Las George Eliot J.J. Cremer?

Rosamond en dokter Lydgate

Door Marita Mathijsen

In acht afleveringen publiceerde George Eliot tussen 1871 en 1872 haar roman Middlemarch. Die maakte furore in Engeland en werd al heel snel in diverse talen vertaald. In Nederland verscheen de vertaling in 1873. Eliots eerdere roman, Adam Bede, had heel veel succes in Nederland, en werd wel zeven maal herdrukt in de negentiende eeuw. Middlemarch bleef steken bij de eerste druk. Het was een omvangrijk boek in vier delen, meer dan 1000 pagina’s en die omvang schrok de recensenten af. Weliswaar tuimelden ze over elkaar heen om deze ‘degelijke lectuur’ te prijzen die wel een ‘romantische vorm’ had, maar ‘zonder tafereelen die de zenuwen doen trillen, zonder hartontroerende gebeurtenissen, ingewikkelde intriges, onnatuurlijke of verrassende ontknoopingen’. Maar vier delen vonden ze gewoon te veel van het goede.

Een van de hoofdfiguren van Middlemarch  is de idealistische jonge dokter Tertius Lydgate. Die komt naar het denkbeeldige Middlemarch in de Midlands, omdat hij via een weldoener de kans krijgt een nieuw ziekenhuis te beginnen. Hij minacht de andere geneesheren van het stadje, die er vooral op uit zijn hun patiënten dure ‘versterkende middelen’ aan te smeren en nauwelijks op de hoogte zijn van nieuwe ontwikkelingen in het vak. Hij is bezig met onderzoek, onder andere naar de cholera, en verwacht dat hij tot nieuwe ontdekkingen zal komen. Een plaatselijke schoonheid, de burgemeestersdochter Rosamond Vincy, ziet in de dokter een aantrekkelijke partij, die omhoog zal komen in de maatschappij. Rosamond is een verwend poppetje dat van huis uit gewend is altijd haar zin te krijgen. Lydgate valt als een blok voor haar. Hoewel hij eigenlijk pas wil trouwen als hij zich een positie heeft verworven, weet zij snel een huwelijk af te dwingen. En dan begint de ellende. Lydgate is verslaafd aan haar sensuele schoonheid, en weerstaat haar vele verzoeken om aanschaf van luxe meubelen, van nieuwe kleren, van zilveren bestek en dergelijke niet. Ook huurt hij een huis ver boven wat hij kan betalen, en dus moet hij schulden maken die hij niet kan aflossen. Hij is een man die door Freud ‘sexuell hörig’ genoemd zou zijn: zo verslingerd aan de lichamelijke bekoring van zijn vrouw dat hij alle rationele overwegingen opzij schuift om haar maar haar zin te geven. Het betekent uiteindelijk de ondergang van Lydgate: hij maakt zijn ambities niet waar, moet Middlemarch verlaten, wordt een society arts en overlijdt vrij jong. Tegenover dit op seksualiteit gebaseerde huwelijk staat het huwelijk van de andere hoofdpersoon, de negentienjarige Dorothea Brooke. Zij trouwt met een veel oudere man, de godgeleerde Casaubon, niet uit liefde, niet omdat hij een aantrekkelijke uitstraling heeft, maar puur omdat ze tegen zijn geleerdheid opziet en in hem het middel ziet om aan de holle society-wereld waarin ze opgroeit te ontsnappen. Bovendien denkt ze dat zij zíjn ambitie om een boek te voltooien dat ‘De sleutel tot alle mythologieën’ moet gaan heten, kan helpen verwezenlijken. Dat wordt een dor huwelijk zonder seks, met een nerveuze en egocentrische man die elke lichamelijke toenadering van Dorothea en haar aanbod van hulp bij zijn onderzoek verzenuwd afwijst.   

Twee jaar vóórdat Eliot Middlemarch publiceerde, begon in Het Vaderland  een romanfeuilleton van de geliefde schrijver Jacob Jan Cremer, met de titel Dokter Helmond en zijn vrouw. In 1870 kwam de roman in boekvorm uit, en er verschenen nog drie extra drukken voor het eind van de eeuw. Hoofdpersoon is ook hier een jonge idealistische dokter met moderne kennis van zaken. In het – ook denkbeeldige – dorp Romphuizen waar hij terecht komt, raakt hij verliefd op het mooiste meisje van de omgeving – die denkt zich omhoog te trouwen met een rijke dokter die wel carrière zal maken. Eva dwingt haar dokter ertoe een veel te duur huis te kopen, en is voortdurend bezig zich via luxe aankopen de hoogste klassen binnen te dringen. Helmond steekt zich diep in de schulden om tegemoet te komen aan de wensen van zijn echtgenote, en die hebben altijd te maken met juwelen, kleren, zilveren tafelgerei, elegante meubels, dure tapijten en dergelijke. Of met spectaculaire feesten waarbij de beau monde opkijkt van de overdaad. De patiënten van Helmond lijden daaronder. Het komt zelfs voor dat zij zoveel aandacht opeist dat Helmond niet onmiddellijk naar noodgevallen toe gaat, zodat er doden vallen. Maar telkens als hij probeert Eva te temmen, weet zij met tranen en tournures van haar mooie lichaam en liefkozingen toch weer haar zin door te drijven. Ze verwijt hem dat ze schriel afsteekt bij vrouwen uit de hogere klassen, en Helmond kan zich alleen maar verder en verder in de schulden steken om haar tevreden te stellen.

Dokter Helmond en Eva, uit Eigen Haard 1876

Hij begint patiënten kwijt te raken, en zijn schuldeisers dulden geen uitstel meer. Helmond vervalt dan in waanzin, beeldt zich in dat hij zijn rijke stiefvader vermoord heeft en slaat op de vlucht. In zijn delirium komt hij in een volgend dorp terecht, waar hij zijn broer ontmoet, met wie hij eerder gebroken heeft. Deze neemt hem op in huis. Daar sterft dokter Helmond, na een laatste omhelzing met zijn zwangere vrouw. Haar naam, Eva, had hem kunnen waarschuwen: ze was de oervrouw, die van de verboden vrucht at en haar man overhaalde mee te doen.

Ook bij Cremer is er dus sprake van een sexuell hörige man, die zich laat verleiden door de lichamelijke aantrekkingskracht van de vrouw, die daar in haar zucht tot de hoogste klassen door te dringen gebruik van maakt. Zowel Rosamond als Eva zijn fatale vrouwen, die hun man naar de ondergang voeren. Ze hoeven geen heksentoeren uit te halen, met het eenvoudige middel van hem al dan niet seksueel af te wijzen of toe te laten, krijgen ze hun zin.

Beide boeken werden omstreeks 1870 geschreven. Het naturalisme, met boeken over verveelde vrouwen van het type Eline Vere, was nog niet aangebroken. Toch is het voor beide boeken ondenkbaar dat ze rond 1840 geschreven zouden zijn, toen de vrouwen in romans óf deugdzame maagden óf toverkollen waren, of natuurlijk brave moeders.[1] Hoe komt het dat eenzelfde thema voor een roman bedacht werd in dezelfde tijd, in twee landen met een zee ertussen en met een weinig vergelijkbare literaire ‘omwereld’, door een schrijver en een schrijfster die elkaar onmogelijk gekend kunnen hebben? Freud was nog een puber, dus daar kan het niet vandaan komen. Maar dat het iets met de veranderende positie van de vrouw te maken heeft, moet wel. In beide boeken ligt de nadruk niet meer op de afhankelijkheid van de vrouw van de man, maar op de mannelijke afhankelijkheid van de vrouw. Dat dat niet als een positieve ommekeer gezien werd, maar juist de ondergang van de man veroorzaakte, zegt wel voldoende over de twijfels waarin het genderframe terecht was gekomen.


[1] Met als uitzondering Ottelijne in Toussaints Het Huis Lauernesse, een fiere vrouw die eigen keuzes maakte.

Dit stuk verscheen eerder op het blog van Marita Mathijsen