Helaas, alweer het eindexamen Nederlands; schrijfvaardigheid

Door Paul de Jong

In mei en juni 2020 vond er op Neerlandistiek een discussie plaats over het eindexamen Nederlands. Deze discussie wekte bij mij de behoefte het probleem van het eindexamen anders te benaderen dan in de discussie het geval was. Ik beperk me hierbij tot schrijfvaardigheid.

Mijn uitgangspunt is gelegen in de campagnes van de Vlaamse en Nederlandse overheid voor publieksvriendelijke overheidscommunicatie, onder de benamingen ‘Heerlijk Helder’ en ‘Direct Duidelijk’. Ik vind het vreemd dat deze campagnes in de discussie geen plaats kregen, hoewel het hier om een groot  maatschappelijk probleem gaat. Het kan ook zijn dat ik iets gemist heb.

Waarom voeren overheden deze campagnes? Een democratie vereist dat iedereen mee kan doen. Overheidstaal mag hierin geen hindernis zijn. Toch blijken te veel burgers vast te lopen in overheidsteksten. Ze kunnen daardoor inkomsten mislopen en in de schulden komen. Ze voelen zich machteloos en buitengesloten, en slachtoffer van maatschappelijke ongelijkheid. Door hun communicatieve zwakte krijgen zij niet gedaan wat anderen wel gedaan krijgen. Ze  verliezen het vertrouwen in de overheid en worden vatbaar voor politici met anti-democratische motieven.

Niet alleen overheden, ook medische instellingen, maatschappelijke organisaties, kunstinstellingen en het bedrijfsleven blijken vaak niet in staat overzichtelijke en begrijpelijke teksten voort te brengen voor een groot publiek, van hoog opgeleid tot laag opgeleid. Bij ‘teksten’ kunnen we denken aan folders, bijsluiters, aanmaningen, berichten, mededelingen, raadsnota’s, formulieren, brieven, belastingcorrespondentie, raadsnota’s, dwangbevelen, ambtelijke correspondentie, websites, brochures, handleidingen en nieuwsbrieven.

Lastig te lezen teksten leiden tot allerlei ongewenste situaties, zoals een vertraagde reactie of helemaal geen reactie; klachtenprocedures; fouten die weer rechtgezet moeten worden; extra telefoontjes met vragen; verkeerd medicijngebruik; extra medisch handelen; irritatie bij klant en cliënt, en tijdverlies bij lezers, vrijwilligers, bestuurders en werknemers. Dit gebrek aan efficiëntie drukt zich uit in een lagere arbeidsproductiviteit, die onlosmakelijk verbonden is met onze economie en de welvaart.

Als te veel Nederlanders niet beschikken over de vaardigheid publieksvriendelijk te schrijven, moet het onderwijs zich afvragen waar het gefaald heeft, en of deze vorm van communicatie niet in het eindexamen thuis hoort. Ik wil daarom voorstellen publieksvriendelijke schrijfvaardigheid in het eindexamen op te nemen, en dit te doen binnen het CE; dit laatste vanwege de landelijke objectiviteit, de breed-maatschappelijke urgentie (iedereen heeft ermee te maken) en de daarmee verbonden status van het vak Nederlands.

Bij deze vaardigheid draait niet alles om spelling, taal en leestekens. Het gaat vooral om leesgemak, zoals Renkema dat noemt. Bij de gemeente Oss vond ik materiaal dat recht-toe-recht-aan puntsgewijs aangeeft wat de lezer hindert en wat de lezer helpt. Ook zijn bij deze gemeente voorbeelden te vinden van moeilijk leesbare ambtelijke teksten die omgezet zijn in een publieksvriendelijke versie.

Oss streeft naar taalniveau B1. Dit is het derde niveau binnen het rijtje A1, A2, B1, B2, C1 en C2, van zeer eenvoudig tot zeer ingewikkeld. Bijna elke lezer kan overweg met B1, zowel hoog opgeleid als laag opgeleid. Hoog opgeleiden vinden B1 vaak prettig, omdat ze dan sneller door de tekst kunnen gaan. Wetenschappelijk zal er ongetwijfeld enige kritiek mogelijk zijn op de taalniveaus, maar het gaat mij niet om een exact model, maar om een richting.

Mijn tweede voorstel gaat over de toetsvorm op het eindexamen. Ik zou willen pleiten voor een herschrijfopdracht. Hierbij moet de kandidaat een lastig te lezen tekst omzetten in een publieksvriendelijke tekst. De lastige tekst bevat vooral stilistische gebreken die het leesgemak verlagen. Ook de structuur valt hieronder, zoals verkeerd aangegeven of ontbrekende verbanden binnen en tussen zinnen en alinea’s. Over de tekst heen zijn enkele spel-, taal- en leestekenfouten gestrooid. Ook deze kunnen de lezer hinderen en ergeren, met verlies van overtuigingskracht.

Toets en onderwijs moeten zo nauw mogelijk op elkaar aansluiten. Vooraf dienen landelijk de kandidaten over een lijst te beschikken met alle stijlgebreken en taal- en interpunctiefouten die in de eindexamentekst kunnen voorkomen. Spelling ligt vast, maar bij leestekens moet een commissie de interpunctie-eisen zo exact mogelijk vastleggen om landelijke gelijkheid in beoordeling te bereiken

Wat zijn de voordelen van deze toetsvorm? Validiteit en betrouwbaarheid (zie Helge Bonset) liggen niet te ver uit elkaar. De examinator hanteert namelijk de lijst van eisen die landelijk is gepubliceerd. In de beoordeling kan de examinator laten zien waar de kandidaat faalt of succesvol is. De kandidaat kan na het examen de getoonde kennis en kunde toepassen op het (her)schrijven van teksten. Schrijven is herschrijven.

Een tweede voordeel is dat de herschrijfopdracht tegelijk een leestoets is. De kandidaat moet eerst de tekst analyseren en doorgronden op de bedoelingen van de auteur. Anders is het niet mogelijk alinea’s aan te brengen, onduidelijke of verkeerd gelegde verbanden te corrigeren en een enkele verkeerd geplaatste passage te verplaatsen.

Een derde voordeel is dat leerlingen in de voorafgaande oefenperiode geregeld geconfronteerd worden met slecht leesbare teksten. Waarschijnlijk ontstaat bij hen het besef dat dit soort teksten resulteren in onbedoelde effecten en ontsporingen. Theorie over de kwalijke gevolgen voor economie, maatschappij en henzelf kan hierbij helpen. Niemand kan aan communicatie ontkomen.

Een vierde voordeel is dat leerlingen graag meedoen om teksten te herschrijven. Dit is althans mijn ervaring. Ze vinden de opdracht een spannende en overzienbare puzzel, rechtstreeks uit de praktijk. Leermateriaal is er in overvloed. Zelf ging ik soms op rooftocht om met een buit aan folders en brochures terug te komen. Tegenwoordig hoeft dit niet meer. De docent kan de tekst gemakkelijk op het digitale schoolbord tonen en klassikaal behandelen.

Een herschrijfopdracht lijkt gemakkelijk, maar is het juist niet. De kandidaat moet de tekst analyseren en de structuur achterhalen. Daarna komt het herkennen van wat in de oefenperiode over publieksvriendelijkheid is aangereikt. Vervolgens moet de kandidaat zinsconstructies wijzigen, woorden vervangen, (onduidelijke) verbanden aanbrengen, verkeerde verbanden corrigeren, fouten verbeteren, stijlgebreken omzetten en een enkele verkeerd geplaatste passage verplaatsen. Dit vereist veel van iemands concentratie- en taalvermogen, taalcreativiteit, analytische vermogen en woordenschat. Experimenten moeten uitwijzen welke lengte en moeilijkheidsgraad per onderwijstype aanvaardbaar zijn.

Het vak Nederlands geniet weinig status. Er is een idee van overbodigheid, want bijna iedereen kan Nederlands praten en Nederlandse woorden na elkaar op papier of in een mobieltje zetten. Het opstel heeft het imago van een vage opdracht met een subjectieve beoordeling, afhankelijk van wat de leraar ervoor geeft. Literatuur is voor velen de literatuurlijst = uittreksellijst. De presentatie is voor de meeste ouders alleen maar een mondelinge uiting van wat hun zoon of dochter wil zeggen. Publieksgerichtheid via structuur tot op woordniveau is bij deze ouders niet bekend. Een onvoldoende kunnen ze zich niet voorstellen, zeker niet als hun zoon of dochter thuis goedgebekt is. Kortom: het vak komt over als subjectief, nauwelijks toetsbaar en niet-relevant. Nodig is daarom een examen met maatschappelijk-economische relevantie en meetbare eisen. Ik denk dat een herschrijfopdracht in het CE hier een bijdrage aan kan leveren. Andere schrijfvormen kunnen hun plaats vinden in het SE.