Onder het mom Literatuur en carnaval

Door Peter Winkels

Op zoek naar de relatie tussen Vastenavond en de Letteren, vooral in Limburg, heb ik op deze plaats al een paar maal aandacht gevraagd (en gekregen, met uiterst waardevolle suggesties). Inmiddels is er een boek ontstaan, dat we rond de jaarwisseling hopen uit te brengen. Er waren veel interessante en mooi zaken te ontdekken, waarvan ik er hier alvast graag een paar voor het voetlicht breng. 

Binnen het domein kinder- en jeugdliteratuur en theaterteksten, leverde dat niet zo heel erg veel op. Poëzie was een terrein waar ik een paar mooie vondsten deed, zoals gedichten van Mathias en Pierre Kemp (van de laatste overigens ook een zeer fraai schilderij bij het thema). Er was een mooie, onroerende ontdekking in het werk van Rouke van der Hoek. Oorspronkelijk komt hij uit Eindhoven, niet uit Limburg. Het gedicht is observerend, anekdotisch, erg treffend en sprekend waar het gaat om het duiden van de essentie als het gaat om de beleving van de carnavalsvierder: 

Prinsenkind

Dat we jou, Luuk, ook wel ‘t Uulke noemen dank je
aan de doordringende blik waarmee de kirrende clowns
boven je ledikant ter plekke tot bezinning dwingt.

Terecht, jij bepaalt wanneer je jouw lach weggeeft.
Gezaghebbender in jouw rijk dan je vader in het zijne.
Daarover dit nog. Sommigen willen dichter worden,

anderen bankdirecteur. Maar je vader droomde ervan
carnavalsprins te zijn onder de zijnen. De fazantenveer zo hoog
opgestoken dat hij als een botsauto met het

plafond verbonden blijft, alle dolle dagen energiek.
En in je moeder smachtte lang een prinses naar bevrijding.
Gun ze daarom hun uitbundigheid, prinsenkind, want in jou

komt alle adel samen. Als een veldheer observeer je de
manoeuvres. Weegt, wikt tot je plan klopt. Dan breek

de zon door, valt het ernstig masker van je prethoofd

Uit: Wolventeldag (2008) 

De dichter merkt hierbij op: “Luuk is ons jongste kleinkind. Toen hij in 2008 een half jaar was, waren zijn ouders (onze dochter en schoonzoon) prins en prinses van carnavalsvereniging De Aanhawwersj in Meerssen. Dat is de basis van het gedicht. Het mooie is dat Luuk in 2019 zelf prins was in Meerssen – jeugdprins van de Geulmennekes.”

In totaal vond ik ruim 70 teksten waar op een of andere manier sprake was van carnaval in Limburg, variërend van een à twee regels, tot complete verhalen, hele gedichten of romans. Vooral proza leverde een ruime oogst op, zelfs van schrijvers die hun oorsprong buiten de provincie vinden.

Een van de in het oog springende ontdekkingen (maar buiten mijn directe kader, helaas niet in Limburg gesitueerd) was de roman Carnaval van Hans van Zuydveen, verschenen in 1960. Vader van de protagonist is directeur/hoofdredacteur van de lokale krant, opa was dat ook, dus dient zoon in de voetsporen te treden. Die heeft iets anders voor ogen: vrij zijn, freelancejournalist in de hoofdstad, weg uit de bedompte provincie, Den Bosch jaren vijftig. Hij neemt het initiatief en met succes. Aanvankelijk verstoten door de familie, alleen nog incidenteel in contact met zijn jeugdliefde, zijn officiële verloofde, zet hij door. In Amsterdam bouwt hij een eigen bestaan op met goede connecties en veel werk voor verschillende weekbladen, vaak samen met een bevriende fotografe. 

Een landelijk dagblad stuurt hem naar Oeteldonk voor een reportage in het gevolg van de prins over het carnaval. Drie dagen lang is het een ongemakkelijke confrontatie tussen zijn heden en verleden, ambitie en loyaliteit, zijn hart en zijn hersens. Dinsdagavond laat, als Boer Knillis, de pop die het symbool is van carnaval in Den Bosch, wordt begraven, volgt de catharsis. Aswoensdag brengt de loutering, een nieuw begin. Deze functie van bezinning en omkering, speelt carnaval in deze roman nadrukkelijk, zoals vaker te zien is in romans en verhalen.

De roman vormt een opmerkelijke echo van de beschouwing van Anton van Duinkerken uit 1928: Verdediging van Carnaval. De dichter, essayist en journalist (later hoogleraar – als Willem Asselbergs geboren in Bergen op Zoom) verdedigt een feest dat in de jaren twintig boven de rivieren met groot wantrouwen bekeken werd, zowel door de gevestigde orde (inclusief de katholieke clerus in het Zuiden) als de culturele/literaire elite. Het gemeenschapsgevoel is zijn grote troefkaart. Van Duinkerken stelt: 

“Dit feest is meer dan een maatschappelik of nationaal gebeuren, het raakt niet slechts een mensengroep, maar het betreft de mensheid zelf in haar geheel. Het is de viering van ’t vernieuwde jeugd-ontwaken in de grijsaard en de manwording van de niet langer schuchtere knaap. Het is de jubel om de eeuwigheid der lente. Het is het feest onzer onvergankelikheid. Bij elke nieuwe bloei ontwaakt het eeuwigheidsbesef der menselike ziel en het eeuwigheidsbesef van het menselik lijf. Het lichaam zal vergaan tot de stof, waaruit het gevormd werd, maar het zal niet voorgoed vergaan. Eeuwig zal het zijn in de eeuwigheid der eindeloze hemelen, of eeuwig in de eeuwigheid van het vergaand moment. Zo was het den heiden. Kennend de zekere verrotting en den ongewisse gang naar Hades’ somber huis, omkranste hij het hoofd en hief de beker, want dit was de tijd voor de dronk, de tijd, waarop de vrije voeten dansten over de aarde. Hij plukte de dag. ‘Carpe diem’ was het parool van wie de eeuwigheid der ogenbliks-ontroeringen beleden; ‘carpe aeternitatem’ sprak de Kerk en gunde haren kinderen een ogenbliks vergeten van de halve waarheid, waaraan zij hen straks herinneren zal, terwille der andere helft die het leven onvergankelik weet.” 

Carnaval is eveneens de titel van een roman die niet veel later verscheen, 1963, van auteur Jan Nuboer over wie weinig te vinden is. Het is het relaas van Piet Donders, Rotterdammer, vierdejaars medicijnen. Als enige uit een aannemersgezin mag hij gaan studeren maar hij mist roeping. Om het roer helemaal om te gooien stopt hij, zeer tegen de zin van zijn vader. Als eerste ‘daad’ viert hij volstrekt uit het niets Vastelaovend in Venlo, vermomd als Domme August. Hij ‘redt’ een jong meisje uit de klauwen van Satan. Zij blijft hem intrigeren en hij besluit een bestaan in het stadje van lol en plezier op te bouwen. Dat lukt hem, hij wordt firmant in een bedrijf en klimt op de maatschappelijke ladder. Het meisje Thea ontmoet hij nog een keer, maar zij wijst hem af vanwege haar jonge leeftijd en haar strenge vader. Die is kleermaker en Piet laat zich bij hem een pak aanmeten. Zo groeit langzaam het contact. Als zijn eigen vader op het sterfbed ligt, leggen zij hun breuk bij. Zijn broers verwachten dat hij terugkomt naar Rotterdam en het familiebedrijf gaat leiden. Enige twijfel, compromissen, maar hij doet het en opnieuw met verve. Deels neemt hij het Venlose bedrijf mee naar de Maasstad, regelmatig zakt hij af naar het zuiden. Thea en hij komen geleidelijk nader tot elkaar en in het slothoofdstuk, weer met carnaval, weer als de Domme August en een tragische, uiterst symbolische rol voor Satan, komt het tot een dramatische apotheose; melodramatisch wellicht. Vastelaovend als cyclisch principe, fraai en treffend, maar tijdens het verloop van de handeling is het feest heel ver weg. De weergave van de Venlose Vastelaovend is niet echt indrukwekkend en met dialect blijft het behelpen. Dat kan anders.

Al met al kwam ik bij mijn onderzoek tot de conclusie dat er twee romans zijn die – naar mijn gevoel – de kern van ‘vastelaovend’ het meest raken. Die gebruik ik als referentiekader bij de andere prozateksten die ik vond over carnaval in Limburg. De eerste is De bonte storm, een magistraal boek, verkoopsucces uit 1929 van Maastrichtenaar Mathias Kemp. Recenter volgde Naar de overkant van de nacht (2011) van Jan van Mersbergen. Die beschrijft een roes die je als lezer ook als zodanig ervaart. Feitelijk wordt er één enkel etmaal beschreven, onderbroken door herinneringen, langer en korter terug in de tijd. 

In de roman draait het om de innerlijke tweestrijd van hoofdpersoon Ralf, schipperskind, die een stevige band met het verschijnsel water heeft. Hij werkt als stratenmaker, heel aards, in een dorpje aan een rivier. Na jaren van afstand en aarzeling woont hij samen met zijn jeugdliefde. “Sara kreeg lucht. Wat kreeg ik?” Uit een eerdere relatie heeft ze vier kinderen, met daarbij een gehandicapte tweeling. Ralf is zeer begaan met hun wel en wee, maar de verhouding met zijn vriendin kent niettemin sterke wisselingen en spanningen. Hij twijfelt heel sterk. Drank is nooit ver weg. 

Zijn oom nam hem in de loop der jaren regelmatig mee naar carnaval in het dorp aan de andere kant van het water. Deze keer, om even afleiding te hebben van de dagelijkse beslommeringen en te ontsnappen aan de druk, is Vastelaovend in Venlo de bestemming. Ze komen aan op zondag en zijn elkaar al snel kwijt in het gewoel. Ralf, in zijn meer dan allegorische vermomming als veerman, legt al snel contact met een reeks verschillende types. De eerste is verkleed als zielenherder, het wordt zijn geestelijk leidsman voor de dag. “De Pater zegt: Jij bent nodig hier. Jij moet de mensen overzetten”. “Voor ik terug naar Sara ga, ga ik op zoek naar de overkant van de nacht. Hoe ik daar moet komen weet ik niet. Ik ga het proberen. Ik heb vroeger wel carnaval gevierd, in Brabant. Samen met mijn oom stonden we op de pont naar de zandgronden. Dus ik ken het een beetje, en na wat deze Pater me verteld heeft begrijp ik het iets beter. Het gaat om voelen. Eigenlijk gaat het om grijpen en voelen. En om vastpakken. Pak het vast. Je moet het symbolisch zien. Ik zie alles symbolisch. Ik zie alles dubbel en symbolisch. Soms wazig, soms scheel, en soms in spiegelbeeld.” 

 “Tijdens Vastelaovend ben je niet verkleed als iemand anders. Tijdens vastelaovend ben je eindelijk jezelf”, de openingszin van het boek. Dit vormt het begin van een epische zoektocht “naar de overkant van de nacht” door de stad, de lol en het ‘plezeer’; “voor ik terug naar Sara ga”, met flirtpartijen, legio ontmoetingen en overvloedig drankgebruik. Telkens komt de confrontatie met het verleden en met zijn huidige situatie terug, hoe hard hij er al zingend en dansend ook aan probeert te ontkomen. 

Loutering lijkt ook het centrale motief in deze roman. In zijn vermomming als veerman gaat Ralf totaal op in het feest. De roes van drank en vrouwen laat hem vergeten wat er is, tot hij zo ver is om terug te gaan. Regelmatig denkt hij aan zijn ‘gezin’, na enige twijfel belt hij soms op. Deze dag moet de overgang worden van de barre winter van de recente periode naar een nieuw voorjaar aan de overkant van de nacht.  De overgangsrite van het carnavalsfeest, sedert eeuwen al. Na zijn ‘boetedoening’ in Venlo zal hij het kruis weer op zich nemen; of niet. Dat blijft open. Aan het slot bereikt hij lopend over het bevroren water zijn logeeradres aan de andere kant van de Maas. Het einde blijft open. Vastelaovend was voor Ralf het omkeren van zijn leven, het omdraaien van de rollen, het spiegelen van de realiteit. In die zin raakt Van Mersbergen nadrukkelijk de kern van het feest. 

Naar de overkant van de nacht lijkt een heuse hausse te hebben veroorzaakt en was uiterst succesvol. De Venlose zanger/tekstschrijver Frans Pollux had in de voorbereiding veel contact met Jan van Mersbergen en schreef een ‘leedje’ over het boek: Euverkant van de nach. Bij het lied maakte hij een bijzonder filmpje (https://www.youtube.com/watch?v=II5WbM_8HKw), gebruikmakend van archiefbeelden van carnaval in Venlo. Er waren ook plannen om te komen tot een verfilming van de roman (door Pieter Kuijpers), maar vooralsnog zijn die niet gerealiseerd. Filmmaker Rob Hodselmans nam een voorschot in de vorm van een tweede clip bij het liedje van Pollux, als een soort trailer (https://www.youtube.com/watch?v=jckDkXcsb64). Deze cineast was overigens ook verantwoordelijk voor de indrukkende documentaire Nao ’t Zuuje (2018) over Vastelaovend in Venlo (naar een idee van Lex Uiting, die ook de titelsong schreef en zong), een film die ook de essentie van vastelaovend meer dan raakt, naast een mooie stapel boeken (https://www.2doc.nl/speel~BV_101391330~nao-t-zuuje-3doc~.html). Vastelaovend vertelt, verteld, vertel! Literatuur en carnaval, met name in Limburg, verschijnt rond de jaarwisseling.