‘Hoe het goede zich altijd loont’ (1851)

Jeugdverhalen over joden (109)

Door Ewoud Sanders

Auteur: onbekend
Moraal: wie goed doet, goed ontmoet

Herkomst en drukgeschiedenis

Het verhaal ‘Hoe het goede zich altijd loont’ werd in 1851 gepubliceerd in het Hollandsch penning-magazijn voor de jeugd. Aangezien het verhaal is gesitueerd in het Duitse Rijnland, is het waarschijnlijk uit het Duits vertaald. Het is ondertekend door ‘W.’ Het is mij niet bekend wie dit is.

         Het Hollandsch penning-magazijn voor de jeugd verscheen tussen 1835 en 1852. Vanaf 1845 werd het uitgegeven door J.H. Laarman in Amsterdam. Het tijdschrift wilde, aldus het voorbericht in de eerste jaargang, ‘zoowel den lust tot lezen als dien tot verder onderzoek op te wekken’.

Samenvatting

Een arme, oude joodse marskramer klopt aan bij een boerderij in het Rijnland. Hij is zo uitgeput dat hij nog nauwelijks kan lopen. Hij vraagt de boer of hij ‘om Godswil’ in diens hooiberg mag slapen. Tot tweemaal toe roept de boer: ‘Blijf mij van het lijf, Jood!’

         De boerin spreekt haar man bestraffend toe. ‘Schaam u voor den Jood dat gij den naam van Christen draagt en zoo onchristelijk handelt.’

         De boerin verzorgt de jood ‘liefderijk’; zij geeft hem te eten en spreidt een schoon laken uit over een stapel hooi. ‘Slaap nu gerust, en God zij met u!’

         De boer vertrouwt het niet. ‘Gij zijt eene barmhartige zuster en neemt allerlei gespuis op!’, zegt hij tegen zijn vrouw. ‘Als die kerel eens tot eene rooverbende behoort en hun des nachts de schuurdeur opent. Wat dan?’

         Hij laadt zijn geweer en houdt de wacht in zijn leunstoel.

         Om half twee ’s nachts wordt de jood wakker. Hij hoort een paar mannen bespreken hoe zij de boer zullen overvallen. De jood waarschuwt de boer en samen vatten zij een van de inbrekers in de kraag. De boer vuurt twee schoten af. Die worden gehoord door de nachtwacht in het nabijgelegen dorp. Hij luidt de noodklok waarop alle inbrekers worden gepakt.

         Een van hen blijkt ‘een slecht, liederlijk mensch uit het naburige dorp, die ter stond bekende, dat hij met de gaauwdieven gemeene zaak had gemaakt’. Het was de rovers ‘op niets minder gemunt geweest dan de bewoners der hoeve te vermoorden, dan alles ledig te rooven (…) en dan huis, stal en schuur in brand te steken, opdat men hen niet vervolgen zou’.

         De boerin zegt tegen haar man: ‘Ziet gij wel, hoe iedere goede daad zich zelve beloont! Had uwe hardvochtigheid den armen Jood van ons gestooten, wie weet of wij dan nog leefden? God heeft hem tot een werktuig onzer redding gemaakt, omdat wij barmhartig waren!’

         De rovers worden aan de rechterlijke macht overgeleverd. ‘Maar de Jood werd door den hoevenaar verscheidene dagen goed onthaald en vertrok niet dan rijk begiftigd.’

Doelgroep en receptie

Van dit verhaal heb ik geen besprekingen gevonden.