Top 40 van de Gouden Eeuw – 32b

Door Margot Kalse en Olga van Marion

Nederlanders zingen heel veel, niet alleen in kerken en koren, maar ook op feestjes, bij bruiloften en onder de douche. Dat doen ze al eeuwen. Wie verliefd of verlaten is zingt een popliedje, wie in nood is het Wilhelmus of een psalm, en wie een kind in slaap sust een wiegenlied. Een gouden tijd voor het Nederlandse lied is de periode van de late zestiende en de zeventiende eeuw, wanneer al die liedjes verzameld in liedbundeltjes op de markt komen, geschikt voor jong en oud. Muzieknotatie is niet nodig, want de boekjes bevatten contrafacten: teksten van liedjes met aanduiding van de bekende melodie waarop ze gezongen kunnen worden.
Voor de Top 40 van de Gouden Eeuw hebben we de veertig populairste melodieën uit de Nederlandse Liederenbank geselecteerd, die destijds in het Nederlandse taalgebied het meest gebruikt zijn. Bij deze melodieën hebben we mooie, ontroerende en verrassende liedteksten uit die tijd gezocht om Nederlandstaligen van nu in staat te stellen kennis te maken met de rijkdom van dit cultureel erfgoed. Iedereen kan nu met behulp van de muzieknotatie of de midi-files de liedjes leren zingen. Van tijd tot tijd zullen we een exemplaar uit de Top 40 publiceren, tot we bij de allerpopulairste melodie op nummer 1 zijn.
In het boekje waarin alle liedjes verschijnen, willen we uw commentaar graag verwerken.

Dat sou een moey meisie te reyden gaen

Het incipit van dit lied is vergelijkbaar met de wijsaanduiding ‘Het soud’ een Maysjen ter hayde gaen’ die Hooft gaf voor ‘Het vinnich stralen van de Son’, en de strofevorm is hetzelfde. Voor deze oudere tekst is een eenvoudigere versie van de melodie gekozen uit Het prieel der gheestelicker melodiie (1617). De tekst is van de rederijker Antonis van Butevest, lid van de Leidse kamer De Witte Acoleyen. We herkennen het Duits-Nederlandse thema van de hazelaar en het meisje, dat op de hei bloemen gaat plukken, wijn gaat halen, rozen gaat breken. Ook hier gaat een jonge vrouw op pad, maar ze treft onderweg een hazelaar aan, die haar prijst om haar schoonheid en haar waarschuwt dat ze haar eer niet moet verliezen. Dan ziet het meisje ervan af om naar haar vrijer te gaan. De princestrofe roept de jongemannen op zich maar elders te vermaken, zodat de meisjes hun eer behouden en de jongens zich niet hoeven te schamen.

Op de Wijse alst begint

3. ‘Dat Ick alse moeye stae
Dat sal Ick u wel seggen:
Ick eeter die hoender, Ick drincker de win,
Daer van stae Ick alsoe moeye!’

4. ‘Eet gyder de hoender, drinck gy de wyn,
Staedt gy daer van soe moeye?
Den koelen dou die valter op myn,
Daer om stae Ick alsoe groene.’

5. ‘Valt daer den koelen dou op dyn,
Staet gy daer om soe groene?
Te winter als valt den haegel en snee
soe sult gy weder om voerdorren.’

6. ‘Voerdor Ick dan de winter Is koudt,
Te mey spruit Ick wel weeder;
moey meisie als gy u eertge verliest,
gy krycht se niet meer weeder.’

7. ‘Ick danck u’, sey sy, ‘haeselen boem,
van uwer goede leere.
Ick meende al by myn liefste te gaen,
nu wil ick weeder om gaen keere.’

Prince

8. Nu raet Ick alle knaepies Jonck
Dat sy haer rommel laeten in vreemde lande.
Soe blyven de meisies in haer eer;
Die knaepies en hebbender of geen schande.

haeselen boemhazelaar
vroemhier: verstandig
moeyemooI
winwijn
voerdorrenverdorren
eertgemaagdelijkheid
rommelonkuis gedrag
er ofdaarvan

Tekst uit: Hs. Antonis van Butevest, ca 1590, fol. 111v, Lied 87. Erfgoed Leiden en omgeving, Toegang 0509, Archieven van de rederijkerskamers: inv.nr. 1474, fol. 111v.
Melodie uit: Joannes Tollenarius, Het prieel der gheestelicker melodiie, inhoudende veel schoone leysenen, ende geestelijke liedekens van diveersche devote materien, ende op de principale hoochtijden des jaers dienende etc. Van nieuws over-sien vermeerdert ende verbetert in veel plaetsen. Antwerpen: Hieronymus Verdussen, 1617, p.176. https://books.google.nl/books?id=sDcUAAAAQAAJ (pdf p. 203)