Top 40 van de Gouden Eeuw – 34b

Door Margot Kalse en Olga van Marion

Nederlanders zingen heel veel, niet alleen in kerken en koren, maar ook op feestjes, bij bruiloften en onder de douche. Dat doen ze al eeuwen. Wie verliefd of verlaten is zingt een popliedje, wie in nood is het Wilhelmus of een psalm, en wie een kind in slaap sust een wiegenlied. Een gouden tijd voor het Nederlandse lied is de periode van de late zestiende en de zeventiende eeuw, wanneer al die liedjes verzameld in liedbundeltjes op de markt komen, geschikt voor jong en oud. Muzieknotatie is niet nodig, want de boekjes bevatten contrafacten: teksten van liedjes met aanduiding van de bekende melodie waarop ze gezongen kunnen worden.
Voor de Top 40 van de Gouden Eeuw hebben we de veertig populairste melodieën uit de Nederlandse Liederenbank geselecteerd, die destijds in het Nederlandse taalgebied het meest gebruikt zijn. Bij deze melodieën hebben we mooie, ontroerende en verrassende liedteksten uit die tijd gezocht om Nederlandstaligen van nu in staat te stellen kennis te maken met de rijkdom van dit cultureel erfgoed. Iedereen kan nu met behulp van de muzieknotatie of de midi-files de liedjes leren zingen. Van tijd tot tijd zullen we een exemplaar uit de Top 40 publiceren, tot we bij de allerpopulairste melodie op nummer 1 zijn.
In het boekje waarin alle liedjes verschijnen, willen we uw commentaar graag verwerken.

Het viel eens hemels douwe
(Antwerps Liedboek)

Deze versie van de melodie ‘Het viel een hemelse dauw’ komt uit de Souterliedekens (1540), een belangrijke bron voor melodieën van de late zestiende en zeventiende eeuw. Souterliedekens zijn psalmberijmingen in het Nederlands, geschreven op bekende en populaire melodieën van die tijd. Deze versie heeft in tegenstelling tot 34a wel ritme en loopjes en is daarmee een stuk speelser. De wereldlijke tekst uit het Antwerps liedboek is een meiliedje, waarin twee minnaars elkaar de liefde verklaren. De jongen hangt een groene tak (van een den of andere boom) voor of op het huis van zijn uitverkorene, die geldt als een regelrechte liefdesverklaring. Tegen het ochtendgloren worden de twee gewaarschuwd door de stadswacht om hun heimelijke liefdesnacht te beëindigen.

Een oudt liedeken

3. Ic wil den mey gaen houwen
voor mijns liefs veynsterkijn
Ende scencken mijn lief trouwe,
die alder liefste mijn.
Ende segghen: ‘lief wilt comen
voor u cleyn vensterken staen,
ontfaet den mey met bloemen
Hi is so schoone ghedaen.’

4. ‘T meysken si was beraden,
si liet haer lief in
Heymelic al stille
In een cleyn camerken,
daer lagen si twee verborghen
Een corte wijle ende niet lanc;
die wachter opter mueren
Hief op een liet, hi sanck:

5. ‘Och isser yemant inne,
die schaf hem balde van daen.
Ic sie den dach op dringhen
Al in dat oosten op gaen.
Nu schaft u balde van henen
Tot op een ander tijt;
den tijt sal noch wel keeren
Dat ghi sult zijn verblijt.’

6. ‘Swighet, wachter, stille
Ende laet u singhen staen;
daer is so schoonen vrouwe
In mijnen armen bevaen.
Si heeft mijn herte genesen,
Twelc was so seer doorwont.
Och wachter goet gepresen
En makes niemant condt.’

7. ‘Ic sie den dach op dringhen;
Tscheyden moet ymmer zijn.
Ic moet mijn dageliet singen,
Wacht u edel ruyter fijn,
Ende maect u rasch van henen
Tot op een ander tijt;
den tijt sal noch wel comen.
dat ghi sult zijn verblijt.’

des meys virtuytde kracht van de maand mei
looverkensblaadjes
den meyde meitak, symbool van de liefde
beradengenegen
die schaf hem balde van daendie maakt dat ’ie snel wegkomt
makesmaak het
condtbekend
ymmer zijnso wie so gebeuren

Tekst uit: Een schoon Liedekens-Boeck (Antwerpen: Jan Roulans, 1544), fol. 43v. https://www.dbnl.org/arch/_ant001antw06_01/pag/_ant001antw06_01.pdf (pdf p. 44)
Melodie uit: Souter liedekens Ghemaect ter eeren Gods, op alle die Psalmen van David: tot stichtinge en een gheestelijcke vermakinghe van allen Christenmenschen (Antwerpen, Symon Cock 1540), Psalmus Liiij, fol. Hiiiv. https://books.google.nl/books?id=19lNAAAAcAAJ (pdf p. 133)