Dansen op een koord

Wonen in gedichten (15)

Door Judit Gera
Dit gedicht is geschikt voor licht gevorderde studenten
en hoort bij de categorie Mens en maatschappij,

In de serie Wonen in gedichten bespreekt Judit Gera, hoogleraar in Boedapest, gedichten uit de Nederlandstalige literatuur, ten behoeve van het onderwijs in de Neerlandistiek extra muros (buiten het taalgebied). Vandaag: ‘je hoort verhalen’, van Radna Fabias (1983).

je hoort verhalen

‘ze komen de vrouwen betasten de mannen verleiden goud oogsten hun nagels zijn zwart
van de kuilen die ze voor anderen graven ze drinken’

‘ze drinken jenever om hun reptielenlichamen op te warmen vangen hagel op in bekers 
om hun frisdrank mee te koelen ze zijn bovenmenselijk’

‘ze zijn bovenmenselijk hun navelstreng is nooit doorgeknipt is lang is dik is taai is 12.000
kilometer lang strakgespannen over de oceaan’

‘hun navelstreng is 12.000 kilometer lang strakgespannen over de oceaan hun kinderen
zijn koorddansers alleen de moedigste durven de weg naar huis af te leggen velen komen
er laat achter dat het touw slap is’

‘slechts een enkeling komt thuis’

Uit: Habitus, 2018

Radna Fabias is in 1983 geboren in Curaçao, voormalige kolonie van Nederland en tegenwoordig een land binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Ze studeerde aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Ze hield zich bezig met toneelschrijven. Met haar debuutbundel Habitus won ze een aantal prijzen: de C. Buddingh’-prijs 2018, de Awater Poëzieprijs 2018, De Grote Poëzieprijs 2019 en de Herman De Coninckprijs 2019.

Identiteit, herkomst, bestemming en lichamelijkheid spelen in de bundel een belangrijke rol. Een van de terugkerende thema’s bij Fabias is de positie van de vrouw. Ze schrijft vaak subversief en kritisch over maatschappelijke issues, maar dat doet ze meer dan eens luchtig, ironisch en speels. 

De titel van de bundel Habitus betekent verschijningsvorm in het Nederlands. Die betekenis komt in de gedichten naar voren in het observerende karakter: ze zijn zovele verslagen van wat het lyrische ik waarneemt. Ook bij de Franse socioloog Pierre Bourdieu (1930 – 2002) is habitus een centraal begrip. Voor hem betekent habitus gesocialiseerde normen en tendenties die ons gedrag en denken sturen. Habitus is resultaat noch van vrije wil noch van vaste structuren, veeleer een soort samenspel tussen die twee. Het is een dispositie die onbewust ontstaat en wordt gestuurd door reflexen zowel in het verleden als heden. Habitus bepaalt onder andere onze verhouding tot en perceptie van macht. Het staat eveneens in verband met doxa, oftewel idées reçues, van anderen kritiekloos overgenomen en geaccepteerde ideeën, clichés. Dit zijn belangrijke begrippen voor de interpretatie van dit gedicht van Radna Fabias.

De verhalen uit de titel je hoort verhalen zijn juist dergelijke doxa, stereotypen waarover ‘je’ doorgaans niet nader nadenkt. Het gedicht bestaat uit drie tweeregelige strofen, een drieregelige strofe en een enkele, afsluitende regel. De strofen zijn geen traditionele strofen, eerder teksteenheden. In tegenstelling tot de titel staan ze tussen aanhalingstekens net zoals de laatste regel. De aanhalingstekens geven aan dat wat er staat gedachteflarden, vaak gebruikte uitingen, tekstuele ready-mades van anderen zijn. Het zijn opsommingen van vooroordelen. Die worden geciteerd. De aanhalingstekens creëren afstand tussen het sprekende ik en dat wat gezegd wordt. Het sprekende ik observeert en legt vast wat anderen zeggen.

Kenmerkend is dat er geen hoofdletters zijn en er geen interpunctie is. In je hoort verhalen veroorzaakt deze techniek een snel tempo. Er worden allerlei stereotype denkpatronen in hoog tempo aan elkaar gerijd. De opsommingen van wat ‘ze’ doen, vormen het structurerende principe. Elke teksteenheid is als het ware dakpansgewijs, door de herhaling van een woord met de volgende verbonden. Dit heet anadiplose. Hierdoor worden de verschillende teksteenheden als in een koord aan elkaar vastgeknoopt.

In de eerste drie eenheden wordt het subject met ‘ze’ aangeduid. ‘Ze’ zijn duidelijk anders dan de sprekende instantie. Men is geneigd te denken dat hier een Nederlander over een migrant aan het spreken is. Over mensen met een donkere huidskleur bestaat het ‘witte’ vooroordeel dat ze over een grotere seksuele potentie beschikken dan de witte Europeanen. ‘Ze’ komen ergens van buiten en brengen vrouwen en mannen in gevaar door hun verhitte seksualiteit. ‘Ze’ azen op onze rijkdom, ze willen geld van ons pakken: ‘ze komen […] goud oogsten’. Hun uiterlijk is onverzorgd vanwege het lichamelijke werk dat ze verrichten, ‘de kuilen die ze voor anderen graven’. Deze wending, een hypogram, verwijst ook naar het gezegde `Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in`. Zodoende drukt dit zinsdeel zowel het wantrouwen als het leedvermaak van de witte Europeaan tegenover gekleurde migranten uit. Daarnaast vernemen we dat ‘ze’ ook veel drinken. Zo zijn de eerste lijnen van het portret van de migrant die zich in een Europees land vestigt, getekend.

Het tweede deel begint met de herhaling van de laatste twee woorden van het eerste deel: ‘ze drinken’, waardoor de impliciete gedachte – een doxa – dat ‘ze’ alcoholist zijn nog eens onderstreept wordt. Hierbij aansluitend worden ook andere vooroordelen in verband met migranten opgenoemd: ‘“ze drinken jenever om hun reptielenlichamen op te warmen ze vangen hagel op in bekers om hun frisdrank mee te koelen ze zijn bovenmenselijk”’. Met andere woorden: ‘ze’ zijn niet alleen alcoholisten, maar ze hebben reptielenlichamen en zijn dus zijn duidelijk anders dan ‘wij’. Dat wat ‘wij’ Europeanen met onze vergevorderde technologie uit automaten halen, met name ijs voor onze frisdranken, moeten ‘ze’, de achterlijken, nog rechtstreeks van de natuur weten te krijgen. ‘Ze’ hebben reptielenlichamen: het zijn wezens tussen mens en dier. Reptielen roepen bovendien associaties met tropische landschappen op. ‘Bovenmenselijk’ kan ook met het betekenisveld van geheimzinnig, mystiek en ongrijpbaar verband houden. Hebben ze daardoor misschien ‘iets goddelijks’? ‘Ze’ zijn de ondoorgrondelijke ander. Er komt in het hele gedicht geen ‘wij’ voor: deze tekstuele eigenschap bevestigt het feit dat het ‘wij-perspectief’ onzichtbaar is omdat hetgeen gedacht en gezegd wordt door ‘wij’ als vanzelfsprekende waarheden worden opgevat.

Ook de derde eenheid begint met de herhaling van de laatste woorden van de vorige: ‘ze zijn bovenmenselijk’. Dit is precies het mechanisme van hoe stereotypen ontstaan: door voortdurende herhalingen. De eigenschap van bovenmenselijkheid wordt verder uitgewerkt. De navelstreng van ‘ze’ is nooit doorgeknipt. Ze zijn bij hun moeder – bij moeder natuur – blijven hangen, met andere woorden: ze zijn nog ‘naïef en nooit geheel volwassen geworden. Van die navelstreng wordt verder gezegd dat hij lang en dik en taai is en dat hij 12.000 km lang over de oceaan strakgespannen is. De navelstreng – letterlijk en figuurlijk – wordt gespannen tussen een Nederlander of Europeaan en een niet-Europeaan. Bij de niet-Europeaan wordt de navelstreng niet doorgeknipt: ze blijven naar hun land van herkomst terugverlangen. Het perspectief wordt nu duidelijk: het is dat van de Europeaan, het is eurocentrisch, zo men wil. 

De vierde eenheid geeft eveneens de laatste gedachte van de vorige weer, deze keer in een andere woordvolgorde: ‘ “hun navelstreng is 12.000 kilometer lang strakgespannen over de oceaan” ’. Van ‘hun kinderen’ – de tweede generatie migranten – wordt beweerd dat ze koorddansers zijn op deze navelstreng waardoor alleen de moedigste onder hen het lef hebben om ‘de weg naar huis af te leggen’. Velen van deze moedigste koorddansers moeten zich echter realiseren dat ‘ “het touw [de navelstreng] slap is” ’. De terugkeer is dus gevaarlijk.

De laatste, alleenstaande regel functioneert in zijn beknoptheid als conclusie: ‘slechts een enkeling komt thuis’. Dit betekent dat slechts weinigen van de tweede generatie migranten zich werkelijk thuis voelen in hun land van herkomst na in Nederland geboren te zijn en geleefd te hebben.  De laatste regel krijgt bijzondere nadruk omdat hij alleen staat in tegenstelling tot de voorgaande eenheden. In de poëzieleer heet zo’n regel een weesregel. De eerste teksteenheden zijn reeksen van nevenstellingen die het stereotype denken van het ‘wij’ vertegenwoordigen. Zij verwoorden de gangbare mening, zij zijn de norm. Hiertegenover staat het ‘ze’. De laatste (wees-) regel onderstreept in zijn beknoptheid de eenzaamheid en de tragiek van ‘ze’: ze zijn nergens thuis, ook niet in het land van herkomst. Het is geen toeval dat de laatste regel geen ‘ze’ heeft: dit is de enige plek in het gedicht waar niet vanuit het perspectief van ‘wij’ gepercipieerd wordt. De constatering kan van zowel het onzichtbare ‘wij’ als van ‘ze’ komen.

De ‘weesregel’ brengt ons op het volgende spoor. Het heeft namelijk (naast een concluderend) ook een vervreemdend effect. De reeks met herhalingen wordt plotseling onderbroken. Aan het koord en het koorddansen komt een eind. Dit maakt het gedicht extra boeiend. Want het kan nu ook ‘andersom’ gelezen worden. Het is dan geen gedicht meer waarin het gaat om het overwicht van het Europese perspectief boven het niet Europese in de tegenwoordige maatschappij. Het gedicht neemt ons mee naar de koloniale tijden waarin armoede en rijkdom tegenover elkaar staan. ‘Ze’ is dan de witte koloniaal, waargenomen door de gekoloniseerden in hun eigen moederland. Het zijn de witte kolonisten die naar de kolonie over de oceaan komen om de gekoloniseerden aan seksueel geweld te onderwerpen, goud te zoeken (het Caribisch gebied als El Dorado) waardoor hun nagels zwart worden door het zoeken naar geld. De kuilen die ‘ze’ voor de inwoners graven, betekent dat ‘ze’ de inwoners uitbuiten. Het zijn de kolonisten die alcoholisten worden, zij hebben reptielenlichamen die opgewarmd moeten worden – ‘ze’ komen immers uit een land van ‘mest en mist’ om met De Génestet te spreken. ‘Zij’ zijn de begenadigden die frisdranken met ijs mogen drinken. Ze lijken in vergelijking met de inheemsen inderdaad bovenmenselijk: zowel door hun afmetingen –  ze zijn een stuk langer dan de inheemsen  –  als door hun macht. ‘Ze’ zijn door hun lange en dikke navelstreng met het koloniale vaderland verbonden – wat ze op de kolonie doen, doen ze ten bate van hun vaderland. Als hun kinderen toch terug willen, moeten ze zich realiseren dat de terugweg naar Nederland na het koloniale verleden van hun ouders en na hun eigen opvoeding in een andere cultuur toch niet zo soepel verloopt. De laatste regel klinkt enigszins anders dan bij de eerste interpretatie. Het heeft het karakter van een voorspelling: slechts een enkeling zal de draad in zijn vaderland weer kunnen oppikken. Het koloniale verleden zal hen blijven achtervolgen.

Men vraagt zich terecht af: waarom zijn dezelfde talige uitingen in de eerste interpretatie stereotypen en in de tweede niet? De situatie-gebondenheid van zowel de lezers als de literatuur geeft hierop het antwoord. Het antwoord belicht de situationaliteit van literatuur. Een literaire tekst kan de stem van mensen weergeven die een dominante groep vormen. De dominante groep heeft meer macht dan andere, marginale groepen. Talige uitingen van de dominante groep kunnen zowel in leven als literatuur in dienst staan van de marginalisatie van andere groepen. Als de context anders is, met name als de gemarginaliseerde groepen aan het woord komen, kunnen dezelfde uitingen een andere betekenis krijgen: die van verzet. Het hangt ervan af vanuit wiens perspectief gesproken en gelezen wordt. Literatuur biedt vele interpretatiemogelijkheden.

Is dit te gedurfd? Misschien. In het gedicht is onder andere sprake van een navelstreng die strakgespannen over de oceaan is. Het vormt een weg tussen twee landen. De weg is een heen en weer tegelijk – voor mensen zowel met als zonder machtspositie. Het is aan de lezers welke betekenis(sen) zij activeren. De genialiteit van het gedicht is dat beide betekenissen tegelijk aanwezig zijn. De subversieve poëzie van Radna Fabias biedt ruimte genoeg om beide wegen te begaan. Het gedicht is misschien een subtiele uitnodiging tot dialoog. Praat je niet met elkaar, dan blijf je over en weer in de wonderlijkste verhalen van een ‘doxa’ steken en komt er niemand meer thuis.