Corona als kans voor een sonnettenkrans

De coronakrans van Catharina van Daalen

Door Marie-José Klaver

Op 16 maart jl. ging Nederland in een intelligente lockdown vanwege het nieuwe coronavirus. Het land ging op slot en de inwoners verschansten zich de eerste weken in hun huizen en meden elkaar als de pest uit angst voor besmetting. Dichteres Catharina van Daalen schreef tijdens de coronaperiode een sonnettenkrans, getiteld Corona, een sonnettenkrans. Alle vijftien sonnetten zijn bij Tzum te lezen. Cabaretier Jan Beuving vulde op 7 maart, nog voor de isolatieperiode, een column in Trouw met een aanzet tot een sonnettenkrans.

Op haar persoonlijke website schrijft Van Daalen dat de oorspronkelijke betekenis van corona haar geïnspireerd heeft tot de krans. Beuving spreekt van een ‘sonnettenkransenkans’. Hij komt niet verder dan drie sonnetten, twee kwatrijnen en een terzet van één regel. Dan zijn ruimte in de krant gevuld. Voor het light verse van Beuving, waar het taalplezier vanaf spat, is de onvoltooide staat niet erg. Als Van Daalen haar sonnettenkrans niet voltooid had, zou ik dat erg jammer gevonden hebben.

Beuvings gemiste sonettenkranskans is misschien wel de eerste bewust onvoltooide sonnettenkrans in het Nederlandse taalgebied. Er bestaan niet veel voltooide sonnettenkransen die aan alle vormeisen voldoen. Er bestaan wel veel niet vormvaste en verkeerd getypeerde sonnettenkransen. Bas Jongenelen schreef enkele interessante stukken over dit fenomeen voor Neerlandistiek.

Een sonnettenkrans is geen eenvoudige onderneming. (Dat ziet ook Beuving in: ‘een bouwwerk lijvig als de Neeltje Jans. / Je rijmt je bij zo’n krans wel het ongans.’) De dichter moet vijftien sonnetten schrijven, waarbij de laatste regel steeds de eerste regel van het volgende sonnet vormt. Het meestersonnet bestaat uit de eerste regels van de eerste veertien sonnetten. Je moet dus vooruitdenken, want je wilt eindigen met een samenhangend gedicht. Bij de lezer bestaat bovendien de verwachting dat de sonnettenkrans niet als een nachtkaars uitgaat. Van Daalen heeft het zichzelf extra moeilijk gemaakt door een acrostichon in haar sonnettencyclus te verwerken. Het meestersonnet bevat, van boven naar onder gelezen, de naam van de ziekte die door SARS-CoV-2 wordt veroorzaakt: covidnegentien. Het 15e sonnet is dus niet alleen het meestersonnet, maar ook een lettervers.

Dat Van Daalen vooruit heeft gedacht en gepland, blijkt uit het feit dat het meestersonnet als eerste is verschenen, op 12 april jl., op de site coronagedichten.nl. Toen was zij al weken aan het dichten, schrijft ze op haar site.

Corona, een sonnettenkrans begint groot, met carbon en het leven. Al snel zoomt Van Daalen in op twee mensen van wie er een urenlang praat. Veel persoonlijke details komt de lezer nog niet te weten over het paar. De je-persoon is ziek, blijkt in het tweede gedicht. Hij heeft al langer een zwakke gezondheid en aan de genoemde symptomen te zien (ratelende adem, hoesten, stikken) heeft het nieuwe coronavirus hem te pakken. Het virus infecteert ook de rest van het leven: de media, familiebezoek, ongedwongen sociaal contact in de kroeg (‘het troostrijk tappen is voorbij / omringd door vrienden’).

Veel in Van Daalens sonnettenkrans is herkenbaar: gehamsterd wc-papier, mondkapjes, ontsmetten, wachten, missen, het verlies van het tijdsbesef. Dat is fijn in een tijd waarin veel onzeker is. Het paar blijft in de eerste gedichten wat mysterieus. Dat ze relatieproblemen hebben, is na een sonnet of vier wel duidelijk, maar de oorzaak van de problemen nog niet. Uit de behoefte het paar beter te leren kennen en hun verhaal te doorgronden blijf je doorlezen.

Soms verandert een woord van betekenis bij de overgang naar het volgende sonnet. De alcohol uit de kroeg in het laatste vers van sonnet 4 is in de eerste regel van het volgende sonnet een ontsmettingsmiddel geworden. Het huis en de dood veranderen ook van betekenis. In sonnet 7 gaat het om het quarantainehuis waarin het paar zich heeft opgesloten om aan de coronadood te ontkomen. In 8 lijkt het huis in de Sovjet-Unie te staan waar de vrouwelijke helft van het stel jarenlang aan angst geleden heeft. De onveilige datsja in sonnet 8 staat in schril contrast met het veilige vinexhuis in 9 waar het stel hygiënisch de corona-epidemie aan het overleven is.

In sonnet 10 klinkt de natuurgeest van Goethes bekende gedicht ‘Erlkönig’ (1782) door. ‘Willst, feiner Knabe, du mit mir gehn?’, zegt de Erlkönig zachtjes tegen de jongen die met zijn vader door een nachtelijk bos de dood tegemoet rijdt. De Erlkönig symboliseert de dood, die de zieke jongen verleidt op te geven en te sterven. Bij Van Daalen wordt ‘gefluisterd “kom maar” met hese / stem terwijl de scheut naar de hemel streeft’.

In de laatste sonnetten komt het grote leven (heelal, atoom, sterren, stof) weer terug, nu gekoppeld aan de uitdovende relatie van het stel, die, terugblikkend, al tijden niet in orde was. Het einde lijkt ook een nieuw begin te bieden: ‘maskers gaan af, de achterzak in’. Maar juist het laten vallen van de maskers (‘onvoorzichtig, opeengepakt, te dicht’) zorgt voor de tweede golf, waarmee deze hyperactuele sonnettenkrans eindigt.

Foto van The 3B’s / CC BY 2.0