Vlaamse literatuur en de DBNL

Door Yves T’Sjoen

De Digitale Bibliotheek voor Nederlandse Letteren is het voor iedereen toegankelijke walhalla van de Nederlandstalige literatuur. Marita Mathijsen formuleerde haar waardering als volgt in de NRC (24 mei 2008): “de DBNL is een prachtig instituut, en we danken God op onze blote knietjes dat het bestaat, maar het is toch niet meer dan een machtig kopieerapparaat”. Wanneer studenten werkopdrachten uitvoeren, hoeven zij strikt genomen niet naar de universiteits- of plaatselijke bibliotheek. Literaire teksten, zeker canonieke werken, zijn meestal online beschikbaar. Met behulp van zoektermen kan gedigitaliseerd documentair tekstmateriaal makkelijk worden doorgenomen, secundaire bronnen staan de onderzoeker ruimhartig ter beschikking.

We danken God, of in ieder geval de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en de Erfgoedbibliotheken. Binnen- en buitenlandse studenten, vooral studenten in de neerlandistiek buitengaats met minder mogelijkheden om primaire bronnen te consulteren in leeszalen van bibliotheken, danken ook de DBNL. Toch zijn kanttekeningen te maken, hoezeer een kopieerapparaat zijn nut heeft. Boekuitgaven zijn vergankelijk, papier verduldig. Bijzondere drukken worden zorgvuldig bewaard in speciale collecties en doorgaans niet aan een publiek blootgesteld. Een digitale scan zorgt ervoor dat zo een eerste druk of dat unieke exemplaar toch beschikbaar is voor wie belang stelt. Het is zoals Marita Mathijsen schrijft de doelstelling van de DBNL: het beschikbaar stellen van literatuur. Zij wijst in het citaat tegelijk op een tekort: primaire teksten zijn dan wel raadpleegbaar, voor oudere teksten heeft de gebruiker nood aan annotaties en hertalingen. Teksten moeten worden gelezen en begrepen, aldus Mathijsen. Het is niet de opdracht van de DBNL zelf bij te dragen tot geannoteerde tekstedities. Onderzoeksinstituten, zoals Huygens ING, bieden faciliteiten en beschikken over de nodige editiewetenschappelijke expertise voor de verantwoorde tekstbezorging. Universitaire onderzoekers buigen zich over teksten die worden geëditeerd en toegelicht. Vervolgens kan de DBNL het product van drukvergelijkend en tekstgenetisch onderzoek toevoegen aan het digitale bronnenplatform.

Hier knelt het schoentje: de beperking van een “machtig kopieerapparaat”. Wanneer van literaire teksten wetenschappelijk onderbouwde leesedities beschikbaar zijn, met correcties van zetfouten in geautoriseerde drukken of ingrepen in tekstcorrupties die zich in de loop der jaren en van herdrukken opstapelen, kun je veronderstellen dat de DBNL de online aangereikte digitale bronnen vervangt en gebruikers in binnen- en buitenland de voorhanden tekstkritische weergave aanbiedt. We hebben al eerder gewezen op dit manco.

Een voorbeeld. Hoewel de wetenschappelijk betrouwbare leeseditie met Hugues C. Pernaths gedichten al vijftien jaar geleden is uitgegeven, in het fonds van Lannoo en Atlas, presenteert de DBNL nog steeds teksten uit drukken die op het ogenblik van digitalisering klaarblijkelijk binnen handbereik waren. Wanneer onderzoekers Pernaths poëzie citeren, gebeurt het zelden op basis van de leesuitgave van 2005.

In diezelfde reeks zijn edities verschenen met dichtwerk van Ben Cami, Jos de Haes en Paul Snoek. Geen spoor te bekennen in de digitale bibliotheek. In het academisch landschap is sinds jaren de onderzoeksgroep Teksteditie Literatuur in Vlaanderen (Universiteit Gent) actief die leesedities bezorgt en een deel van het Vlaamse literaire erfgoed in fraai verzorgde en goedkope uitgaven beschikbaar stelt.

Momenteel beheert TLiV drie literaire reeksen. Experimentele literatuur in Vlaanderen omvat tekstkritische leesuitgaven, in het verlengde van de vermelde tekstuitgaven, met gedichten van Albert Bontridder, Paul de Vree, Gust Gils (twee delen), Hugues C. Pernath & Paul Snoek, Nic van Bruggen (twee delen), Remy C. van de Kerckhove, Marcel van Maele en Marcel Wauters (uitgegeven door Academic & Scientific Publishers, sinds 2016 W∞lf). TLiV bezorgt daarnaast Literatuur in Vlaanderen, met proza en poëzie van de eerste helft van de twintigste eeuw in Vlaanderen (uitgegeven door LannooCampus, sinds 2016 Academia Press), met onder anderen Daan Boens, Raymond Brulez, Victor Brunclair, Cyriel Buysse, René de Clercq, Wies Moens, Firmin van Hecke, Joris Vriamont. Eind dit jaar verschijnt een deel Maurice Roelants (Komen en gaan & ‘De jazzspeler’) en in 2021 Herman Teirlincks Het ivoren aapje. Ook de Cyriel Buyssebibliotheek staat onder de editorische auspiciën van het Gentse onderzoeksinstituut, met Tragedie en andere vroege verhalen (2016), Mea culpa (2018), ‘Lente’ en Uit de bron (2019) en eind dit jaar Het leven van Rozeke van Dalen. Het Cyriel Buyssegenootschap belicht op die manier verschillende facetten van Buysses schrijverschap. Deze reeksen, aangevuld met gelegenheidsedities zoals Streuvels’ Het leven en de dood in den ast (2016), presenteren leesteksten voor een hedendaags publiek, telkens voorzien van een becommentariërend nawoord (met uitzondering van de delen in de Buyssebibliotheek). Geen variantenstudie of annotaties en bibliografische apparaten: die zijn gericht op een gespecialiseerd (academisch) publiek. Er is geopteerd voor fraai vormgegeven teksten waarin zetfouten en andere gebreken zijn weggepoetst op basis van bibliografisch-drukvergelijkend onderzoek.

Gezien de omvangrijke bibliografische lijst, met intussen tientallen teksten uit de twintigste-eeuwse Vlaamse literatuur, is het bizar dat op de DBNL – indien van deze auteurs teksten beschikbaar worden gesteld – nog steeds corrupte tekstversies staan. Aan de universiteiten wordt wel degelijk editiewetenschappelijk onderzoek verricht, maar de resultaten daarvan worden niet of te weinig opgemerkt door de KB Den Haag, de Erfgoedbibliotheken en literatuurwetenschappelijke navorsers. Het vergt nochtans kleine moeite, gezien de kracht van het kopieerapparaat, nadat de commerciële boekenuitgaven in de markt zijn gezet, teksten te digitaliseren. Het is alleen zaak contact op te nemen met de uitgeverij en de tekstediteurs. Een deel van het Vlaamse literaire erfgoed kan op eenvoudige wijze beschikbaar worden gesteld.

Kortom, niet alleen met hertalingen komt de DBNL tegemoet aan de leesbaarheid van (historische) bronnen. Ook wat de moderne literatuur betreft kan het beter, door bijvoorbeeld met universitaire instituten en onderzoekers nauwer samen te werken. In dat geval hoeven we geen kritische aantekeningen meer te maken bij werkstukken van studenten die zijn gebaseerd op tekstkritisch onzorgvuldige bronnen. Een eenvoudige verwijzing naar de DBNL kan dan volstaan. Nu schiet die helaas tekort.   

Afbeelding: graf van Cyriel Buysse, Paul Bastiaansen, Wikimedia