‘Vioolspelen’ en/of ‘viool spelen’?

Door Henk Wolf

In een interessant stuk hier op Neerlandistiek.nl stelde Gillan Wyngaards laatst de volgende vraag:

  • “Hoe moet een vijftienjarige leerling nou weten waarom gitaar spelen een woordgroep is en vioolspelen een samenstelling?”

Dat is een vraag waarin drie heel verschillende problemen bij elkaar komen. Ik zet ze even op een rijtje:

1. Het eerste probleem lijkt het ingewikkeldst, maar het is het eenvoudigst: kan een vijftienjarige leerling beredeneren of iets een groepje woorden dan wel één enkel werkwoord is. Het antwoord op die vraag is ja: ons taalgevoel behandelt woordgroepen en losse werkwoorden verschillend. Die onbewuste kennis is vrij eenvoudig bewust te maken. Een illustratie:

  • Jan zegt dat hij de kamer wil gaan stofzuigen.

Dat stofzuigen hier in het rijtje werkwoorden achteraan de bijzin kan staan, laat zien dat het één werkwoord is, althans voor sprekers uit Nederland. Die clusteren alle werkwoorden aan het zinseinde zonder dat er andere woordsoorten tussen mogen staan.

Dat stofzuigen als één woord in het hoofd van Nederlandstaligen zit, wil natuurlijk niet zeggen dat ze daarnaast niet ook een zin kunnen bouwen met zuigen als hoofdwerkwoord en het woord stof stof als lijdend voorwerp.

Een leerling met het (Nederlandse) Nederlands als moedertaal kan z’n taalgevoel inschakelen om te bepalen wat de woord- dan wel woordgroepstatus van gitaarspelen en vioolspelen is door na te gaan of ie de volgende zinnen acceptabel vindt:

  • Jan zegt dat hij wil gaan gitaar spelen.
  • Jan zegt dat hij wil gaan viool spelen.

Komt daaruit dat ie de eerste zin raar vindt klinken en de tweede normaal, dan is de aanname in de Facebookvraag juist.

2. Dan het tweede probleem: wat betekent het taalgevoel van de leerling voor de officiële spelling? Dat is de vraag die achter de gestelde vraag lag: immers regel 6.B van de officiële spelling schrijft voor dat woordgroepen los (dus met spaties) worden geschreven en regel 6.C schrijft voor dat samenstellingen aaneen (dus zonder spaties) worden geschreven.

Wie op woordenlijst.org (zeg maar het Groene Boekje online) vioolspelen opzoekt, ziet dat dat woord in de officiële woordenlijst staat. Dan is het dus correct volgens de officiële spelling. Er staat als toelichting bij dat het “los schrijven van de combinatie” niet per se fout is. Elke leerling kan dus kiezen tussen de schrijfwijzen viool spelen en vioolspelen.

Nou staan pianospelen en vioolspelen in de officiële woordenlijst, maar gitaarspelen (als werkwoord) niet. Wil dat dan zeggen dat een leerling voor wie de onderstaande zin goed klinkt, toch geen gitaarspelen mag schrijven?

  • Jan zegt dat hij wil gaan gitaarspelen.

Nee, ook niet, want in de inleiding bij de Leidraad staat: “[…] het ontbreken van een woord betekent geen afkeuring.”

De Leidraad schept met paragraaf 6.8 nogal wat verwarring: daarin wordt gezegd:

“Er is geen scherpe grens te trekken tussen wat een woordgroep is en wat een samenstelling is. […] Vaak zal de taalgebruiker moeten opzoeken of een bepaalde combinatie in een of in meer woorden geschreven wordt.”

Dat opzoeken leidt alleen nooit tot eenduidige antwoorden.

Voor de keuze tussen de schrijfwijzen gitaarspelen en gitaar spelen is de officiële spellingsregeling dan ook gruwelijk onduidelijk. Enerzijds verwijst ze naar een taalkundig onderscheid, anderzins verwijst ze naar de Woordenlijst, maar daaruit kan nooit worden afgeleid dat een schrijfwijze onjuist is.

3. Het derde probleem is van didactische aard: hoe leg je aan jonge leerlingen uit of ze nou wel of niet een spatie moeten schrijven? Didactiseringsvraagstukken zijn al complex bij duidelijke regelingen, maar bij de keuze tussen gitaarspelen en gitaar spelen moet de docent of methodemaker uitgaan van een nogal onduidelijk geformuleerde spellingsregeling.

En daarmee komen we op een feit dat veel leraren en leerlingen volgens mij onbekend is, namelijk dat de spellingregeling ambigu is. Ze is niet “moeilijk”, zoals de leerlingen die Wyngaards citeert, zeggen. Als iets alleen maar moeilijk is, maar wel systematisch, dan is het voor slimme mensen leerbaar. Als iets ambigu is, is het onduidelijk, er is ook voor slimme mensen geen eenduidige conclusie te trekken.

Zo’n ambigue regeling is niet zodanig te didactiseren dat er een systeem uit komt waarmee een schrijfwijze eenduidig als goed of fout kan worden bestempeld. Als je als leraar wel zo’n systeem wilt overdragen dat een goed of een fout oplevert, dan moet je een eigen, disambiguerende regeling voor de officiële in de plaats zetten. Dat kun je op verschillende manieren doen. Je kunt als wel duidelijke regeling aanhouden dat samenstellingen zónder spatie en woordgroepen met spaties worden geschreven. Daar is interessant taalbeschouwingsonderwijs mee te verbinden, zoals ik hierboven bij probleem 1 heb laten zien.

Je kunt de slecht beregelde spellingkwestie ook een kwestie van opzoekwerk maken: wat in de Woordenlijst staat is goed, wat er niet in staat, is fout. Dat levert bij nieuwe of onbekende woorden weleens problemen op en je kunt met zo’n didactiek nooit leren spellen, omdat je alles op moet zoeken, maar het is in elk geval een duidelijke didactiek.

Je kunt dit soort marginale kwesties natuurlijk ook negeren. Daar is best wat voor te zeggen: door de onduidelijkheid is er altijd wel een reden om geen rode strepen te zetten en wat niet echt fout kan gaan, daar hoef je ook niet al te veel aandacht aan te besteden.

En je kunt de ambiguïteit omarmen: je legt de meerduidigheid uit, je ontwerpt lessen die niet draaien om goed of fout, maar om een redenatie – en je beloont goede redenaties, terwijl je leerlingen laat zien dat ze op basis van een andere redenatie ook tot een andere spelling kunnen komen. Dat is onderwijs op metaniveau, niet geschikt voor wie houdt van een duidelijk goed en fout, wel voor wie leerlingen wil bevrijden van de mythe dat er ergens een regeling is op basis waarvan je eenduidig kunt aangeven of een spelvorm goed of fout is.

Een didactische valkuil is dat de didactisering zelf ook weer bestaat uit ambigue regels, terwijl het ambigue karakter daarvan wordt genegeerd. Dat lijkt leerlingvriendelijk, er staat immers weinig tekst in de uitleg, maar de ambiguïteit komt natuurlijk in de praktijk al snel aan het licht, waardoor leerlingen bang worden voor spelling en reageren zoals Gillan Wyngaards beschrijft, namelijk met de verzuchting: “Waarom moeten ze Nederlands nou zo moeilijk maken?” Ik ben eerlijk gezegd nog geen lesmethode Nederlands tegengekomen waarvan de makers deze valkuil hebben weten te omgaan. Daarbij moet elke leraar ook nog bedenken dat het rendement van expliciete spellingslessen niet zo hoog is. Al die uitleg en al die oefeninkjes zorgen er bij veel leerlingen toch niet voor dat ze op langere termijn beter gaan schrijven. Als ze er dan ook nog voor zorgen dat leerlingen bang worden voor spelling, is het maar de vraag of het wel zo verstandig is veel tijd aan slecht beregelde kwesties te besteden. Voor veel leerlingen is het opbouwen van woordbeeld veel belangrijker: wie vaak gitaarspelen ziet, gaat zelf ook gitaarspelen schrijven. Leeservaring opbouwen is een onmisbaar onderdeel van het ontwikkelen van spellingsvaardigheden.