Wat was er echt belangrijk in mijn academisch leven?

Door Jan Blommaert

Twee van mijn maîtres à penser stierven relatief jong. Michel Foucault was 57, Erving Goffman 60. Het is zeer waarschijnlijk dat ook ik relatief jong zal sterven. Ik ben nu 58 en bij mij is medio maart 2020 kankerstadium 4 gediagnosticeerd. Als er plotseling heel weinig toekomst over is om te plannen, over te speculeren of van te dromen, gebruikt men zulke historische momenten vaak als een aansporing om na te denken over het verleden. De leidende vraag hierbij – een nogal voor de hand liggende – is: wat was er belangrijk?

Ik zal mijn aantekeningen beperken tot het professionele deel van mijn leven. Dit is natuurlijk een kunstmatige onderverdeling en de lezer moet in gedachten houden dat het professionele deel van mijn leven altijd verweven was met de niet-professionele delen, vaak op een lastige of slecht uitgebalanceerde manier. Misschien moet dat verhaal elders worden verteld. Voor nu zal ik me concentreren op het deel van mij dat “academisch” kan worden genoemd.


Laat ik voor ik begin eerst op een rijtje zetten wat niet belangrijk was.

Niet belangrijk was: de concurrentie en de daarbij horende competitiviteit in gedrag en in relaties, de wens of de drang om de beste te zijn, wedstrijden te winnen, als kampioen te worden gezien, tactisch te handelen, strategische allianties te smeden en wat al niet. Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik deel moest uitmaken van een specifieke kliek of netwerk, en ik denk niet dat ik ooit grote inspanningen heb geleverd om dicht bij mensen te komen die men belangrijk vond. Als ik al lid was van dergelijke netwerken, was het eerder per ongeluk dan met voorbedachten rade – het is me overkomen.

Ik heb mezelf nooit als een genie beschouwd, als individu afgemeten aan anderen, en in mijn eentje verantwoordelijk gevoeld voor de productie van fantastische dingen die iedereen zou moeten lezen, kennen, citeren en aan studenten toewijzen. Integendeel, ik zag mezelf altijd als niet-uitzonderlijk en als iemand die immer een goed team om zich heen nodig had om iets te bereiken. Aangezien het academische leven in mijn geval niet iets was waar ik actief naar verlangde of naar zocht, maar een geschenk dat ik van anderen ontving, voelde ik de plicht om goed te zijn, zo goed als ik kon, en morgen weer beter dan vandaag. Dus werkte ik hard en liet in wezen mijn richting bepalen door anderen – de literatuur natuurlijk (een gemeenschap van anderen die vaak over het hoofd wordt gezien als we het hebben over academische prestaties), maar ook contacten en vrienden waaruit teams konden worden gevormd. Discussie en brainstorm waren mijn favoriete bezigheden; ze vormden in de letterlijkste zin de ludieke, leuke en plezierige dimensies van het academische leven. Wat ik meestal alleen deed, was de langzame en zorgvuldige analyse van gegevens. Maar dat was het enige dat echt individueel was in een reeks activiteiten die collectief waren en waarbij intensief delen, uitwisselen en vrijgevigheid een rol speelden. En zelfs dat ene – de data-analyse – werd meestal aan het oordeel van anderen onderworpen voordat het openbaar kon worden gemaakt. Tot zover de enige, unieke en autonome, geniale onderzoeker.

In zulke contexten van collectief delen, geconditioneerd door maximale vrijgevigheid, is het logisch om van gedachten te veranderen. Het punt van een discussie of brainstorm – een “gedachtewisseling” – is dat ideeën kunnen worden uitgewisseld en veranderen, en dat men de sessie uitkomt met betere dingen in zijn hoofd dan tevoren. Leren is daar de sleutel, en als ik mezelf één label op zou spelden, is dat het label van een eeuwige, onverzadigbare leerling.

Daarom heb ik mijn hele leven onverzadigbaar gelezen. En terwijl een deel van dat lezen ‘gewoon’ lezen was, was een ander deel studeren. Het grootste deel van mijn carrière was ik wel bezig met enigerlei studie, waarbij ik geschriften verzamelde en selecteerde waaruit ik geavanceerde inzichten wilde halen, nuttig voor de onderzoeksprojecten waaraan ik meewerkte. Ik bestudeerde bijvoorbeeld (en de lijst is niet compleet) het structuralisme, het existentialisme, de fenomenologie, esoterische zaken zoals de werken van Rudy Botha over Chomsky en de functionele grammaticapogingen van Simon Dik, Talmy Givon en MAK Halliday; maar ook het hele oeuvre (of in ieder geval het meeste van wat ik te pakken kon krijgen) van Michel Foucault, Carlo Ginzburg, Bakhtin, Freud, Durkheim, Simmel, Parsons, Eric Hobsbawm, E.P. Thompson, Pierre Bourdieu, Charles Goodwin, Dell Hymes, Michael Silverstein, Erving Goffman, Aaron Cicourel, Harold Garfinkel, Anne Rawls, Fernand Braudel, J.K. Galbraith, Immanuel Wallerstein, Arjun Appadurai en verschillende anderen. Ik heb Marx en het marxisme bestudeerd in zijn zeer diverse verschijningen, Rational Choice, Macchiavelli, Darwin, G.H. Mead’s werk en invloed, Dewey, Paolo Freire, Ngugi wa Thiong’o, Okot p’Bitek, Walter Rodney, Issa Shivji en nogal wat Afrikaanse politieke theorie uit de jaren 1950, 1960 en 1970. Om daar iets van te begrijpen, moest ik de werken van Mao Zedong en de geschiedenis van de culturele revolutie in China bestuderen. Enzovoort.

Als ik nu ergens spijt van heb, dan dat sommige van die studies nog niet af zijn. Ik heb er veel plezier aan beleefd.

Ik haatte en haat – innig – de ontwikkeling van de academische industriële cultuur waar ik gedurende mijn hele carrière getuige van ben geweest, met een bijna totale individualisering van academisch werk en prestatiemeting, met constante interindividuele concurrentie die jonge en kwetsbare collega’s naar extreme en gevaarlijke niveaus drijft van stress en investeren in werk in plaats van in het leven, en waarbij managers benadrukken –zonder een spoor van bewijs – dat de ‘single-authored journal paper’ (natuurlijk gepubliceerd achter een enorme betaalmuur) het toppunt is van academische prestatie en de gouden standaard voor het meten van de “kwaliteit” van een individuele onderzoeker. Daar komt nog de groei bij – en ook daar ben ik getuige van geweest – van een ware beroemdheidscultuur in de academische wereld, waarin megaconferenties de vorm aannemen van popfestivals met kopstukken van rocksterren die hun grootste hits brengen voor een publiek van slecht betaalde, worstelende academici die hun persoonlijke vakantiebudgetten hebben uitgegeven om een ​​kaartje te kopen voor dergelijke evenementen. Daar gebeurt weinig echt waardevol intellectueel werk. En net als bij popfestivals, is de ecologische voetafdruk van dergelijke academische rockconcerten schandalig.

Eerlijk gezegd is dit alles in zijn eenvoudigste en elementairste vorm, anti-academisch en anti-intellectueel. Het is het recept voor slechte wetenschap, niet voor innovatie en verbetering. Ik heb overal aan mee gedaan, want het was allemaal ‘nieuw’ terwijl ik actief was – het was de cultuur die mijn carrière heeft bepaald. Die cultuur definieerde me een tijdje als een van die rocksterren en plaatste me dus vrij consistent in het gezelschap van een kleine coterie van vergelijkbare rocksterren. Dat ga ik niet missen, want het was altijd ongemakkelijk en vervreemdend, en heel vaak ongelooflijk saai. En deze nieuwe cultuur brak een ​​eerdere cultuur af en delegitimeerde deze – een cultuur van collegiale dialoog, samenwerking, traagheid, tijd om na te denken, te reflecteren en te twijfelen, perioden van onzichtbaarheid en afwezigheid op openbare podia – omdat men serieus onderzoek deed, bijvoorbeeld. En een cultuur waarin men alleen iets zou schrijven omdat er iets nieuws moest worden gemeld, niet omdat men zijn jaarlijkse outputquotum of nog een ‘top’-paper moest halen om in aanmerking te komen voor promotie, aanstelling of benoeming.

Terzijde: een ander onderdeel van die bepalende cultuur waren universitaire reorganisaties, managerialisatie en bezuinigingen, met een toenemende rat race voor banen (waarvoor de intellectuele wereld een afschuwelijke prijs betaalt), “klantgerichte” academische programma’s die moesten worden gecontroleerd door de marketingjongens op hun verdiensten in een markt van academische producten, de achteruitgang van vitaal academisch “ondersteunend personeel” en de bijna volledige commercialisering van academische output –- zie het punt over “single-authored journal papers” hierboven, en je kunt de statistieken en impactmanie daar nog aan toevoegen. Academisch publiceren is als bedrijfstak een schande geworden en een belemmering voor de wetenschap, geen facilitator (laat staan ​​een onmisbare actor). Publiceren is een vorm van terreur geworden voor jonge wetenschappers, terwijl het een instrument zou moeten zijn voor bevrijding, om hun stem en voeten in het vak te vinden. Burn-out is nu een endemisch beroepsrisico in de wetenschap, net als depressie, ongelukkige menselijke relaties en een ongezonde levensstijl. De academie is een zeer onaantrekkelijke omgeving geworden voor menselijke creativiteit, terwijl het een omgeving zou moeten zijn die er perfect op is afgestemd en die er zelfs in gespecialiseerd is.


Dat was dus het onbelangrijke deel. De belangrijke zaken kunnen worden samengevat in een drietal trefwoorden: geven, vormen, inspireren. Ik zal later nog een vierde trefwoord toevoegen.

Zoals ik al zei was mijn academische leven een geschenk dat ik van anderen kreeg. Het kwam onverwacht als een geschenk; ik was er niet op voorbereid. Toen ik in 1988 mijn eerste academische baan kreeg, keek ik vooral naar mensen die ik als slechte voorbeelden zag, en ik besloot de dingen niet te doen zoals zij ze deden. Ik besloot in wezen om het soort academicus te zijn dat ik zelf had willen tegenkomen toen ik student was. Als ik les gaf, moest ik het soort les geven dat ik zelf graag als student had willen volgen. En als ik schreef, moest ik teksten schrijven die ik zelf graag las. Het is een simpele discipline die ik gedurende mijn hele carrière heb gehandhaafd: het gaat nooit om mij, het gaat altijd om de student, en het is mijn rol om de student middelen aan te reiken die nuttig en waardevol zijn voor die student, niet voor mij.

Ik begreep al vroeg dat mijn rol in het leven van de jongeren die mijn studenten waren die van opvoeder was, niet alleen die van docent of leraar. Toen ik dat eenmaal besefte, nam ik het heel serieus. Ik heb elke cursus die ik ooit heb gegeven zorgvuldig voorbereid (en dat waren er veel), en ik heb altijd elk individueel college geoefend. Ik liep nooit een collegezaal binnen zonder een volledig uitgewerkt verhaal en een script in gedachten om het te leveren. Als je moet lesgeven, moet je lesgeven en dat op een no-nonsense manier doen. Maak van elke minuut van het college een minuut die de moeite waard is voor studenten, en zorg ervoor dat ze iets leren in elk van je colleges. Dat klinkt eenvoudig en voor de hand liggend, maar dat is het niet. Het is een hele opgave.

Dat begint met de weigering je studenten te onderschatten. Veel van mijn oud-studenten zullen zich herinneren dat ik cursussen begon met aan te kondigen dat ik slechts een centimeter boven hun hoofd zou mikken, zodat ze zich een beetje zouden moeten uitstrekken om het tempo en de inhoud van de cursus bij te houden. Dat deed ik altijd: ik gaf studenten colleges, teksten en opdrachten die vaak door collega’s werden beoordeeld als te veeleisend of ‘boven hun niveau’ – eerstejaarsstudenten moesten bijvoorbeeld een boek van Foucault lezen. Welnu, het is een feit dat ze dat deden, en ze er veel van hebben opgestoken. Dus wat precies “hun niveau” is, moet meestal en bij voorkeur worden bepaald na het leerproces, niet tevoren. Voordien is niemand “klaar” voor specifieke brokken kennis; ze worden klaar gemaakt door het leerwerk. Dit elementaire feit niet begrijpen en ervan uitgaan dat leerlingen een bepaald niveau hebben waaraan wij, docenten, ons moeten aanpassen, is een grote fout. In mijn carrière heb ik vaak gezien hoe deze fout leidde tot de infantilisatie van uitzonderlijk getalenteerde jonge mensen en tot leerprestaties die een fractie waren van wat ze hadden kunnen zijn. Onderschat je studenten alsjeblieft nooit.

Geef ze in plaats daarvan het beste wat je in je hebt. Dat betekent: geef je studenten geen oude en alledaagse informatie, maar je meest recente en meest geavanceerde inzichten en gedachten. Trek ze de wereld in van je huidige onderzoek, stel ze bloot aan de meest geavanceerde problemen en discussies in het veld, toon ze complexe en veeleisende gegevens en gun ze een kijkje in je keuken, niet alleen in je winkel. Een groot deel van mijn carrière had ik een enorme onderwijslast. Ik kon lessen alleen interessant houden voor studenten en voor mezelf door directe en directe verbanden te leggen tussen mijn lopende onderzoek en mijn onderwijs. Ik nam halfafgewerkte analyses van nieuwe gegevens mee naar de collegezaal en maakte de analyse daar af, mét mijn studenten, zodat ze konden ervaren hoe ik fouten maakte, terug moest naar eerdere punten, een paar lastige stapjes moest overslaan, enzovoort. Het voordeel was: mijn grote hoeveelheid colleges hebben mijn onderzoekstijd niet volledig opgebruikt, het bleef onderzoekstijd en studenten werden blootgesteld aan een onderzoeker die sprak over een concreet en nieuw probleem dat om een ​​oplossing vroeg.


Het is, denk ik, op dit punt dat “lesgeven” verandert in “vormen“. Als docenten “dragen we geen kennis over” en we zijn in die zin geen ingewikkelde of onhandige bulldozer of vorkheftruck waarmee een bepaalde hoeveelheid grondstoffen van de ene plaats (de onze) naar de andere wordt gebracht (de gedachten van studenten). Zo ziet het hedendaagse academische management ons het liefst. Ik heb het hierboven al van de hand gewezen.

Nee. Of we het nu leuk vinden of niet, we zijn veel, veel meer dan dat voor onze studenten, en zo moet het ook. We herinneren ons allemaal nog wel docenten, van de kleuterschool tot aan de universiteit. Sommige van onze herinneringen vervagen geleidelijk, en sommige van de docenten overleven in onze herinneringen alleen als oppervlakkige schimmen die in bepaalde momenten in het leven opdoemden. Maar sommige van deze docenten zijn eigenlijk heel belangrijk in de verhalen die we van onszelf maken; en van zulke docenten hebben we soms buitengewoon uitgebreide en gedetailleerde herinneringen. Sterker nog: sommigen dienden (en dienen) als rolmodel of als mensen die onze levenswandel en identiteit bepaalden op cruciale momenten in het leven. En wanneer mensen over zulke docenten praten, merken we hoe nauw ze zelfs hun kleinste eigenaardigheden in hun gedrag hebben geobserveerd en kritisch hebben gevolgd; hun precieze woorden en hoe, wanneer en waarom ze werden uitgesproken; bepaalde gebaren die ze maakten of gezichten die ze trokken; grappen of verrassingen waar ze mee kwamen, enzovoort.

Ik werd me sterk bewust van het feit dat mijn studenten me als docent zouden herinneren. Ik wist op ieder moment dat ik met studenten sprak dat dit moment een spoor in hun ontwikkeling kon achterlaten en vaak een belang zou krijgen dat het voor mij nooit kon hebben. Samenvattend realiseerde ik me dat elk moment waarop ik als docent met studenten omging, een moment van vorming zou zijn, vorming van een persoon, met behulp van de stof die ik hen aanbood tijdens dat specifieke moment van interactie. Mijn hele gedrag jegens hen was in die zin potentieel educatief materiaal. En mijn hele gedrag jegens hen moest daarom in dat licht worden georganiseerd. Ik moest toestaan ​​dat studenten mij leerden kennen – of eigenlijk, een versie van mij leerden kennen die kon worden herinnerd als iemand die een positieve bijdrage had geleverd aan hun ontwikkeling als volwassen mens. Respect, beleefdheid, integriteit, professionele correctheid, empathie, betrouwbaarheid, betrouwbaarheid, toewijding: al deze woorden staan ​​voor gedragsscripts die voortdurende enactment vereisen om echt te kunnen zijn.

Meermaals in mijn carrière vertelden studenten me wat het beste ‘geheimen’ genoemd kon worden, delicate persoonlijke dingen die gewoonlijk alleen binnen een kleine kring van intimi worden meegedeeld. Tweemaal kwamen jonge vrouwelijke studenten in grote nood mijn kantoor binnen, om te vertellen dat ze waren verkracht – en ik was de eerste persoon die ze om hulp vroegen. Hoewel zulke momenten natuurlijk desoriënterend waren en me koud om het hart sloegen, leerden ze me dat ik als docent een gewichtig deel uitmaakte van het leven van studenten, op een manier en in een mate die ik me nooit goed realiseerde. En het leerde me de enorme verantwoordelijkheden die daarbij kwamen kijken: we zijn zoveel meer dan ‘academici’ voor deze jongeren, we zijn volledig gevormde mensen wiens gedrag nuttig, belangrijk en zelfs doorslaggevend voor hen kan zijn. We moeten dienovereenkomstig handelen en niet weglopen van deze bredere educatieve rol die we hebben.


Het derde sleutelwoord is ‘inspireren‘ en ik moet nu even een stap terug doen. Ik noemde al de lol die ik altijd aan het studeren had. Het echte plezier die ik erin vond, was inspiratie – andere geleerden en hun werken inspireerden me om in bepaalde richtingen te denken, dingen te denken die ik voorheen niet had kunnen denken, dingen op een bepaalde manier te doen, technieken, methoden, argumentatielijnen te verkennen, enzovoort. Ik wil dit benadrukken. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit dingen heb bestudeerd om ze na te volgen zoals een discipel de dictaten van een meester navolgt of een leerling de regels van een vak volgt – ik herinner me tenminste dat elke poging in die richting op een akelige mislukking uitliep. Ik heb nooit een orthodoxie kunnen absorberen en iemand te worden die graag het label draagt ​​van – laten we zeggen – kritische discourseanalist of gespreksanalist.

Altijd als ik studeerde, wilde ik geïnspireerd worden door wat ik bestudeerde. Ik beschreef die inspiratie hierboven al: het is de kracht die plotseling denkrichtingen en -gebieden opent, het embryo van een idee laat zien, een bepaalde formulering oppert die andere overbodig maakt, enzovoorts. Inspiratie gaat over denken, het is de kracht die het denken op gang brengt en die ons naar het sleutelelement van het intellectuele leven brengt: ideeën. Wetenschap zonder ideeën is geen wetenschap, maar een spel met regels waarin ‘succes’ wordt bepaald door de mate van niet-creativiteit die men in zijn werk kan vertonen. Met andere woorden, precies het tegenovergestelde van wat wetenschap behoort te zijn. Wetenschap kan nooit onderdanig zijn, nooit een kwestie van ‘een procedure volgen’ of ‘kader’. Het gaat om het construeren van procedures en kaders.

Ik heb veel momenten in mijn carrière gehad waarin afgestudeerde studenten hun werk aan mij presenteerden en begonnen met dingen te zeggen als “Ik gebruik Halliday als mijn framework”. Meestal was mijn antwoord daarop de vraag “sinds wanneer is Halliday een framework?” En het antwoord is natuurlijk: door zijn eigen framework te construeren en te weigeren die van anderen blind te volgen. Mensen die als het ware ‘een framework’ zijn geworden, namen de essentiële vrijheid die onderzoek moet hebben en verwierpen de beperkingen die vaak voor de ‘wetenschappelijke praktijk’ worden aangezien. De essentiële vrijheid van onderzoek is de vrijheid om te ontkennen wat als waar, vanzelfsprekend en bekend wordt beschouwd en het telkens opnieuw te onderzoeken. Het is de vrijheid van dissidentie – iets dat we in onze geïnstitutionaliseerde verhandelingen vaak verbergen achter de uitdrukking ‘kritisch denken’. Ik zie dissidentie als een plicht in onderzoek en als een van de aantrekkelijkste aspecten ervan. Ik denk dat het precies dit aspect is dat mensen nog steeds overtuigt om te kiezen voor een carrière in het onderzoek.

Inspiratie ontleent zijn gewicht aan de plicht om na te denken, steeds opnieuw te onderzoeken en vragen te stellen, die ik zie als de kern van onderzoek. We kunnen het denkwerk en het opnieuw zoeken gemakkelijker maken (en productiever, daar ben ik overtuigd) wanneer we ons laten inspireren door de enorme hoeveelheid aan bestaand werk en de ontelbare nuttige ideeën die het bevat, net als door interactie met vrienden, collega’s, studenten, leeftijdsgenoten – sta hen toe onze eigen opvattingen te beïnvloeden, nieuwe te vormen en ons te helpen van gedachten te veranderen over dingen. En in onze eigen praktijk moeten we misschien ook, bewust en opzettelijk, proberen anderen te inspireren. Daarmee bedoel ik: we mogen anderen niet onze eigen leerstellingen en orthodoxieën doorgeven. We moeten hen onze ideeën geven – zelfs als ze ruw zijn, onvoltooid en half onderbouwd – en uitleggen hoe dergelijke ideeën vruchtbaarder kunnen maken wat er al is – het niet vervangen.

Ik heb consequent geprobeerd anderen te inspireren en hun het belang dat ik hechtte aan inspiratie in leven en werk over te brengen. In mijn geschriften probeerde ik heel vaak mijn lezers tot de grenzen van mijn eigen kennis te brengen en hen een glimp te geven van wat daarachter ligt, van het open terrein waarvoor mijn geschriften geen wegenkaart boden, maar dat ze misschien via mijn geschriften konden detecteren als open voor verkenning. Dit heeft delen van mijn werk ‘controversieel’ en / of ‘provocerend’ gemaakt – kwalificaties die meestal negatief bedoeld waren, maar onvermijdelijk ook relevantie uitdrukken en een zekere mate van innovatie suggereren. Ik was meestal heel blij met deze kwalificaties en ze ergerden me nooit. Het maakte me ook nooit uit als ik ontdekte dat iemand met wie ik in gesprek was me niet goed kende, mijn werk niet had gelezen en niet deed alsof hij het wel gelezen had. Meestal behoorden zulke ontmoetingen tot de aangenamere.


Deze drie dingen waren beslist belangrijk voor mij in het professionele leven: een gewoonte maken van geven, delen en vrijgevig zijn in de omgang met anderen; me bewust zijn van mijn plicht om anderen te vormen en van de daarbij behorende verantwoordelijkheden, en die plicht zeer ernstig nemen; en inspiratie gebruiken als een centraal instrument en doel van mijn academische en intellectuele praktijk. Ik kan zeggen dat ik geprobeerd heb deze drie aspecten gedurende mijn hele carrière toe te passen en te implementeren; Ik kan niet beweren dat ik dit foutloos en perfect gedaan heb – het lijdt geen twijfel dat ik iedere denkbare menselijke fout gemaakt heb, en ik spreek hier niet als een heilige. Maar de drie elementen die ik hier besprak waren– nu ik met meer afstand kan terugkijken – altijd belangrijk, altijd leidende principes en altijd maatstaven voor het evalueren van mijn eigen handelen en gedrag.


Ik moet nu een vierde trefwoord toevoegen: democratisch zijn. Het is van een wat andere orde.

Ik groeide op en studeerde in het onderwijssysteem van de welvaartsstaat België, en gezien de bescheiden sociaaleconomische status van mijn familie zou ik waarschijnlijk nooit hoger onderwijs hebben genoten in andere systemen waar we zelf hadden moeten betalen. Ik ben een product van een grote en structurele collectieve inspanning van mensen die mij niet kenden – belastingbetalers – en wie ik verder ook was, ik was een product van een democratische samenleving.

Ik ben me mijn hele volwassen leven zeer bewust gebleven van dat feit, en mijn politieke standpunt als professioneel academicus is altijd geweest dat ik, samen met de wetenschap die ik produceer, een hulpmiddel voor de samenleving was en ik aan de samenleving moest teruggeven waar de samenleving in had geïnvesteerd. “Samenleving” omvat in deze opvatting iedereen en niet slechts een deel. Het is noodzakelijk een inclusief begrip. En wetenschap moet in deze visie een commons zijn, een waardevolle bron die voor iedereen beschikbaar is, een aanwinst voor de mensheid. Het beoefenen van dit principe werd steeds moeilijker door de ontwikkelingen die ik hierboven al noemde: de snelle en doordringende commodificatie van de academische industrie tijdens mijn carrière. Academische instellingen en academisch werk werden en zijn buitengewoon exclusieve en elitaire goederen geworden, en academisch werk dat de beperkingen weigert die evenredig zijn met deze commodificatie, wordt hier in het algemeen en ingetogen niet aangemoedigd. Ik kom hier hieronder op terug, maar ik moet eerst doorgaan met een auto-historisch verhaal.

Ik heb gedurende heel mijn carrière veel in Afrika en met Afrikanen gewerkt, zodat niemand me hoeft te vertellen dat kennis, zeker in zijn academische vorm, niet voor iedereen beschikbaar is en dat een groot deel van de mensheid alleen toegang krijgt tot de van de tafels van de meer bevoorrechten gevallen kruimels. Men kan dit letterlijk nemen: veel van de schoolboeken die in het begin en midden van de jaren tachtig in Tanzania werden gebruikt, waren boeken die uit in het Verenigd Koninkrijk van het programma waren gehaald en – in feite als afvalproducten, maar onder de fraaie bijnaam van ‘educatieve ontwikkelingshulp’ – naar Tanzania waren gestuurd. En bijna elke student of academicus die ik ontmoette aan de Universiteit van Dar es Salaam (die in het begin van mijn carrière geruime tijd mijn tweede thuis was) antwoordde op de vraag “wat mis je het meest hier op de universiteit?’: “boeken, tijdschriften”. Boekenplanken op afdelingen waren inderdaad bijna leeg (zelfs in zogenaamde “leeszalen”), en de kleine collecties boeken in het privébezit van academici (meestal verzameld tijdens afstudeerwerk in het buitenland) werden gekoesterd, beschermd en zelden aan anderen ter beschikking gesteld. In de universiteitsboekhandel op de campus waren ook de planken leeg, de voorraden waren somber en het grootste deel van de aangeboden collectie was gedateerd. (De meest verlaten en stoffige hoek werd echter een schatkamer voor mij, want daar konden goedkope edities van de werken van Marx, Lenin en Mao Zedong worden gevonden, lang geleden geschonken door de regeringen van de USSR, de DDR en China.) Mijn eigen werkbibliotheek thuis – de werkbibliotheek van een promovendus – was meerdere malen groter dan sommige afdelingscollecties die ik in Dar es Salaam had gezien. Voor zover “wit privilege” enige betekenis heeft, was ik me er al heel vroeg in mijn carrière behoorlijk van bewust.

Ongelijkheid werd het centrale thema in mijn werk en mijn academische praktijk vanaf het moment dat ik begon. En ik heb het nooit opgegeven. Ik wilde begrijpen waarom het begrijpen op zich een object van ongelijkheid is. Concreet wilde ik begrijpen waarom het verhaal van een Afrikaanse asielzoeker systematisch verkeerd werd begrepen en gediskwalificeerd door asielambtenaren in België en elders; waarom de verhalen van bepaalde getuigen in de Zuid-Afrikaanse Waarheids- en Verzoeningscommissie als “gedenkwaardig” werden beschouwd, terwijl andere werden vergeten of nooit serieus werden genomen; waarom zoveel verhalen uit de marge worden beschouwd als niet eens de moeite waard om naar te luisteren, laat staan ​​om op te nemen en te onderzoeken; waarom sommige groepen mensen niet worden herkend als gesprekspartners, als legitieme stemmen die respect en aandacht vragen, enzovoort. Deze algemene zorg bracht me gedurende mijn hele carrière naar de marge van samenlevingen waarin ik woonde en werkte, en confrontaties met racisme, seksisme en andere structurele vormen van ongelijkheid onvermijdelijk maakten.

Het leidde ook tot praktische beslissingen over hoe ik mijn werk had georganiseerd. Ik zal drie van zulke beslissingen benadrukken.

Een. Door mijn ervaringen op Afrikaanse universiteiten ben ik me zeer bewust geworden van het bestaan ​​van verschillende academische werelden, en niet van de geïdealiseerde ‘academische gemeenschap’ waar men het soms over heeft. En ik besloot veel van mijn inspanningen te besteden aan het werken met en ten behoeve van wat nu de Global South wordt genoemd. Ik ben trots op het werk dat ik gedaan heb met de Universiteit van de West-Kaap in 2003-2008, waar ik namens de Vlaamse Interuniversitaire Raad een heel groot academisch samenwerkingsproject coördineerde. UWC is een historisch niet-blanke universiteit en droeg in 2003 nog steeds de littekens van de apartheid: de universiteit had veel te weinig middelen en beschikte niet over de infrastructuur en de ervaring om een ​​moderne onderzoekscultuur op te bouwen. Ik denk dat we in nauwe samenwerking met de lokale universiteitsleiders – het meest inspirerende en energieke team van academische leiders dat ik ooit heb ontmoet en sindsdien voor altijd mijn vrienden – het schip hebben kunnen keren. Tijdens het proces leerde ik een grote gemeenschap van geweldige mensen kennen die me veel hebben geleerd over wat echte toewijding is – van kanselier Desmond Tutu tot Allister, de man die optrad als mijn fixer en chauffeur wanneer ik in Kaapstad was.

Informeel heb ik mijn best gedaan om met en voor wetenschappers en instellingen in het zuiden van de wereld te werken, waarbij ik langzaam netwerken van contacten in verschillende landen opbouwde en op verschillende manieren probeerde te helpen. De mensen die ik via deze netwerken tegenkwam, hadden meestal niet het geld om naar conferenties te reizen waar ik optrad, en ook niet het geld om mijn boeken te kopen. En dit brengt me bij een tweede beslissing.

Twee. Ik wilde mijn werk open access beschikbaar stellen en echt democratische mechanismen van circulatie en distributie creëren. Ik noemde al eerder het idee van wetenschap als commons; ik meen dat serieus. Dus begon ik al heel vroeg met een reeks werkdocumenten die het mogelijk maakten om gepubliceerd hoogwaardig materiaal te gebruiken om de betaalmuren van commerciële uitgevers te omzeilen. En zodra het web een factor van belang werd in ons vak, gebruikte ik het als een forum voor verspreiding en distributie. Alles wat ik schrijf, wordt eerst op een blog geplaatst en gaat dan meestal over naar een werkdocumentformaat in de Tilburg Papers in Culture Studies, voordat het zijn weg vindt naar dure tijdschriften of boeken. Ik werd ook een vroege aanwezige op academische deelplatforms zoals Academia.edu en ResearchGate. En ik ben er trots op dat een groot deel van degenen die mijn materiaal lezen en downloaden, geleerden uit het Zuiden zijn – degenen die de commerciële versies van mijn werk niet kunnen betalen.

Maar mijn obsessie met open access is niet beperkt tot de lezers in de Global South. Mijn eigen studenten, die met mij samenwerken aan een goed uitgeruste universiteit in een welvarend land, kunnen het zich niet veroorloven mijn boeken te kopen. Zoals ik eerder zei, is de academische uitgeverij een schande geworden en sluit ze een groeiend aantal mensen uit die absoluut toegang tot haar producten nodig hebben. Ik zag het als mijn plicht om dat systeem te ondermijnen, zaken te delen en te verspreiden die normaal gesproken niet vrij zijn om te worden gedeeld en verspreid, en om dat al vroeg te doen met recent materiaal. Het is goed en nuttig om oude teksten algemeen beschikbaar te maken, maar de echte behoefte van wetenschappers in grote delen van de wereld is om toegang te krijgen tot het recentste materiaal, om deel te nemen aan lopende debatten, om hun eigen onderzoek af te stemmen op dat wat baanbrekend is elders. En de academische uitgeverij doet briljante, werkelijk majestueuze inspanningen om precies dat te voorkomen.

We mogen geen deel uitmaken van die sector, we mogen er geen pleitbezorgers van zijn en we mogen ons niet verplicht voelen om de belangen van die sector te dienen. Wij zijn haar beroepsbevolking en we bieden haar gratis, onbetaalde arbeid. We tekenen contracten met hen – meestal niet onderhandelbaar – waarin alle rechten op ons eigen werk worden overgedragen, toegeëigend en geprivatiseerd – in ruil voor een doi-nummer en een pdf. We worden door die industrie uitgebuit in een mate die de meeste andere verstandelijk gezonde mensen belachelijk vinden. Als we een beetje creatief te werk gaan, hebben we die branche niet meer nodig. Als academici hebben we een idee van het publiek van ons werk dat veel preciezer is dan dat van om het even welke marketingmedewerker bij een academische uitgeverij. We hebben ook een uitstekend idee wie ons werk deskundig en betrouwbar kunnen beoordelen. En we hebben alleen een website nodig om ons werk te publiceren wanneer het klaar is voor publicatie – het gratis aanbieden en zonder beperkingen delen met iedereen die erin geïnteresseerd is, niet alleen aan wie er een bepaald bedrag voor hebben betaald.

Drie. Gedurende mijn hele carrière ben ik nooit gestopt met een niet-academisch publiek aan te spreken. Ik heb letterlijk honderden lezingen gegeven, workshops, trainingen en openbare debatten voor professionals en activisten op verschillende gebieden – onderwijs, maatschappelijk werk, zorg, recht, politie, antiracisme, feminisme, steun aan vluchtelingen, jongerenorganisaties, vakbonden en politiek partijen. In de regel deed ik dit zonder een vergoeding in rekening te brengen (in lijn met wat ik eerder zei over het teruggeven aan de samenleving) en het standaardantwoord op uitnodigingen was “ja”. Ik vond zulke activiteiten altijd lonend en het publiek dat ik via dergelijke activiteiten ontmoette, was vaak buitengewoon energiek. Ik bleef ook materiaal in het Nederlands schrijven. Meer dan een dozijn boeken, als ik me niet vergis, en stapels artikelen – allemaal geschreven voor lekenpubliek, vaak gebaseerd op mijn doorlopende onderzoek en vaak gebruikt in professionele trainingsprogramma’s. Het was mijn manier om de recente wetenschap snel naar een breder openbaar forum te brengen. Voor maatschappelijk werkers of leraren in meertalige klaslokalen mag geen informatie worden gegeven van tien jaar oud; ze moeten de beschikking hebben over meest geavanceerde inzichten en deze in hun praktijk kunnen inbedden.

Ik heb een label gebruikt voor de dingen die ik hier heb genoemd: “kennisactivisme”. In een wereld waarin kennis tegelijk ruimer beschikbaar is dan ooit, en tegelijk exclusiever en elitairer dan ooit tevoren, is kennis een slagveld en moeten degenen die er professioneel bij betrokken zijn zich daarvan bewust zijn. Voor mijzelf sprekend: een neutrale houding ten opzichte van kennis is onmogelijk, want het zou kennis slap, machteloos, van weinig betekenis maken in de ogen van degenen die eraan worden blootgesteld. Daarom hebben we een activistische houding nodig, een waarin de strijd om kennis door macht wordt gevoerd, waarbij kennis wordt geactiveerd als een belangrijk instrument voor de bevrijding van mensen, en als een centraal instrument ter ondersteuning van elke poging om tot een een rechtvaardiger en eerlijker samenleving te komen. Ik ben inderdaad een kennisprofessional geweest. Maar begrijpen wat ik als professional heb gedaan, is gemakkelijker als je het activisme beseft dat het, althans voor mij, de moeite waard maakte om een ​​professional te zijn.


Ik stop hier. Ik heb vier dingen besproken die ik belangrijk vond, terugkijkend op een carrière als academicus die begon in 1988 en op het punt staat te eindigen. Zoals gezegd, moet je dit overzicht van belangrijke principes niet lezen als de autobiografie van een heilige. Ik was evident niet perfect, maakte veel fouten, was onrechtvaardig tegenover mensen, heb beoordelingsfouten gemaakt, me overgegeven aan een cultuur van academisch sterrendom en overprestaties die ik vanaf het begin had moeten identificeren als oppervlakkig en irrelevant. Ik was soms onmogelijk om mee te werken, chagrijnig en onaangenaam op nog meer momenten, enzovoort. Ik ben een gewoon mens. Maar ik geloof wel dat ik kan zeggen dat ik echt mijn best heb gedaan om het professionele deel van mijn leven te organiseren volgens de vier hier besproken principes, en dat de poging, bescheiden als ze was, dat deel van mijn leven waardevol voor mij heeft gemaakt. De voldoening die ik daaruit haal, is voldoende om dat deel van mijn leven zonder wroeging te beëindigen, en zonder het gevoel iets te hebben gemist of door anderen te zijn tekort gedaan. Ik stop hier graag.

Vertaling: Marc van Oostendorp; het Engelstalige origineel staat op het eigen blog van Blommaert.
Afbeelding: UWC