Hebben houders van een Nederlandstalig proefschrift later in hun carrière een beperkter publicatieradius?

Door Freek Van de Velde

Dit is het derde stuk in een mini-drieluik over de taal van de proefschriften van de Vlaamse doctores in de Nederlandse taalkunde. Uit vorige stukken (hier en hier) bleek dat een doctoraat in het Engels je niet meer kans gaf op een vaste aanstelling aan een universiteit in binnen- of buitenland, en dat een doctoraat in het Engels ook niet méér geciteerd wordt dan een doctoraat in het Nederlands.

Maar, zo opperden een paar sceptici, misschien moeten we niet nagaan hoe vaak een doctoraat geciteerd wordt – want die dingen worden sowieso niet veel geciteerd – maar hoe vaak de auteur geciteerd wordt. Diens hele oeuvre dan. Als houders van een Engelstalig proefschrift meer oeuvre-citaties hebben, dan zou je kunnen zeggen dat Nederlandstalige proefschriften vooral geschreven worden door mensen die lokaler, beperkter opereren in hun latere carrière.

Opnieuw naar de data dan maar. Deze keer ben ik de h-index gaan opzoeken. Dat is een veelgebruikte maat die nagaat wat voor een bepaalde auteur het hoogste getal n is, waarbij n het aantal artikelen is van die auteur dat minimaal n keer geciteerd wordt. Iemand met een h-index van 6 heeft 6 artikels die minimaal 6 keer geciteerd worden. De maat wordt veel gebruikt omdat die zowel oog heeft voor de breedte (productiviteit) als de diepte (impact). Iemand die maar één artikel heeft dat duizend keer geciteerd wordt, en iemand die heel veel artikelen maakt die elk maar één keer geciteerd worden, hebben allebei een lage h-index. De index klimt pas als je met het stijgende aantal artikelen ook een stijgend aantal citaties hebt. De tellingen zijn opnieuw gebaseerd op Google Scholar in Publish or Perish (Versie 6).

Die h-index heeft het voordeel dat die een telbare maat oplevert, en dat ze bestand is tegen de strategie van de ‘one-hit wonder’ (alleen impact) en van de academische worstendraaier (alleen productiviteit),  maar dat is dan ook bijna alles wat er goed aan is. Hirsch zelf (de uitvinder van de maat) heeft al gezegd dat de h-index waardeloos is voor vergelijking over disciplines of subdisciplines heen, en verder wordt die maat bezoedeld door, onder andere., zelfcitaties en co-auteurschap.

Voorts is het ook geen pretje om die h-indices op te zoeken. Je moet namelijk in de lijst van een auteur alle publicaties uitschakelen die gemaakt zijn door een andere wetenschapper die toevallig dezelfde naam heeft. Dat komt vaker voor dan je denkt, vooral omdat er nogal wat citaties zijn met een initiaal in plaats van een volle voornaam en Publish or Perish niet weet of achter initiaal B. Bill, Bob, Bert, Bavo, Basiel, Ben, Bart of Barabbas zit. Ik heb alle publicaties die in een heel ander veld zaten (oncologie, tandartsenij, etc.) manueel gefilterd. Voor twee doctores was dat onbegonnen werk, en die heb ik dan ook uit de tellingen gelaten. Ik ben er bij het schiften van uitgegaan dat je niet in twee of meer heel aparte velden actief kunt zijn, wat eigenlijk ook niet klopt. Je hebt taalkundigen als Anthony Buccini, die zowel naam gemaakt heeft in de Nederlandse taalkunde als in de voedselgeschiedenis van de Mediterraanse en Atlantische keuken, dus dat zou best ook wel eens het geval kunnen zijn bij deze of gene Vlaamse doctor. Al bij al denk ik dat de uiteindelijke lijst zuiver genoeg om te kijken naar het effect.

Ik heb opnieuw een negatief binomiaal regressiemodel gemaakt waarbij je het effect van een variabele kunt meten terwijl je corrigeert voor een andere variabele. We zien hier hetzelfde als bij het onderzoek naar de citaties: er is geen significant effect van de taal van het doctoraat. Beide groepen scoren precies even hoog. Dat kun je zien in het effectplot, hier beneden. Daar zie je de schatting van de h-index in elke taalgroep, gecorrigeerd voor hoelang die persoon al een doctorstitel heeft.

De slotsom is dat of je nu bekommerd bent om een academische aanstelling, om het aantal keer dat je proefschrift geciteerd wordt, of om je impact op het wetenschapsveld, je nergens aanwijzingen vindt dat een (Vlaams) proefschrift over Nederlandse taalkunde om die redenen in het Engels geschreven zou moeten worden.