Gedicht: Jac. van Looy • Café

Café

Waar, vlam-rood, rozen in de rooie zalen
Bloeien in kronen en ’t goud rommedomt,
In spiegel-wanden duizendvoud weêrómt,
Komen we, nachtvolk, op het licht aandwalen.
Dan in geroes van vele vale talen,
In spraak-gewar dat Babylonisch gromt,
We hurken om tafels, naar elkaâr gekromd,
Als om een vuur, doende ónze buit-verhalen.
Daar zitten we onder zuilen als in dag,
Stoer lijf bij lijf, elkaâr, wijl de uren vliegen,
Vertrouwelijk van ’t leven te beliegen.
De vrouw-gerokte kellners brengen ons drinken.
Hóór, door de rooie rook joelt onze lach…
De zaal ’n burcht is… de klare glazen klinken.

1889

Jac. van Looy (1855-1930)

Portretten: Willem Witsen (1891), zelfportret (1927)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.