“Iedereen leutert maar mee”: Jan Hanlo’s Oote oote oote

Door Peter J.I. Flaton

In het verlengde van zijn intussen verschenen Politiek van het gezond verstand zat Thierry Baudet aan de tafel van het praatprogramma van Beau van Erven Dorens op maandag 29 juni jl. Daarin kwam een van Baudets favoriete onderwerpen ter sprake (conform die van Sir Roger Scruton, zijn onlangs overleden copromotor en mentor): architectuur. Z.i. is de Haagse Ridderzaal een voorbeeld van “gezonde” kunst naast en tegenover EU-gebouwen in Brussel die stuk voor stuk “ongezond” zijn. Uit die tegenstelling laat zich trouwens al afleiden, dat de titel van Baudets boek meer of iets anders is dan een verwijzing naar wat de doorsnee-taalgebruiker onder “gezond verstand” verstaat, want er speelt duidelijk de notie ‘ziek’ in mee. Die EU-gebouwen zijn producten van zieke geesten, d.w.z. van hun eigen, nationale cultuur vervreemden (‘oikofoben’ noemt hij hen in navolging van Scruton) die losgeraakt van die bodem wansmakelijke maaksels afleveren (met voorbijgaan nu aan het feit, dat die 13e eeuw medisch gezien bijna onleefbaar moet zijn geweest: niemand van ons, ook Baudet niet, zou er zelfs maar een dag in hebben willen toeven).  

Wat ik hiermee zeggen wil, is dat het niet de eerste culturele oprisping van Baudet is: eerder moesten Rudolf Eschers Sonate voor klarinet en Jan Hanlo’s Oote oote oote / Boe het al ontgelden.

Zo twitterde hij op 26-11-2017: “’Ik probeerde even te luisteren naar radio 4 – maar werd direct geconfronteerd met de verschrikkingen van de atonale (mijn cursivering, P.F.) muziek. Wat een horror’”. Die sonate werd ten gehore gebracht in het VPRO-programma ‘Vrije Geluiden’, zo ongeveer het enige op de klassieke zender Radio-4 dat wel eens wat eigentijds laat horen (het stuk duurt trouwens maar liefst vijf minuten). Atonaal is Eschers sonate daarom niet, integendeel. Hij moest van dergelijke muziek niets hebben, gelezen bv. een essay uit 1938 (Toscanini en Debussy: magie der werkelijkheid): “’de atonaliteit (…) is reeds daarom geen ontwikkelingsfactor in de muziekhistorie, daar zij, wanneer zij consequent is, zekere bestaande klankverhoudingen wenscht aan te tasten, zoals die gegeven zijn in het klinken van één enkelen toon met zijn boventonen, – verhoudingen waarop toch onze geheele Westersche ‘toon-kunst’ is gebaseerd’”. En in een brief aan J. Straesser van 13-02-1980 (enkele weken voor Eschers overlijden) noemt hij het serialisme, “’begonnen met de waandenkbeelden van Schönberg, eenvoudig een doodgeboren kind (…)’”. In een interview met Rudy Kousbroek in de NRC ‘ergens’ in 1975 merkte de componist nog op: ‘”Iedereen leutert maar mee en niemand die op het idee komt van: misschien weet ik er eigenlijk te weinig van (…)’”.

Afgezien van Eschers harde oordeel over Schönbergs bijdrage aan de westerse muziekgeschiedenis (diens onvoltooide opera Mozes und Aron is een ronduit fascinerend stuk muziek), ziet het ernaar uit dat Baudet niet weet wat ‘atonaal’ betekent en dus maar wat beweert. Vermoedelijk is alles wat niet meteen mee-fluitbaar is (de symfonieën van Haydn bv.) ‘atonaal’ en daarmee (want voor minder doet Baudet het niet) decadent of in de woorden van zijn tweet van 10-05-2018:

“’Ik ben tegen de fundamentele uitgangspositie van de hedendaagse kunst – namelijk vervreemding, politieke ‘statements’, oikofobie, zelfhaat, deconstructie van onze identiteit”’.

Wat nu Jan Hanlo betreft: in een lezing in de A’damse Zuiderkerk op 25 mei 2019 (een nagenoeg woordelijke herhaling van zijn Irrtum-essay in een Zwitsers periodiek) noemt hij diens Oote-gedicht ‘”het geblèr van een kind in de ruimte”’, resultaat van “’Een vrijheid die de dadaïsten probeerden op te roepen met hun klankgedichten en Oote-oote-rijmelarij”’, daarmee Jan Hanlo (1912-1969) in enen als dadaïst après la lettre ontmaskerend. Dat hij daarmee bepaald niet de eerste was, blijkt uit de intussen in de literatuurgeschiedenis gecodificeerde anekdote m.b.t. het VVD-eerste-kamerlid Willem Carel Wendelaar: Hanlo’s gedicht was in diens ogen een “’onaanvaardbare uiting van kunst’”, nota bene (daarom ging het hem) verschenen in een door de óverheid gesubsidieerd tijdschrift (in Roeping, 28, nr. 3, jan-feb 1952).

Daarmee staat dit voorval in hetzelfde rijtje als de rel rond Reves verhaal Melancholia (uit 1951), het proces tegen W.F. Hermans vanwege diens Ik heb altijd gelijk (uit 1952) en het zogenoemde ‘ezeltjesproces’ (1966-1968) dat opnieuw Reve (be)trof. Voor wie mocht denken, dat dergelijke incidenten tot het verleden behoorden: Baudet helpt hen uit die droom want zodra hij aan de macht is, zal hij afrekenen met het cultuurmarxisme (wiens peetvader nota bene de Italiaanse communist Gramsci was) zoals dat rondspookt in onze musea, universiteiten, v.o.-scholen en waar al niet meer. Concreet: de leraar Nederlands die Hanlo’s Oote oote oote  behandelt, krijgt met Baudets boreale boa’s te maken. Hij is immers doende weerloze leerlingen te vervreemden van hun culturele erfgoed (dat Hanlo’s gedicht daartoe intussen behoort, is de ironie ervan) door hun haat voor de eigen cultuur te doceren en zo hun identiteit (waarvoor de Gouden Eeuw de ‘norma normans’ is) te deconstrueren.

Hoogstens is er nog plek voor zo’n ‘gedicht’ (naast ontwerpen van ‘zieke’ gebouwen, abstracte schilderkunst en atonale (?) muziek) in een nog te organiseren reizende tentoonstelling ‘zieke kunst’ waarin het publiek leert het oikofilisch pure van het oikofobisch bezoedelde te onderscheiden. Hoogste tijd dus, voor het zover is, nader kennis te maken van Jan Hanlo’s Oote oote oote / Boe (ik doe dit aan de hand van Rutger H. Cornets de Groots artikel in Meander van 27 februari 2002 en vooral van C. de Deugds ‘Sonische poëzie. Een poging tot plaatsbepaling en evaluatie’, in Forum der Letteren, jaargang 1973 (1973), 1-29; het gedicht is gemakkelijk toegankelijk via Internet).

Dat Oote (…) een sonisch gedicht is, dat wil zeggen: behoort tot de betekenisloze poëzie, blijkt al bij eerste lezing: louter klank en geen of weinig betekenis (alleen ‘Dembrandt’ en ‘etc.’ komen daarbij in de buurt). Nieuw is Hanlo’s gedicht daarom niet: het spelen met vooral klank voert ons terug naar niemand minder dan Guido Gezelle wiens “’t Er viel ‘ne keer een bladtjen op / het water” (uit nota bene 1859) een tot dan on-gehoord experiment was. Toegegeven, ook qua betekenis heeft het allerlei te bieden maar de lezer die zich laat meevoeren (men moet het gedicht beslist hardop lezen), gaat het almaar meer duizelen van de ‘bladtjens’ waardoor de sonoriteit ten slotte domineert. Geen wonder dat Paul van Ostaijen het Gezelle nazegt:

Ach, m’n ziel is louter klanken
In dit uur van louter kleuren;
Klanken die omhoge ranken
In een dolle tuin van geuren.

En in diens Melopee gaat dat zo:

Onder de maan schuift de lange
rivier
Over de lange rivier schuift
moede de maan
Onder de maan op de lange
rivier schuift de kano naar zee
Langs het hoogriet
langs de laagwei
schuift de kano naar zee
schuift met de schuivende man
de kano naar zee
Zoo zijn ze gezellen naar zee de
kano de maan en de man
Waarom schuiven de maan en
de man getweeën gedwee naar
de zee

Als we onder ‘betekenis’ verstaan dat een gedachte direct wordt gecommuniceerd (d.w.z. een of meer denkbeelden in de context van de logische samenhang van het geheel), dan vinden we in Melopee hoogstens indirect zo’n idee, namelijk d.m.v. de ‘sens superposé’: Van Ostaijens gedicht heeft een inhoud die niet wordt geformuleerd maar geëvoceerd. Machteloos glijdt de mens naar de zee: de dood die het antwoord is op alle vragen.

Daarvan is in een gedicht als Oote (…) geen sprake meer, net omdat wat we als een van de kenmerken van het woord zien (naast de klank de betekenis) volledig is weggeëtst. Strikt genomen gaat het zelfs niet eens om woorden: ‘”Klanken”’, aldus Reichling in zijn dissertatie Het woord (…), ‘”zijn geen taal”’ en, voegt hij hieraan toe: ‘”in taalgebruik zijn we niet gericht op hetgeen we waarnemen: de klanken, maar op datgene wat het denken ons doet kennen (…). Taalgebruik is dus een denk-handeling’”. Zo ziet het ernaar uit, dat de klank in een gedicht als Oote functieloos is waarmee tegelijk gezegd is, dat het strikt genomen geen gedicht is nu het rationele element als essentieel element van poëzie (betekenis) ontbreekt. Hoogstens is het als literatuur voor zichzelf te redden door er het etiket ‘sonisch’ aan te hechten en dat te verbinden met de klank als natuurlijke expressie van een stemming. Intussen zijn ‘gedichten’ als dit net als zovele experimenten van met name de dadaïsten cultuurlijk i.p.v. natuurlijk: Kurt Schwitters Sonate in Urlauten en Hanlo’s Oote oote oote zijn er dankzij de menselijke verbeeldingskracht. Dat maakt het mogelijk ze in te schrijven in de traditie vanuit de literatuurwetenschappelijke, c.q. Aristotelische notie van de ‘mimèsis’.

Nu, geluid is een natuurlijk verschijnsel: dieren maken het en wind, regen, donder en bliksem gaan met geluiden gepaard. Door het louter weergeven van klanken is er in Oote sprake (?) van nabootsing in die zin, dat specifiek cultuurlijke elementen als semantiek en syntaxis zijn weggelaten. Wat rest, zijn behalve de klank ritme en alliteratie met dien verstande, dat die nooit letterlijke kopieën zijn van natuurlijke geluiden: koeien loeien en hanen kraaien in elke taal weer anders… ‘Mimèsis’ zo inderdaad want dat is niet slechts nabootsen maar het verbeelden van wat de kunstenaar als het werkelijke in de natuur ziet. Hoe elementair of primitief ook, het rationeel betekenisloze geluid (de zucht, de kreet) behoort tot de menselijke psyche en zegt zo ‘iets’ over diens bestaan.

In die zin mag men blijven spreken van ‘ars imitatur naturam’ zij het, dat er vanzelf heel veel verloren gaat wanneer de kunstenaar zich tot de klank beperkt. Vandaar dat Huizinga in zijn In de schaduwen van morgen over dit soort gedichten schrijft als ‘”de droevige uitersten van zinloosheid’” net vanwege het ontbreken van het rationele aspect. Dat is ontegenzeggelijk wat Van Doesburg, Ball, Hanlo en Lucebert deden maar als we het net zo poëtische verschijnsel ‘klank’ serieus nemen, is er voor dit type gedichten een plek in de literatuur want ook de enkel zintuiglijke ervaring van kleuren en klanken kan esthetisch bevredigend zijn. Naar analogie met de schilderkunst waarin de kleur per se een almaar dominanter positie kreeg (te beginnen met Van Gogh en tot en met de kleurvlakken van Appel) krijgt de klank in de poëzie een vergelijkbare autonome functie. Daarmee is tegelijk een grens bereikt want door het wegvallen van het rationele element van de taal wordt het klankmateriaal in Oote taalloos waardoor het om zo te zeggen literatuur-op-het-randje wordt. Dat ook hiervoor ruimte is of moet zijn in de (geschiedenis van de) letterkunde wil met het voorgaande aannemelijk zijn gemaakt. Trouwens, Oote is, als al gezegd, intussen iconisch.

Inderdaad, ook Hanlo zoekt de grenzen op door de taal tot op het bot van de klank uit te benen. Zo bezien vervreemdt hij zijn lezers ervan, niet om hun hun omgeving te ontnemen maar (naar het voorbeeld van Brecht) hen bewust te maken van wat taal welbeschouwd is door hen te laten ervaren wat het niet of maar in heel beperkte mate is: louter klank. Oikofieler kan het niet: door lezers met de (on)mogelijkheden van hun taal te confronteren brengt hij hen die nader en accentueert hij de communicatieve betekenis ervan. Ziehier de paradox van Oote oote oote / Boe en net die ambiguïteit maakt het tot poëzie: maaksel sui generis.