Top 40 van de Gouden Eeuw – 31

Door Margot Kalse en Olga van Marion

Nederlanders zingen heel veel, niet alleen in kerken en koren, maar ook op feestjes, bij bruiloften en onder de douche. Dat doen ze al eeuwen. Wie verliefd of verlaten is zingt een popliedje, wie in nood is het Wilhelmus of een psalm, en wie een kind in slaap sust een wiegenlied. Een gouden tijd voor het Nederlandse lied is de periode van de late zestiende en de zeventiende eeuw, wanneer al die liedjes verzameld in liedbundeltjes op de markt komen, geschikt voor jong en oud. Muzieknotatie is niet nodig, want de boekjes bevatten contrafacten: teksten van liedjes met aanduiding van de bekende melodie waarop ze gezongen kunnen worden.
Voor de Top 40 van de Gouden Eeuw hebben we de veertig populairste melodieën uit de Nederlandse Liederenbank geselecteerd, die destijds in het Nederlandse taalgebied het meest gebruikt zijn. Bij deze melodieën hebben we mooie, ontroerende en verrassende liedteksten uit die tijd gezocht om Nederlandstaligen van nu in staat te stellen kennis te maken met de rijkdom van dit cultureel erfgoed. Iedereen kan nu met behulp van de muzieknotatie of de midi-files de liedjes leren zingen. Van tijd tot tijd zullen we een exemplaar uit de Top 40 publiceren, tot we bij de allerpopulairste melodie op nummer 1 zijn.
In het boekje waarin alle liedjes verschijnen, willen we uw commentaar graag verwerken.

Het daagt in de oosten

We kennen deze melodie uit de bundel Souterliedekens (1540), een belangrijke bron voor het Nederlandse contrafact. ‘Het daghet in het Oosten’ is gebruikt voor psalm 4. De rijke, melancholieke melodie vormt een prachtig geheel met de tekst uit het Antwerps liedboek (1544), waar in elk couplet de derde regel wordt herhaald. Het effect daarvan is verstilling, waarbij je verlangt naar de volgende strofe. In de tekst herkennen we een zogeheten dageraadslied, dat begint na een nacht waarin een duel tussen een geliefde jonge man en zijn rivaal heeft plaatsgevonden. Nu het ochtend wordt, wil de rivaal de jonge vrouw meenemen op zijn vlucht, wat zij niet wil. Dan vertelt hij haar dat het lijk van haar geliefde onder de groene linde ligt. Na de vondst van het lichaam voelt ze zich in de steek gelaten en er is niemand die haar wil helpen om haar dode geliefde te begraven, wat ze tenslotte maar zelf doet, ‘Met haer snee witten armen’. Uit verdriet trekt ze zich terug in een klooster. De teksten in het Antwerps liedboek zijn bedoeld ‘Om droefheyt ende melancolie te verdrijven’.

Een oudt liedeken

3. ‘Dats waer soudi mi voeren,
Stout ridder wel gemeyt,
ic ligge in mijns liefs armkens
Met grooter waerdicheyt.
ic ligge in mijns liefs armkens.’

4. ‘Ligdy in uws liefs armen
Bilo ghi en segt niet waer.
Gaet henen ter linde groene,
Versleghen so leyt hi daer.
Gaet henen ter linde groene.’

5. Tmeysken nam haren mantel
Ende si ghinc eenen ganck
Al totter linde groene,
daer si den dooden vant.
Al totter linde groene.

6. ‘Och ligdy hier verslaghen
Versmoort al in u bloet,
dat heeft gedaen u roemen
Ende uwen hooghen moet.
dat heeft gedaen u roemen.

7. Och lichdy hier verslaghen
die mi te troosten plach,
Wat hebdy mi ghelaten
So menighen droeven dach.
Wat hebdi mi ghelaten.’

8. Tmeysken nam haren mantel
Ende si ghinck eenen ganck
Al voor haers vaders poorte
die si ontsloten vant.
Al voor haers vaders poorte.

9. ‘Och is hier eenich heere
Oft eenich edel man
die mi mijnen dooden
Begraven helpen can
die mi mijnen dooden.’

10. Die heeren sweghen stille
Si en maecten gheen geluyt.
Dat meysken keerde haer omme
Si ghinc al weenende uut.
Ende si ghinc wederomme.

11. Si nam hem in haren armen
Si custe hem voor den mont,
In eender corter wijlen
Tot also mengher stont.
In eender corter wile.

12. Met sinen blancken swaerde
dat si die aerde op groef,
Met haer snee witten armen
ten grave dat si hem droech.
Met haer snee witten armen.

13. ‘Nu wil ic mi gaen begeven
in een cleyn cloosterkijn,
ende dragen swarte wijlen
ende worden een nonnekijn.
Ende dragen swarte wijlen.’

14. Met haer claer stemme
Die misse dat si sanck,
Met haer snee witten handen
dat si dat belleken clanck.
Met haer snee witte handen.

luttelweinig
warent al mijn vriendenwaren allen maar mijn vrienden
datdie nu
Dats waerWaar dan wel
Stoutdappere
wel gemeytopgewekt
BiloJemig (uitroep)
ghi en segt niet waerje liegt!
versleghendoodgeslagen
vantvond
dat heeft gedaen u roemendat komt door al uw opschepperij
te troosten plachaltijd troostte
mi ghelatenmij toch nagelaten
haerzich
in eender corter wijlenzonder aarzeling
mengher stonturenlang
begeventerugtrekken
wijlennonnensluier
sanckzong

Tekst uit: Een schoon liedekens. Boeck inden welcken ghy in vinden sult. Veelderhande liedekens. Oude ende nyeuwe Om droefheyt ende melancolie te verdrijven. Item hier sijn noch toe ghedaen Meer dan Veertichderhande nyeuwe liedekens die in gheen ander liedekens boecken en staen. Hier achter aen vervolghende. Antwerpen: Jan Roulans, 1544, fol. 43r. http://www.dbnl.org/arch/_ant001antw06_01/pag/_ant001antw06_01.pdf (pdf p. 43)
Melodie uit: Souter liedekens Ghemaect ter eeren Gods, op alle die Psalmen van David: tot stichtinge en een gheestelijcke vermakinghe van allen Christenmenschen. (Antwerpen, Simon Cock, 1540) Psalmus iiij. https://books.google.nl/books?id=19lNAAAAcAAJ (pdf. p. 25-26)