke Bibliotheek Den Haag bezit daarnaast een exemplaar van het stuk waarin door een zeventiende-eeuwse hand de namen van acteurs naast de lijst met personages staan gekrabbeld (plaatsingscode KW 504 B 254). Wie waren deze acteurs en wat kan dit Haagse exemplaar ons vertellen over de receptie en opvoeringspraktijk van Van Hoogstratens treurspel? 

De cast: een gelegenheidsformatie 

Personagelijst met acteurs in het Haagse exemplaar van Dieryk en Dorothé. KBH 504 B 254. 
Burgemeester.212Zael.
Stalmeester.166Geest.
Dubble.268Groen.
Dorothe.186Anna.
Rey van Jufferen.  
Eerste, 2de, 3de, 4de Bode.14Daniel.
Krijgs bode.15Helena.
Rey van Nonnen.60Catrijn.
Grimmer.11Lambertus.
Luiker.64Abraham.
Dieryk.106Geest.
Gysbert van Putten.21Mr. Jan.
Voedster.33Helena
Schuts-Engel.61Sara.
2de Bode117Sara
3de Bode20Abraham.

Zoals te zien is, staan de meeste acteurs met alleen hun voornaam of achternaam genoteerd.  Toch is het mogelijk de meeste van hen te identificeren. Wellicht is de acteur die staat aangeduid als ‘Mr. Jan’ de meest opvallende. Vermoedelijk gaat het hier om Jan Baptist van Fornenbergh (1624-1697), ‘toneelmeester’ van een vermaard Haags gezelschap dat op verschillende plekken in de Nederlanden optrad, maar ook reizen naar onder meer het Oostzeegebied ondernam.

Bij reizende komedianten was het gebruikelijk dat vrouwen en kinderen meespeelden, en de troep van Van Fornenbergh was daar niet anders in. Zo is ‘Helena’ te identificeren als Van Fornenberghs vrouw Helena Heusden, en ‘Anna’ zou zijn dochter Anna van Fornenbergh kunnen zijn, of Anna Boonefaes, de vrouw van zijn compagnon Triael Parkar. Deze Anna en Triael hadden verder twee dochters, die Sara en Trijntje heetten. Zouden de ‘Sara’ en ‘Catrijn’ uit de lijst met acteurs kunnen zijn? Verder is de ‘Daniel’ uit de lijst waarschijnlijk Daniel Loodewicx, die tussen 1664 en 1672 onderdeel uitmaakte van het gezelschap. ‘Abraham’ zou dan Abraham Hendricksz Blank kunnen zijn. Deze acteur had lang geleden met Van Fornenbergh  samengewerkt en was vanaf 1645 tot 1669 aan de Amsterdamse Schouwburg verbonden. 

Het vermoeden dat het hier om Abraham Hendricksz Blank gaat, wordt versterkt door het gegeven dat er nog twee andere acteurs op de lijst staan die rond 1669 aan de Amsterdamse schouwburg verbonden waren en dus waarschijnlijk betrokken zijn geweest bij de schouwburgopvoeringen van Dieryk en Dorothé: Floris Groen en Willem Geest. Zij zijn reeds in 1915 geïdentificeerd door E.F. Kossmann, die het Haagse exemplaar ook kende. Willem Geest was net als Abraham Hendricksz Blank een oude bekende van Van Fornenbergh: in 1659 duikt hij op in Rotterdam als een vertegenwoordiger van diens toneelgezelschap. De laatste twee acteurs heb ik niet kunnen identificeren: ‘Zael’ en ‘Lambertus’. ‘Zael’ zou met een beetje fantasie een afkorting kunnen zijn van Salomon Fino, de schoonzoon van Van Fornenbergh die getrouwd was met zijn dochter Anna, maar dit is lang niet zeker. Voor Lambertus heb ik geen geschikte kandidaat kunnen vinden. 

Het lijkt er dus op dat de cast van deze opvoering een samenwerkingsverband vormde tussen Amsterdamse acteurs en de troep van Van Fornenbergh. Zo’n gelegenheidsformatie werd dan ook vaker gevormd, voornamelijk ten tijde van de Amsterdamse kermis. Zou het Haagse exemplaar het script kunnen zijn van zo’n kermisopvoering?

Het Haagse exemplaar: het script

Daar lijkt het wel op. Grofweg een kwart van de 1676 versregels die het treurspel in totaal telt, is namelijk geschrapt in het exemplaar, wat wijst op een kleinschalige opvoering die meerdere keren per dag vertoond kon worden. Onder de namenlijst staat geschreven: In ’t geheel (om te speelen) langh 1286. De grootste stukken die zijn weggelaten zijn de reizangen en een gebed van Dieryk en Dorothé aan het einde van het stuk. Ook is de rol van de ‘4e bode’ geschrapt – de tekst is vergeven aan de ‘2e bode’.  Bovendien zijn er stukken tekst van het ene personage overgegaan naar het andere. Zo blijkt bijvoorbeeld dat de acteurs Lambertus en Daniel er maar bekaaid vanaf kwamen. Hun rollen van respectievelijk ‘Luiker’ en ‘1e Bode’ werden flink ingekort, waardoor er voor Daniel maar 14 versregels overbleven en voor Lambertus een magere 11 (zie ook de namenlijst).  Zegt dit iets over hun acteertalent of –ervaring of is hier iets anders aan de hand? De actrice Sara kreeg juist weer meer werk. Haar rol van ‘2e Bode’ werd uitgebreid met de tekst van de ‘1e’ en ‘4e Bode’. Bovendien speelde ze de ‘Schuts-Engel’. Sara moet de show gestolen hebben, want het vertolken van een bode-rol werd over het algemeen toevertrouwd aan de beste acteurs en actrices. Het was ook niet makkelijk om een gebeurtenis te vertolken die zich achter de schermen had afgespeeld. Het publiek moest door zo’n relaas geboeid blijven, dus het was aan de acteur om bepaalde emoties bij de toeschouwers op te roepen of te bespelen.  

Sara was trouwens niet de enige die een dubbelrol speelde. Ook Geest, Helena en Abraham  moesten meerdere rollen spelen. Dit leidde nog tot praktische problemen. Geest moest in de slotscène namelijk tegelijkertijd optreden als de Stalmeester en Dieryk, wat natuurlijk onmogelijk was. Zijn tekst van de Stalmeester is toen overgenomen door Zael, die de Burgemeester speelde.

Plaats en datering van de opvoering

Het lijkt dus waarschijnlijk dat het hier gaat om een samenwerking tussen Amsterdamse acteurs en de troep van Van Fornenbergh op een kermis in Amsterdam (waar zij vaker samenwerkten). Met behulp van Ben Albachs Langs kermissen en hoven, dat gewijd is aan Van Fornenberghs toneelgezelschap, is vast te stellen waar de Haagse toneeltroep op welk moment speelde. Het meest in het oog springende moment waarop de gelegenheidsformatie Dieryk en Dorothé heeft kunnen opvoeren, is op de Amsterdamse kermis van mei 1669. In het register van ontvangsten en uitgaven van het Amsterdamse Spinhuis, dat de opbrengsten van de kermisopvoeringen in ontvangst mocht nemen, staan de bedragen genoteerd die door de komedianten tijdens de kermis bij elkaar waren gespeeld. Op 10 mei 1669 wordt Van Fornenberghs naam expliciet vermeld: ontfangen uyt de spullen van Jan Babtist de somme van f 1369

Een Dordtse Gysbreght

Het fascinerende aan deze datum is dat Dieryk en Dorothé tien dagen later in première zou gaan bij de Amsterdamse Schouwburg. Het lijkt erop dat de kermisopvoeringen en de schouwburgopvoeringen met elkaar in verband staan. Wellicht hebben de schouwburgacteurs Abraham Hendricksz Blank, Floris Groen en Willem Geest het stuk aanbevolen bij de schouwburgregenten. Deze zullen ongetwijfeld geïnteresseerd zijn geweest in het Dordtse treurspel, dat qua inhoud enigszins lijkt op Vondels Gysbreght.

Een belangrijk verschil was er natuurlijk wel: Gysbreght van Aemstel speelde zich af in de thuisstad van het publiek, terwijl Dieryk en Dorothé in het verre Dordrecht gesitueerd was. Van Hoogstratens literaire successen van 1669 moeten dan ook weer niet overdreven worden. Reeds na vier opvoeringen in de Schouwburg bleek het Amsterdamse publiek zijn interesse voor het treurspel verloren te hebben. Ook is niet bekend dat Van Fornenbergh het nog eens opgevoerd heeft. Een klinkend succes op de lange termijn, nee, dat is Dieryk en Dorothé niet geworden. Wat wel duidelijk is geworden, is dat Van Hoogstratens treurspel in ieder geval voor groot publiek is opgevoerd en dat het in de repertoires van twee groepen met professionele acteurs werd opgenomen, die elkaar naar het schijnt hebben aangespoord om het stuk op te voeren. Het Haagse exemplaar heeft daarmee een belangrijke bijdrage geleverd aan onze kennis over rol die Samuel van Hoogstratens Dieryk en Dorothé in de zeventiende-eeuwse toneelwereld gespeeld heeft.

Ceneton

Dieryk en Dorothé, of de verlossing van Dordrecht (1666) is te lezen bij Ceneton. Daarin is ook een lijst met de aanpassingen in het Haagse exemplaar opgenomen.

Literatuur

Albach, B. (1977): Langs kermissen en hoven. Ontstaan en kroniek van een Nederlands toneelgezelschap in de 17e eeuw. Zutphen: de Walburg pers, 1977.

Hoogstraten, S. van (1666): Dieryk en Dorothé, of de Verlossing van Dordrecht, treurspel: Berijmt door Samuel van Hoogstraten.’s-Gravenhage: Henricus Hondius, 1666. KB Den Haag KW 504 B 254.

Houbraken, A. (1719): De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessenWaar van ’er vele met hunne Beeltenissen ten Tooneel verschynen, en welker levensgedragen en Konstwerken beschreven worden: zynde een vervolg op het Schilderboek van K. v. Mander. 3 dln. 2e deel. Amsterdam: Arnold Houbraken 1719. UB Leiden 454 C 6-8.

Kossmann, E.F. (1915): Nieuwe bijdragen tot de geschiedenis van het Nederlandsche tooneel in de 17e en 18e eeuw. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1915.

‘Dieryk en Dorothé, of de verlossing van Dordrecht (1666)’, in: Online Datasystem of Theatre in Amsterdam in the Golden Age (ONSTAGE), te bereiken via: <http://www.vondel.humanities.uva.nl/onstage/plays/255> (3 september 2020).