Wat mogelijk is, is voor dwazen

ellebogen

Door Marie-José Klaver

Ik had een lerares Nederlands, Aukje van Wissen, die voorlas. Drie verhalen hebben een onvergetelijke indruk op me gemaakt: ‘Brommer op zee’ van J.M.A. Biesheuvel, De ondergang van de familie Boslowits van Gerard Reve en ‘Bladzijde uit het dagboek van een arts’ van Belcampo. Ik heb ze vele malen herlezen en las ook het andere werk van de schrijvers.

Belcampo’s korte verhaal, dat in zijn debuut Verhalen (1934) staat, gaat over een man die zijn eigen lichaam opeet. Hij is verslaafd aan zijn eigen vlees en betreurt het dat hij geen kunsthoofd heeft, waarmee hij zijn eigen hoofd kan verorberen. Hij weet dat het opeten van zijn hoofd altijd onmogelijk zal blijven. Wat niet onmogelijk is, is het opeten van zijn laatste arm. Hij heeft daar wel hulp bij nodig. Daarom meldt hij zich bij een oude vriend die arts is. Na zijn laatste maaltijd wil hij sterven. Zijn vriend helpt hem beide wensen te vervullen.

Onlangs las ik het korte verhaal ‘De ongebeten elleboog’ (1927) van de Russisch-Pools-Oekraïense absurdistische schrijver Sigizmoend Krzjizjanovski (1887-1950). (De auteur wordt in het Nederlands ook Sigizmund Krzizjanovski of Kržižanovskij genoemd, in het Engels Sigizmund Krzhizhanovsky en in het Duits Sigismund Krschischanowski.) De overeenkomsten tussen ‘De ongebeten elleboog’ en ‘Bladzijde uit het dagboek van een arts’ zouden kunnen doen vermoeden dat Belcampo (1902-1990) Krzjizjanovski’s verhaal kende. Beide schrijvers hebben in ieder geval met elkaar gemeen dat ze vaak worden vergeleken met Edgar Allan Poe, Franz Kafka en E.T.A. Hoffmann.

‘De ongebeten elleboog’ behoort tot de weinige verhalen van de Rus, die jurist en filoloog was, die tijdens zijn leven zijn gepubliceerd. Krzjizjanovski stond bekend als ‘de bekendste onbekende schrijver’. Zijn werk paste niet binnen het socialistisch realisme van de Sovjet- Unie en het bevatte impliciete kritiek op de overheid. De overgrote meerderheid van Krzjizjanovski’s teksten kwam niet verder dan het bureau van de censor, aldus zijn vertaalsters Annelies de hertogh en Els de Roon Hertoge.

Krzjizjanovski’s elf pagina’s tellende verhaal, dat in 1939 in een literair tijdschrift verscheen, gaat over een man die als grootste wens heeft op zijn elleboog bijten. Hij wordt geïnterviewd door een verslaggever van de Weekrevue. Het blad is het verhaal op het spoor gekomen door antwoordformulier nummer 11111. Op dit formulier, een reactie op een enquête van het tijdschrift over de lievelingsschrijvers van lezers, hun salaris en hun doel in het leven, had iemand bij inkomen ‘0’ en bij doel in het leven ‘In mijn elleboog bijten’ ingevuld. Het tijdschrift stuurt een verslaggever op de man af.

De journalist zegt tegen de man: ‘Hoort u eens, dat elleboogbijten: ik vind het prima, maar u weet toch wel dat het onmogelijk is? Dat is nog nooit iemand gelukt, het is iedere keer op niets uitgedraaid. Hebt u daar wel over nagedacht, vreemde man dat u bent?’

De man antwoordt: ‘El possibile esta para los tontos.’ (‘Wat mogelijk is, is voor dwazen.’)

De Maandrevue pikt het verhaal op en er volgt een polemiek die maanden duurt en door honderdduizenden abonnees wordt gelezen. De ‘elleboogfanaat’ krijgt een baan in het circus aangeboden, compleet met een basisinkomen en alle tijd om te trainen. Als een hoogleraar filosofie met de naam Kint een verhandeling over de strijd tussen man en elleboog schrijft, ontstaat er een beweging van ‘ellebogisten’ die uitgroeit tot een massabeweging (inclusief merchandising; de ‘zogenaamde “ellejasjes” met flapjes die men open kon knopen zodat men zich op ieder gewenst moment zonder de jas uit te trekken kon wijden aan de jacht op de eigen elleboog’ vinden gretig aftrek) die ten slotte ook de aandelenbeurs in haar greep houdt.

Enkele elementen uit ‘De ongebeten elleboog’ die ook in ‘Bladzijde uit het dagboek van een arts’ voorkomen zijn: het verlangen naar het vervullen van een wens, de arm, groei, de afhankelijkheid van anderen en de zelfvernietiging. In Krzjizjanovski’s verhaal treft de verslaggever een man met een bloederige, aangebeten arm aan. In zijn pogingen zijn levensdoel op zijn elleboog te bijten te verwerkelijken beschadigt de man met zijn tanden zijn arm. Belcampo’s personage uit als wens zijn laatste arm op te eten. Zijn andere ledematen heeft hij al zonder hulp kunnen consumeren. In zijn circusact gaat de elleboogman in gevecht met zijn lichaam om maar op zijn elleboog te kunnen bijten. Het gevolg van zijn verbetenheid is dat zijn lichaam steeds gehavender raakt.

In het Nederlandse verhaal heeft de autokannibaal geen moeite met hulp. Hij wendt zich tot zijn oude vriend met het doel dat die zijn laatste arm amputeert. De Russische elleboogbijter wijst hulp juist af. Hij wil niet op andermans elleboog bijten.

De ruimte tussen elleboog en mond begint op een gegeven moment te groeien. Dat is een teken van verlies. ‘De elleboogbijter leek met zijn tanden terrein te verliezen aan de zegevierende elleboog.’ Krimp is het streven. De man die zijn laatste arm wil opeten, wil juist groei. Hij heeft geprobeerd om zijn eigen lichaam te vermenigvuldigen door kunstmatig elefantiase op te lopen en door op zijn lichaam bedden van wild vlees te kweken. Dat lukt hem net zo min als het de elleboogman lukt de kloof tussen mond en scharniergewricht te verkleinen.

In een ultieme poging zijn elleboog toch te raken rijt de elleboogbijter zijn lichaam aan flarden. Als hij zijn slagaderen raakt, is het gedaan met de man. De autokannibaal komt vreedzamer aan zijn eind. Hem wordt euthanasie verleend door de bevriende arts. Maar zijn autokannibalisme en de daaruit voortvloeiende doodswens zijn vanzelfsprekend ook een vorm van zelfvernietiging.

Natuurlijk bestaan er ook grote verschillen tussen de verhalen van Krzjizjanovski en Belcampo. ‘De ongebeten elleboog’ is volkomen absurdistisch en heeft een (nauwelijks verhulde) politieke boodschap. Alles in het verhaal slaat op hol en de gelijkenissen met het moorddadige en totalitaire stalinistische regime dat in de Sovjet-Unie heerst in de tijd dat Krzizjanovski schreef, zijn legio. ‘Bladzijde uit het dagboek van een arts’ komt vooral surrealistisch over; van politieke kritiek is geen sprake. In Belcampo’s verhaal is sprake van rust, beheersing en een happy end. Bij Krzjizjanovski voeren geweld en massahysterie de boventoon. De bloederige dood van de elleboogman is ook nog niet het einde van het verhaal. Er volgt nog een allegorie over het Sprookje en de Geschiedenis.

Dat Belcampo ‘De ongebeten elleboog’ heeft gelezen voordat hij ‘Bladzijde uit het dagboek van een arts’ schreef, is onwaarschijnlijk. Krzjizjanovski schreef zijn verhaal in 1927, las het waarschijnlijk aan vrienden en in theaters voor en kon het in 1939 publiceren. Voor zover ik weet zijn er tussen 1927 en 1934 geen Duitse, Franse, Engelse of Nederlandse vertalingen van ‘De ongebeten elleboog’ verschenen. Pas na 1976 kwamen de manuscripten van Krzizjanovski weer tevoorschijn. Zijn vriendin Anna Bovsjek had ze in haar kledingkast bewaard. In 1988 publiceert dichter en literatuurwetenschapper Vadim Perelmuter het eerste verhaal van Krzizjanovski. Tussen 2001 en 2013 verschenen dankzij Perelmuter Krzjizjanovski’s Verzamelde Werken in zes delen in het Russisch.

Er is nog een andere mogelijke verklaring voor de overeenkomsten tussen beide verhalen. Het kan zo zijn dat Krzjizjanovski en Belcampo zich op dezelfde bron baseren, bijvoorbeeld werk van een andere schrijver, een wetenschappelijk artikel of een case study over iemand die zichzelf wilde opeten, zelfkannibalisme of zelfmoord als seksuele afwijking.

Het meest in aanmerking als gemeenschappelijke literaire bron komt mijns inziens Ein Hungerkünstler (1922) van Franz Kafka. In deze novelle staat een man centraal die zichzelf doelbewust uithongert. Er is veel belangstelling voor zijn optreden. De hongerkunstenaar zit in een kooi met tralies en laat zich graag bekijken. Het niet-eten gaat hem goed af. Op een gegeven moment raakt hij uit de mode en verdwijnt in zijn kooi tussen de dieren van het circus. Vlak voordat hij sterft, vertelt hij dat het hongeren hem gemakkelijk afging omdat hij het gerecht dat hij lekker vond nooit heeft gevonden.

Ook de elleboogbijter zit in zijn circustijd in een kooi, een glazen kooi, waarlangs ‘duizendkoppige rijen zich bewogen’. Tijdens het hoogtepunt van hun roem worden de elleboogman en de hongerkunstenaar dag en nacht omringd door bewakers. Beiden raken op een gegeven moment in vergetelheid omdat de tijden veranderen en het publiek andere interesses krijgt en beiden sterven aan hun bijzondere preoccupatie.

Als arts wist Belcampo hoogstwaarschijnlijk dat het lichaam bij gebrek aan voeding inteert op spieren en vet. Het lichaam eet zichzelf als het ware op. Dat gegeven kan hem geïnspireerd hebben tot het schrijven van ‘Bladzijde uit het dagboek van een arts’. ‘[G]een genieting op aarde is te vergelijken met het eten van je eigen vlees’, zegt Belcampo’s autokannibaal. Ook als je je lichaam alle voedsel ontzegt, zoals Kafka’s hongerkunstenaar doet, eet je uiteindelijk je eigen vlees. Genieten van het hongeren doet de Hungerkünstler niet per se, maar hij stelt er wel eer in. Het hongeren is ook geen fanatieke strijd met zijn eigen lichaam zoals bij de elleboogeter, maar meer een activiteit die hij niet kan laten. In dat opzicht lijkt Kafka’s personage op Belcampo’s man die verslaafd is aan het opeten van zijn eigen lichaam. De wetenschappelijke termen voor extreem vasten en zelfkannibalisme lijken ook op elkaar: autofagie en autosacrofagie.

Hoe nauwkeuriger de hongerkunstenaar bewaakt wordt des te liever het hem is. Bewakers die hem niet in de gaten houden en hem zelfs een kleine eetpauze gunnen, maken hem nerveus. Dan spant hij zich extra in om te bewijzen dat hij echt niet eet. Bewakers die met felle zaklampen in zijn gezicht schijnen, zijn hem het liefst. Ook de autokannibaal verlangt naar functionele nabijheid. Zoals de hongerkunstenaar de bewakers nodig heeft om zijn bestaan te bevestigen, heeft de man met één arm zijn oude vriend nodig om hem te helpen zijn laatste wensen te vervullen.

Misschien kenden alle drie de schrijvers het verhaal van Erysichthon uit de Metamorfosen van Ovidius. Alle drie hebben ze gymnasium gedaan. Erysichthon velt een eik met een omvang van ‘driemaal vijf elbogen’ uit een heilig woud en wordt met een onverzadigbare honger gestraft. Hij lijdt aan ‘brandende geeuwhonger’. Niets verzadigt hem. ‘Met gulzige beet’ eet hij uiteindelijk, lichaamsdeel na lichaamsdeel (‘zijn leden verminderend’, net als Belcampo’s personage), zijn eigen lichaam op. Er blijft niets van hem over. In de mythe van Erysichthon spelen net als in ‘De ongebeten elleboog’ de ‘vervulling van vurige wensen’, de mond, de tanden, ‘vruchteloos kauwen’, bloederige verminking en allegorische figuren een belangrijke rol.

Verminking, het afhakken van ledematen en het oplossen van lichamen komen veel voor in de Russische literatuur van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw, schrijft de Britse slaviste en literatuurwetenschapper Sarah Young in haar artikel ‘Gogol, Kharms and Krzhizhanovsky. Erasing the Gogolian Body: Narration, Dismemberment and Decapitation in Russian Literature’ (2009). Zij citeert Lilya Kaganovsky, hoogleraar slavistiek en literatuurwetenschap, die schreef: ‘Stalinist art seems to offer the blinded, limping, paralyzed, and hystericized male body as a new kind of masculinity.’

Dismemberment beperkt zich niet tot de Russische kunst. Voor Kafka waren afgehakte ledematen dagelijkse kost in zijn werk als jurist bij de Arbeidersongevallenverzekeringsmaatschappij in Praag. Kafka moest bedrijven inschalen in gevarenklassen. Hoe gevaarlijker het werk dat de arbeiders moesten verrichten, des te hoger was de afdracht aan de Arbeiter-Unfall-Versichterung. In één van zijn ambtelijke stukken over de preventie van ongelukken met houtschaafmachines uit 1909 zijn tekeningen van handen met afgehakte vingers te zien. Industriële houtschaafmachines golden als bijzonder gevaarlijk. Kafka heeft zijn kennis van de verwoestende werking van machines op het menselijk lichaam verwerkt in zijn novelle In der Strafkolonie (1919).

De Russische literatuur heeft wel het mooiste en tegelijkertijd wrangste verhaal over het afhakken van ledematen en de reductie van de mens tot niets voortgebracht: ‘Het blauwe schrift nr. 10’ van Daniil Charms (1905-1942):

Er was eens een roodharige man die geen ogen en geen oren had. Hij had ook geen haren, zodat men hem maar bij wijze van spreken roodharig noemde. Spreken kon hij niet, want hij had geen mond. Een neus had hij ook niet. Hij had zelfs geen armen en benen.  Hij had ook geen buik, hij had ook geen rug, hij had ook geen ruggengraat, hij had helemaal geen ingewanden.  Hij had niets.  Zodat het niet uit te maken is over wie het gaat. Laten we het liever niet meer over hem hebben.

Daniil Charms, ‘Het blauwe schrift nr. 10’.

Het is alsof Charms, wiens complete werk vorig jaar in een mooie Nederlandse vertaling van Yolande Bloemen bij Van Oorschot is verschenen, de verhalen van Ovidius, Kafka, Krzjizjanovski en Belcampo heeft gelezen en tot hun essentie heeft teruggebracht.

Foto van Wilbur P. Owen uit Applied anatomy and kinesiology (1917) / CC0

Literatuur

‘De ongebeten elleboog’ staat in de begin dit jaar uitgekomen bundel Autobiografie van een lijk en andere verhalen van Sigizmoend Krzjizjanovski (vertaald door Annelies de hertogh en Els de Roon Hertoge en verschenen bij uitgeverij Vleugels).

Een Engelse vertaling (‘The Unbitten Elbow’) is gratis te lezen bij Electric Literature.

‘Bladzijde uit het dagboek van een arts’ van Belcampo is hier te lezen.

Ein Hungerkünstler (1922) is bij Project Gutenberg te lezen.

Ovidius’ Metamorfosen, Achtste boek. Vertaald door J.J. Scheuer (1923).

Sarah Young, ‘Gogol, Kharms and Krzhizhanovsky. Erasing the Gogolian Body: Narration, Dismemberment and Decapitation in Russian Literature’ (2009).

Franz Kafka, ‘Unfallverhütungsmaßregeln bei Holzhobelmaschinen‘ (1909).

Daniil Charms, Werken. Uit het Russisch vertaald door Yolande Bloemen. Amsterdam: Van Oorschot (2019).