‘De Joden’ (1828)

Tot 1829 verscheen Philopaedion met deze vaste illustratie op de titelpagina, gegraveerd door J. Plugger.

Jeugdverhalen over joden (103)

Door Ewoud Sanders

Auteur: J. Verweij de Winter (†1850)
Oorspronkelijk Nederlands

Herkomst en drukgeschiedenis

J. Verweij de Winter was onderwijzer in Poeldijk, een kerkdorp in de huidige gemeente Westland in Zuid-Holland. Hij was actief in het ‘Onderwijzers-genootschap’ en publiceerde onder meer in het Tijdschrift voor onderwijzers enhet Tijdschrift voor aankomende onderwijzers. Zijn bijdrage ‘De Joden’, die negen pagina’s telt en leest als een kinderpreek, verscheen in 1828 in Philopaedion, tijdschrift voor de jeugd, in de rubriek ‘Godsdienst en zedekunde’. Verweij de Winter schreef vaker voor dit jeugdtijdschrift, dat werd uitgegeven door A. Vink in Amsterdam en verscheen tussen 1822 en 1831.

Samenvatting

‘Wie kent de Joden niet, die overal op de gansche aarde verstrooid wonen’, zo begint Verweij de Winter. ‘Thans is het mijn plan, u, mijne jeugdige lezers en lezeressen! op hen opmerkzaam te maken en over hen te spreken.’

         Na wat theologische zaken uit de oudtestamentische geschiedenis te hebben aangestipt, zet Verweij de Winter uiteen hoe christenen zich ten opzichte van eigentijdse joden zouden moeten gedragen. Hij onderscheidt daarbij vier punten.

         In de eerste plaats zouden christenen, overeenkomstig de lessen van Jezus, alle mensen moeten liefhebben, dus ook de joden. ‘De Joden zijn, even als wij, redelijke schepselen. (…) Dit gevoelende en bedenkende zullen wij onze Joodsche broeders en zusters, achten, beminnen, liefhebben.’

         Daarnaast zouden christenen alle vooroordelen omtrent joden moeten afleggen. ‘Zij vinden, helaas!, te veel plaats, en zijn oorzaak, dat wij hen onvriendelijk, stuursch en verachtelijk, behandelen.’ Verweij de Winter geeft graag toe ‘dat de Joden zelve dikwijls aanleiding geven dat men hen zoo behandelt’, maar dit ontslaat christenen niet van hun verplichting om joden ‘jegens ons te winnen’.

         Zijn derde punt: ‘Schaamt u vervolgens niet gemeenzaam met Joden te verkeeren. Met hen verkeerende kunt gij veel leeren. Zij zijn, wanneer zij weetgierigen aantreffen, gezind en bereid onderrigt te geven.’

         Als laatste punt houdt hij zijn jeugdige lezers voor: ‘Verder kunt gij door uwe verkeering, den haat en de vooroordeelen tegen het Christendom tegen gaan, verminderen, en zoo niet geheel, echter veel doen verdwijnen, om eindelijk hierdoor hunnen zedelijken toestand te verbeteren.’

         Al deze punten hebben tot doel het vertrouwen van de jood te winnen. ‘Zoodat de mededeeling der Christelijke gezindheid, door ons verkeer, in een welbereid hart valle, ontkieme en vruchtbaar worde, zoo kan hij gestemd worden om de leer van den door hem nog miskenden Messias, te leeren kennen en te omhelzen’.

         Kortom: goed contact met joden moest volgens Verweij de Winter de ‘bekeering der Joden helpen bevorderen’.

Doelgroep en receptie

Doel van dit tijdschrift, zo vermeldt het eerste nummer, was de jeugd te voorzien van een onderhoudend en leerrijk geschenk. Van dit verhaal heb ik geen besprekingen gevonden.