Gedicht: Albert Verwey • De brug

De Brug

Zij grondden in de woeste stroom hun brug.
Maar dat er vrede en sterkte in ’t steen zou wonen:
‘Wiens liefste ’t eerst hier komt, metsel haar in!’

De zon brandde ’t gebergt op flank en rug
Toen zingend kwam wie haar gemaal zou loonen
Met voorraadvolle korf en kroes van tin.

Zij hieven haar – zijn armen hingen slap -,
Zij stelden haar in ’t ruim, met voordacht open,
Zij metsten, metsten en haar blik werd groot.

Zij kreet – dit was niet meer een mannegrap! –
Hij zweeg en in haar hart verging het hopen:
Zij metsten, metsten tot de pijler sloot.

Albert Verwey (1865-1937)
uit: De weg van het licht (1922)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.