Stille omgang

Vézelay van Guillaume van der Graft

Door Peter J.I. Flaton 

Voorbije week zijn de persoon en het werk van resp. Willem Barnard en Guillaume van der Graft ruim in het nieuws geweest vanwege het feit, dat hij 100 jaren geleden op 15 augustus (dat is: de feestdag van Maria Hemelvaart) geboren werd. 

Ook Neerlandistiek besteedde daar enige aandacht aan: in de vorm van een foto-met-artikel van Wiel Kusters. Het viel me daarbij op, dat het accent, zeker in het dagblad Trouw, vooral lag op Van der Grafts bijdragen aan het Liedboek voor de kerken en op de predikant-zoeker Barnard die almaar meer afstand nam van zijn hervormde kerk en via de anglicaanse traditie (waarover zijn zoon Benno trouwens weet mee te spreken) zijn heil (ik gebruik dit woord met opzet) vond in de in ons land kleine gemeenschap van de Oud-Katholieken die een vrijzinnige theologie paart aan een ‘traditionele’, zo men wil prevaticanum II-liturgie. Blijkbaar kwam voor hem in die context de stille omgang met het mysterie waar niet zozeer het dogma telt maar vooral de ‘lectio divina’ van de Schrift het beste tot zijn recht. 

Getuigenis daarvan is het in 1993 verschenen vuistdikke (maar liefst 1226 pagina’s) Stille omgang. Notities in het dagelijks verkeer met de Schriften. Onder het motto ‘Divinity dwells under seal’ (ontleend aan Emily Dickinson) biedt het bij wijze van brevier, een ‘lectio divina’ met haar vierslag van ‘lectio’, ‘meditatio’, ‘oratio’ en ‘contemplatio’ waarvan de ‘ruminatio’ een belangrijk facet is: het herkauwen van de tekst om de betekenis ervan nader te komen en wat verborgen is, al is het maar enigszins, te proeven. 

Het boek bestaat uit een reeks overwegingen bij bijbelpassages, een per dag, gerangschikt naar de gang van het kerkelijk jaar die Barnard (niet geheel conform van traditie van de romana) op Aswoensdag laat beginnen en afsluit op de zaterdag na de vierde zondag van Epifanie waarmee de cirkel rond en de ‘lectio’ kan herbeginnen. Van om zo te zeggen het ‘Bedenk mens dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren’  tot en met het aanschouwen van het heil dat ons als een Licht uit het oosten verschijnt. 

Veelzeggend is, dat op het omslag van dit boek een foto is afgedrukt van een kapiteel op een van de pijlers in het middenschip van de basiliek Sainte-Marie-Madeleine in het stadje Vézelay, een van de voor Bourgondië zo typerende romaanse kerkjes en kerken die elk jaar weer talloze toeristen en pelgrims weten te trekken. Bourgondië is met recht een romaanse archipel (ik noem hier nog de abdij van Fontenay) waar men niet uitgekeken raakt en waar men trouwens ook spiritueel terecht kan in de Abbaye Sainte Marie de la Pierre-qui-vire (waar tot voor kort de uitgeverij van de befaamde Zodiacreeks gevestigd was die beoogde alle romaanse kerken in West- en Zuid-Europa in woord-en-beeld te publiceren) en/of in Taizé. 

Dat kapiteel verbeeldt de ‘moulin mystique’: we zien Mozes graan (het symbool van het Oude Testament) in een molen gieten waarna Paulus het meel (het zinnebeeld van het Nieuwe) opvangt; de molen, aangedreven door een wiel met een kruis erin, stelt Christus voor. De gedachte is hier, dat Christus de middelaar is tussen het jodendom en het christendom. 

Dat Barnard uitgerekend een kapiteel uit de Vézelaybasiliek tot beeld van zijn Stille omgang koos, suggereert dat dat voor hem een speciale betekenis had, een die bovendien de strekking van zijn boek vermocht te visualiseren. Dichterlijk getuigenis ervan is het gedicht dat hij eraan wijdde. Het luidt aldus: 

VÉZELAY

Wat ik nog weet van Vézelay
        ik was er veertien jaar geleden, 
ik sliep in een bed met koperen knoppen, 
de straat liep met slordige stenen omhoog. 

        Achter de muren woonden geuren
van hout, hooi en brood, een franse zomer, 
aan het eind van de straat als
  een hoofd op een hals,
        edele schedel, uitgewoond denkhuis, 
                  een breinschelp: 
                         de kerk. 

          Rondom: de bergen op een afstand
          met zoveel bomen op de been
langs de hellingen stromend door het dal
  als middeleeuwen vol pelgrims. 

       Ik zou daar een herfst lang moeten wonen
    als een ex libris in een boek, 
voor het raam van een kamer met koperen knoppen 
          een leesmeubel in hotel de la poste

              om de herinnering te horen
  tussen de bogen en de bomen,
        de bossen langzaam te zien verkleuren, 
          de aarde uit te laten spreken
        en antwoord te geven op papier. 

Dit in een jambisch metrum geschreven gedicht (met vanzelf op de te verwachten plekken een antimetrie: ‘Wat’ in regel 1 bijvoorbeeld en ‘Achter’ in r. 5) ‘moet’ het met zijn vrije verzen poëtisch gezien van de alliteraties en enjambementen hebben. Ik wijs op de w’s en v’s in regel 1, op de k’s in r. 3, op de s’n in r. 4, op de h’s en de assonanties in r. 5 en zo voort en zo verder (ik laat het aan de lezer over deze rij in en aan te vullen). Wat me in de typografie van de tweede strofe treft, is dat die enigszins taps toeloopt als om zo de verhouding tussen het lichaam en het hoofd te visualiseren. Het ‘de kerk’ krijgt er in ieder geval een markante plek door alsof de dichter ermee wil zeggen, dat het daarom in Vézelay uiteindelijk begonnen is. Zien we inhoudelijk nu wat nader toe. 

De eerste regel kan gelezen worden als een vraag maar ook als een mededeling waarna er een enumeratie volgt die loopt vanaf regel 2 en eindigt met en in regel 15: evenzovele elementen van wat ik zich herinnert. Daarbij valt op, dat die memorie zowel het oog als de neus betreft: de ik ziet van dichtbij (zijn hotelkamer) naar veraf (‘de bergen op afstand’) en ruikt de geuren van de Franse zomer, met name het in de houtoven gebakken brood en de net gemaaide weiden rondom het stadje. Enfin, het zijn de beelden en geuren die een vakantieganger zich van Frankrijk herinnert en die zijn zomer typeren. Gezien vanuit een Nederlands perspectief tegelijk iets ouderwets, gelezen de koperen knoppen van het ongetwijfeld statige hotelkamerbed en de geuren die zo typerend zijn voor een rurale omgeving, een die in ons land allang tot het verleden behoort. Dat die herinnering teruggaat naar veertien jaar geleden, duidt op een ver verleden: de ik is bij wijze van spreken zeven vette en zeven magere jaren verder, welhaast een eeuwigheid. 

Blijkbaar behoort Vézelay tot het voorbije en dat geldt a fortiori voor zijn kerk die de ik omschrijft met drie metaforen: ‘edele schedel’ (wie weet een verwijzing naar Christus en dus naar Golgotha, dat immers ‘schedelplaats’ betekent), ‘uitgewoond denkhuis’ en ‘breinschelp’. De nadruk ligt zo te zien op het cerebrale: alsof de dichter ermee zeggen wil, dat dat zijn tijd gehad heeft. 

Er is door de monniken die de kerk beheerden (benedictijnen onder het gezag van Cluny) heel wat afgedacht, heel wat getheologiseerd. Ja, de grandioze sculptuur in deze basiliek is op de keper beschouwd een lang theologisch betoog dat alleen ingewijden kunnen lezen maar dat ‘denkhuis’ is ‘uitgewoond’ en is zo een leegte geworden. Wat rest, is de kerk als schelp: een omhulsel zonder inhoud. 

Hoe eerbiedwaardig ook (het adjectief ‘edele’ wijst daarop), de kerk is passé: ‘voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’. 

In strofe 3 verwijdt zich het panorama tot de omgeving met de bergen op afstand (die van de Morvan in de verte) en de bomen in het dal dat Vézelay omringt. Omdat die vanaf de hoogte het dal in dalen, kan de ik ze vergelijken met lopers die naar beneden komen om vandaaruit de top van het stadje met zijn kerk te bereiken. Pelgrims zijn ze, op weg naar de relieken in de basiliek -die van Maria Magdalena- om die eer te brengen. Maar ook die tijd (die van de middeleeuwen) is voorbij en i.p.v. pelgrims zien we het dal ‘bevolkt’ door bomen die er in de verte wel aan doen denken maar nu niet meer zijn dan wat ze zijn: bomen. 

Zo evoceren de strofen 1-3 herinneringen van de ik aan een voorgoed voorbije tijd. Die was er een van theologisch denkwerk en van simpel volksgeloof, de voor de romana zo typerende geloofsattitude waarmee protestanten maar moeilijk raad weten. 

Vanaf strofe vier vraagt de ik zich met zoveel woorden af, of die herinnering eraan werkelijk voorgoed verloren is gegaan of dat we er -bij wijze van ‘À la recherche du temps perdu’-  nog iets van op het spoor kunnen komen want alleen al de herinnering aan een rijk spiritueel leven kan een bron van inspiratie voor het heden zijn. Dat vraagt om een stille omgang en die schetst de dichter in de strofen 4 en 5. 

Een vluchtig toeristenbezoek volstaat niet, wel een verblijf van een herfst lang, in dus een periode waarin het bestaan op zijn einde loopt en uitnodigt tot bezinning omtrent leven-en-dood. Dat vraagt vooral om stilte (een belangrijk motief in Van der Grafts poëzie, aldus M.E. Brinkman in zijn essay “Guillaume van der Graft. ‘Gij zijt niet te beschreeuwen, geen tongval bereikt uw overzij”, in: Dicht bij het onuitsprekelijke. Veertien dichters over het onzegbare, Utrecht, 2018, 51-57). 

Die is die van een ‘ex libris in een boek’: onzichtbaar en onhoorbaar voor iedereen, weggesloten voor nieuwsgierigen en zo aan zichzelf gelijk, passend ook in een omgeving met een ouderwets bed en een plek om te lezen in ‘hotel de la poste’ zoals Franse hotels ‘ergens’ op het platteland behoren te heten. 

Dat ‘poste’ wijst trouwens op communicatie, alsof de ik ermee wil zeggen, dat je alleen vanuit zo’n afgelegen en obsoleet oord contact kunt krijgen met wat er echt toe doet. 

Doel van dit zelfgekozen isolement, deze belijdenis van de stilte, is naar de herinnering te luisteren, de zijne en die van zovele eeuwen her, hoorbaar tussen de bomen in het dal (waar ooit de pelgrims hun weg zochten) en in de bogen van de kerk (waar de monniken lang geleden het koorgebed zongen) en zichtbaar in de herfstkleuren die het verleden net daardoor visualiseren. Als dat voorbije zich zo geeft te kennen, komt de aarde tot spreken en meer dan dat: door er het zwijgen toe te doen, kan zij zich uitspreken, d.w.z. wat zij te zeggen heeft helemaal openbaren. 

Veel ja alles zeggend is de regel wit: pas als we echt luisteren en de aarde laten uitspreken, zijn we in staat daarop te antwoorden. Het gedicht Vézelay is er op zijn wijze de expressie van: een antwoord op wat het verleden ons te zeggen heeft en die zin een toetssteen van de religieuze dimensie ervan. Wie weet, is er in die breinschelp nog iets wat van waarde is te vinden. 

Foto: Basilique de Vézelay, le chapiteau du moulin mystique; David89, Wikimedia