‘De zon brengt het aan den dag’ (1850)

Jeugdverhalen over joden (108)

Door Ewoud Sanders

Auteur: Jan Goeverneur (1809-1889)

Herkomst en drukgeschiedenis

Portret van Jan Goeverneur uit 1875. Hij was toen 66 jaar oud. Bron: J.J.A. Goeverneur, Kinderpoëzie: honderdveertig versjes, fabels en liedjes (Groningen, 1875).

Jan Goeverneur behoort tot de bekendste en productiefste kinderboekenschrijvers uit de 19de eeuw. Hij publiceerde ruim vijfhonderd titels in proza en rijm. Ook maakte hij veel kinderliedjes. Sommige daarvan zijn nog steeds bekend, waaronder ‘Toen onze mop een mopje was’.

         In 1889, krap vijf weken voor zijn dood, besteedden verscheidene dagbladen aandacht aan Goeverneurs tachtigste verjaardag. De Arnhemsche Courant hem toen als ‘de opgewektste en vroolijkste onzer dichters (…) wiens verzen nog leven in de herinnering der ouderen en nog met genot gelezen en geleerd worden door de jeugd’.

         Zijn gedicht ‘De zon brengt het aan den dag’ is minstens driemaal gepubliceerd, in 1850, 1854 en 1874. Eronder zette Goeverneur ‘Naar Chamisso’, wat betekent dat hij het ontleende aan de Frans-Duitse dichter en schrijver Adelbert von Chamisso (1781-1838). De zon brengt het aan de dag is een inmiddels verouderd spreekwoord met als betekenis: verborgen misdaden komen (uiteindelijk) aan het licht.

Samenvatting

‘De zon brengt het aan den dag’ vertelt in veertien coupletten over een smid, baas Nicolaas, die benevelt door de wijn aan zijn vrouw bekent dat hij, twintig jaar ervoor, een joodse marskramer heeft vermoord. Hij was toen op reis en had veel tegenslagen gehad: ‘Mijn pak werd oud, leêg was mijn zak, ’k leed honger, koû en ongemak’. Zijn ontmoeting met ‘zwakke’ joodse marskramers zag hij als een buitenkans.

Daar kwam mij juist een jood op zij;
’t Was rondom stil, geen mensch nabij:
‘Jij, hond, jij helpt mij uit den nood;
Je bundel hier, of ’k sla je dood!’

Hij kermde: ‘Och, spaar onnoozel bloed!
Acht stuivers zijn me [sic] gansche goed.’
’k Geloofde ’t niet, ik greep hem vast…
Een arme, zwakke sukkel was ’t.

Dra lag hij in zijn bloed op de aard,
Zijn brekend oog zag hemelwaart;
Nog eens hief hij de bleeke hand
En kreunde, krimpend in het zand:
‘Die zon brengt het eens aan den dag!’

Een houw nog, en zijn tong was stom;
Ik keerde fluks zijn zakken om:
Acht stuivers waren al zijn geld;
’k Begroef hem ergens in het veld.

De smid bezweert zijn vrouw om er het zwijgen toe te doen, maar ‘één tong had nu althans de zon, want welke vrouw ooit zwijgen kon?’ Via de buurvrouw komt het verhaal uiteindelijk toch in de wereld. Met dit als gevolg:

Het volk stroomt naar de regtsplaats voort,
De beul staat klaar met touw en koord.
Wie hangt den raven daar ten buit?
Wat deed de man? Hoe kwam het uit?
Het zonlicht bragt het aan den dag.