Zelf over gedichten praten

Door Marc van Oostendorp

Een van de definiërende eigenschappen van poëzie is dat ze meerduidig is. Sterker nog, ‘meerduidige poëzie’ is een pleonasme. Een gedicht dat je meteen begrijpt is waarschijnlijk ‘gewoon een duidelijke, eenduidige boodschap die per ongeluk in een rare vorm gegoten is’.

Dat beweren althans Gerben Faure, Jan de Jong en Bas Jongenelen, allen docent Nederlands aan de Fontys Lerarenopleiding in Tilburg, met grote stelligheid in de inleiding van hun boek Zelf gedichten lezen, een aanstekelijk leerboek voor de analyse van gedichten.

Gelukkig wordt de soep niet zo verplicht meerduidig gegeten als hij wordt opgediend. Al in het eerste hoofdstuk wordt een bekend gedicht van Herman Gorter, ‘Gij staat zoo heel, heel stil’, dat niet zozeer ‘meerduidig’ is, als dat het gaat over zeggen wat je ‘toch niet [kunt] zeggen’. Het gedicht heeft niet heel veel betekenissen, maar gaat over de betekenis die je niet in taal kunt vangen.

De techniek van Faure, De Jong en Jongenelen is gebaseerd op close reading met een menselijk gezicht. De tekst wordt in de eerste plaats benaderd door heel nauwkeurig lezen en met zo min mogelijk biografische of andere achtergrondinformatie. Maar daarbij wordt er niet vanuit gegaan dat je altijd per se één duidelijke boodschap moet kunnen destilleren. Meerdere oplossingen kunnen goed zijn, en de mogelijkheid wordt ook opengelaten dat je er niet helemaal uitkomt. Faure, De Jong en Jongenelen halen het volgende gedicht aan uit Waterstudies van K. Michel (1999):

Na een keertje
doorlezen zullen we
het allemaal wel
een moeilijk gedicht
vinden, dit hand o.a.
Toch kunnen we met
geduldig lezen een
heel eind komen. Wel
moeten we bij voorbaat
aanvaarden, dat je in
dit soort gedichten vaak met
een paar ‘blinde vlekken’
blijft zitten.
Dat zijn plaatsen waar de associaties van de dichter kennelijk
zo persoonlijk zijn geweest
dat het min of meer toeval is
of je ze kunt navoelen.

Volgens Faure, De Jong en Jongenelen wilde Michel met dit gedicht kritiek geven op het boek Indringend lezen van Drop en Steenbeek waaruit de woorden woordelijk zijn overgenomen:

‘Hoe haal je het in je hoofd om kinderen van vijftien, zestien jaar met zo’n benadering van poëzie lastig te vallen,’ staat er. Niet woordelijk, maar wel invoelbaar.

Dat is eigenlijk wel een erg, eh, eenduidige lezing van dat gedicht. Het gaat immers toch waarschijnlijk niet voor niets over een passage waarin nu juist de grenzen van de close reading worden aangewezen. De eerlijkheid gebiedt bovendien te vermelden dat Zelf gedichten lezen af en toe passages bevat die nu ook weer niet zo ver van Drop en Steenbeek afliggen. Bedenk zelf de enjambementen in:

Je kunt dit gedicht dus ook opvatten als een mooi spel met taalvormen, zonder dat die vormen ergens naar hoeven te verwijzen. In theoretische termen: je kunt het gedicht beschouwen als een autonoom taalbouwsel in plaats van als een expressiemiddel

Het aardige van Zelf gedichten lezen is naar mijn idee dat je ondanks de inleiding die uniformiteit suggereert, geconfronteerd wordt met drie verschillende manieren van lezen. De stukjes zijn steeds gesigneerd, en gaandeweg vallen de stijlen je op.

Faure (misschien niet toevallig de filosoof van de drie) is de strengste close reader, altijd op zoek naar een sluitende interpretatie, zelfs als het een laat gedicht van Van Ostaijen betreft:

We vragen ons bovendien af waarom de ik-figuur het meisje zo noemt ‘in het spelevaren met mijn eenzaamheid’. Is de hele scène een speelse projectie van een eenzame figuur die een fictief gezelschap probeert te creë- ren? Tot slot vragen we ons af of we de klaproos slechts als een betekenisloos onder- deel van de formele compositie moeten beschouwen. Misschien staat de klaproos symbool voor de Eerste Wereldoorlog en bevinden we ons in een weide in de West- hoek? Of moeten we eerder denken aan de klaproos als de basis voor opiumwinning?

De Jong is degene die het scherpst is op de meerduidigheid, het zou mij niet verbazen als de inleiding voor een belangrijk deel door hem is geconcipieerd. In zijn stukken worstelt hij het duidelijkst met het gebruiken van biografische of andere informatie:

Iets dergelijks zie je ook bij de nogal bekende cyclus ‘weg/verdwenen’ van Gerrit Kouwenaar. Negen wonderlijke gedichten die ineens een belangrijk deel van hun betekenis kwijtraken als je weet, dat ze geschreven zijn als protest tegen de afbraak in 1961 van de galerij, het laatste stukje van het ooit zo indrukwekkende Paleis voor Volkskunst in Amsterdam. Ja, dan valt ineens alles op zijn plaats. Maar het valt wel allemaal op dezelfde plaats.

Jongenelen is de meest anarchistische lezer van de drie. Hij lapt dat hele zoeken naar betekenis af en toe aan zijn laars:

Wat ik een heel grappig stukje vind, is ‘de krantenkop / van mijn bezwaren’. Ik begrijp daar helemaal niets van, maar om de een of andere reden vind ik het echt heel grappig. Zijn er bezwaren vanuit de actualiteit? Heeft de ik-figuur iets bezwaarlijks in de krant gelezen? En is zij of hij daar ondersteboven van? Ik kom er niet uit, maar steeds als ik eraan denk, moet ik erom lachen.

Op zich heeft die hele zoektocht naar betekenis ook natuurlijk iets eigenaardigs. Het boek heeft de geestige titel Zelf gedichten lezen, en het is verschenen bij de imprint Educatief van de uitgeverij De kleine uil, maar het is niet helemaal duidelijk voor wie het bedoeld is. Is het een cursusboek of toch vooral een boek voor een soort zelfstudie?

Hoe dan ook gaat het boek uiteindelijk denk ik minder over het lezen van gedichten dan de titel suggereert. Ik lees gedichten in ieder geval helemaal niet op zoek naar meerduidigheid of zelfs maar naar betekenis. Ik lees gedichten om te genieten – bijvoorbeeld van de taal.

In een analyse van Herfst van M. Vasalis stelt Jongenelen bijvoorbeeld allerlei vragen over wat de dichteres nu precies bedoeld kan hebben met onder andere de laatste regels:

Als gevallen englen hokken
door geen zon meer te verzoenen
in een somber dreigend mokken
daar mijn broeders de kalkoenen.

Ik vind dat – en dan met name de laatste regel – indrukwekkend gezegd. Die broederschap met de kalkoenen, dat raakt me. Voor zover dat met betekenis te maken heeft, komt het geloof ik alleen met het beeld van die kalkoenenkoppies, en dat je daar dan broeder tegen zegt. Zoals het ook iets met de klank te maken zal hebben.

Dat zijn allemaal geen dingen waar je onder neerlandici mee weg komt, maar wat nog belangrijker is: het zijn geen dingen waar je over kunt praten. Die regels van Vasalis hebben een je ne sais quoi, daar komt het op neer, en dan ben je al snel uitgepraat.

Het is ook heel lastig om op die manier lezen te leren. Ik geloof dat ik altijd zo gelezen heb, van de dag dat ik in de boekenkast van mijn ouders een bundel vond: bezoek naar iets dat mooi was – niet omdat ik er een interpretatie van kon geven, maar meestal los van de vraag wat ik dacht dat het gedicht betekende. Voor mij is dat altijd het wezen van poëzie lezen: op zoek naar woorden die goed bij elkaar passen.

Maar als je wilt praten over gedichten – omdat je er les in geeft of krijgt, of omdat je in een leesclub zit – moet je dus meer. Ik geloof dat daar de methode van Faure, De Jong en Jongenelen goed voor werkt, precies ook doordat ze de nadruk leggen op de meerduidigheid. Ze zeggen dat trouwens zelf ook, dat je juist door die meerduidigheid goed met elkaar kunt praten over de gedichten die je hebt lezen. Zelf over gedichten praten, dat is waar het feitelijk over gaat.

Gerbert Faure, Jan de Jong en Bas Jongenelen. Zelf gedichten lezen. Een reis over de onbewandelde wegen van de poëzie. Groningen: De kleine uil. 2020. Bestelinformatie bij de uitgever.