Niet praten, maar fietsen

Door Marc van Oostendorp

Ineens is het rode vilten vierkantje een symbool. Een paar jaar geleden had men je op de universiteit vreemd aangekeken als je zo’n ding op je blouse had gespeld, maar inmiddels weet iedereen wat het betekent: je maakt je zorgen om de universiteit, om de enorme druk die er op het werk staat, je wil dat er wat gebeurt. Je hebt je aangesloten bij WO in Actie.

Dankzij WO in Actie weet men ook op het ministerie dat die zorgen zijn – en maakt men zich daar tenminste een beetje zorgen om. Het verhaal gaat dat de minister vorig jaar zo graag met de initiatiefnemers wilde spreken, dat ze zelfs aanbood om tussen de middag naar het kantoor van één van hen te komen toen ze zeiden dat ze zo overvol zaten met afspraken met studenten dat ze geen tijd hadden om naar Den Haag te komen.

Het succes van die actiegroep is vrijwel geheel te danken aan een driemanschap: Rens Bod van de UvA, Remco Breuker uit Leiden en Ingrid Robeyns van de Universiteit Utrecht. Die drie zijn academische helden van deze tijd, zo’n beetje de laatste intellectuelen aan de Nederlandse universiteit – mensen die zich nog om iets anders druk maken dan hun h-index en hun functioneringsgesprek, maar die iets proberen te betekenen voor de samenleving. Mensen die naar hun aard uiterst zachtmoedige studeerkamergeleerden zijn, maar die hebben gezien dat het écht niet meer kan en daarom in actie zijn gekomen.

Geldstromen

In de aanloop van komende week maandag – wanneer de universiteiten hun Academisch Jaar weer plechtig zullen openen – publiceerden de drie een boekje met 40 stellingen over de wetenschap. Iedere stelling is voorzien van een korte, column-achtige toelichting. Op Twitter is de discussie erover al losgebarsten.

Die toevoeging ‘over de wetenschap’ is verrassend, want eigenlijk gaan de stellingen vooral over de universiteit. Weliswaar luidt stelling 5 ‘Alleen de universiteit kan een waarborg bieden voor onafhankelijk onderzoek en onderwijs’, waarmee de suggestie wordt gewekt dat we de wetenschap alleen kunnen redden door de universiteit te redden, maar de bekommernis van Bod, Breuker en Robeyns ligt duidelijk bij de structuur en de financiering van de universiteit: de roofbouw die wordt gepleegd op jonge medewerkers, de weinig democratische, ‘feodale’ structuur die er heerst, de onwenselijkheid van de onderverdeling in alfa, bèta en gamma bij de geldstromen, enzovoort. Zelfs de gewenste vorm van het promotietraject komt aan de orde.

Reëel

Er zijn mensen die WO in Actie bekritiseren om het te concrete van de eisen. Wetenschappers moeten zich met wetenschap bezighouden, zuiver en alleen met wetenschap, ze mogen zich niet bekommeren om zoiets ordinairs als arbeidsvoorwaarden, ze moeten blij zijn met de fantastische baan die ze hebben en anders moeten ze meteen een revolutie beginnen en de hele wetenschap omverwerpen. Maar als ze al een arbeidscontract of cao hebben, dient dat zich te verschuilen onder een groot aantal andere papieren en boeken over onbegrijpelijke onderwerpen. Het hele systeem moet eerst op de schop! Dan praten we weer verder over de arbeidsvoorwaarden.

Ik ben niet zo iemand.

De arbeidsproblemen, hoe ordinair ook, zijn reëel. De last waaronder in ieder geval sommige medewerkers van de universiteiten psychisch en fysiek bezwijken is reëel. De uitholling van het systeem waardoor de kwaliteit van universitaire opleidingen steeds minder gegarandeerd kan worden, is reëel. Het ontstaan van een academische kaste van onaanraakbaren die tijdelijk contract op tijdelijk contract sluiten waarin ze alleen onderwijs mogen doen terwijl voor het afsluiten van een nieuw contract geldt dat ze wel ook gepubliceerd moeten hebben, is reëel. Het is volkomen terecht dat aan al dit soort zaken stellingen gewijd zijn.

Voet aan de grond

Soms gaan Bod, Breuker en Robeyns wel erg in detail – de gedachte dat hogescholen eigenlijk ook universiteiten zijn, daar wil ik best beschaafd over debatteren, maar ik ga er niet met een rood vierkantje en gebalde vuist de straat voor op. Maar voor het grootste deel hebben ze gelijk en maken ze in hun toelichtingen verstandige analyses van problemen die hoognodig moeten worden opgelost.

Het enige bezwaar dat ik heb, is dat er weinig aandacht wordt besteed aan de vraag: wat gaan we nu concreet doen? Hoe organiseren we, in tijden van corona, het protest. Het woord vakbond komt tot mijn teleurstelling slechts één keer voor in dit boekje, in het voorbijgaan. B,B en R suggereren dan dat je je kunt aansluiten bij een vakbond of WO in Actie. Nee! Je moet je aansluiten, in ieder geval bij een vakbond – en daarnaast eventueel bij WO in Actie. De laatste club is heel belangrijk als vliegwiel en als denktank maar kan nooit de organisatorische kracht en de samenwerking met andere factoren bieden van de vakbond.

Bijna alle aangeroerde kwesties zijn typische vakbondskwesties. Individuele wetenschappers worden opgeroepen om zich uit te spreken over de problemen, en om dit zo veel mogelijk samen met studenten te doen, die net zo goed te lijden hebben onder de problemen. Maar als individuele onderzoeker kun je niet veel doen. Ook WO in Actie – geen rechtspersoon, geen kantoor – kan geen systematische ondersteuning bieden.

Solidariteit

Het gaat niet zonder de vakbonden. Zij organiseren – in samenwerking met WO in Actie – volgende week maandag een landelijk protest, de Tour of Academics. Dat is bescheiden, maar het is een stap. Het is belangrijk om zoiets in ieder geval te steunen.

Zoals het hoe dan ook belangrijk is om lid te zijn van een vakbond. Vóór corona was de situatie penibel, tijdens corona kwamen daar ineens alle problemen bij van het online-onderwijs (ik heb zelden zo weinig naar een nieuw jaar uitgezien als nu), en na corona zal er een gigantische economische crisis zijn. Het ziet er dus niet goed uit. We hoeven niet verbaasd te zijn als we over vijf jaar nostalgisch terugblikken op de werkdrukproblematiek.

Daartegen kunnen we ons maar op een manier wapenen: organisatie. Dat geldt trouwens ook op het niveau van het individu – ik zou niemand aanraden de komende periode door te maken zonder organisatie en solidariteit.

Het moet dus wat mij betreft allemaal misschien wel nóg ordinairder dan wat Bod, Breuker en Robeyns doen: na die 40 stellingen gaan we over tot actie. Niet praten, maar fietsen. Ik vermoed dat de auteurs het daar van harte mee eens zijn en hoe dan ook lijkt me dit een goed begin. Je krijgt wetenschappers al zo lastig mee, dat lukt natuurlijk nooit zonder zo’n abstracte discussie over het belang van de universiteit voor de samenleving.

Rens Bod, Remco Breuker, Ingrid Robeyns. 40 stellingen over de wetenschap. Boom, 2020. Bestelinformatie bij de uitgever.
Doe mee aan de Tour of Academics. Meld je aan bij AOB of FNV