Categoriale perceptie: de een hoort een [d], de ander een [r]

Door Henk Wolf

“Ik fyn sniders alt fan dy droevige figueren, ik kin ’t net helpe.”
“No, sa wurde se útbeeld yn dy âlde boeken.”
“Ja, mar oer ’t geheel, dy’t ik no meimakke ha, wienen allegear fan dy …”
“… twadde mannen?”
“Ja. Twadde âlde keareltsjes. Mar ja.”

Vertaling:
“Ik vind kleermakers altijd van die droevige figuren, ik kan het niet helpen.”
“Nou, zo worden ze uitgebeeld in die oude boeken.”
“Ja, mar over het geheel, (degenen) die ik nu meegemaakt heb, waren allemaal van die …”
“… tweede mannen?”
“Ja. Tweede oude kereltjes. Maar ja.

Het bovenstaande Friese dialoogje, in 1969 opgenomen in Brantgum, verbaasde mij nogal. Wat bedoelden de sprekers toch met dat twadde (‘tweede’)? Ik vroeg een collega om de opname ook eens te beluisteren en die te interpreteren. Ook hij stond voor een raadsel. De naslagwerken hielpen ons ook niet verder.

Ik zette het fragment op Facebook en al snel zei een van onze studenten Fries: kan het niet zijn dat ze twarre (‘dorre’, in de officiële spelling als toarre geschreven) zeiden in plaats van twadde? ‘Dorre mannetjes’, dat paste helemaal in de context, dus deze studente had hoogstwaarschijnlijk gelijk.

Categoriale perceptie

De Friese tongpunt-[r] en de [d] lijken nogal op elkaar. Ze lijken zelfs zoveel op elkaar dat sprekers de ene klank denken te zeggen en hun kinderen de andere horen, waardoor de taal verandert. In de Nederlandse provincie Friesland valt het kwartje meestal de kant uit van de [r]. Vooral in het noorden van de provincie zijn vormen te horen als starich (uit stadich, ‘langzaam’) en kêre (uit kêde, ‘paard’). Een studente meende zelfs eens dat dôfhûdich (‘doofhuidig’ = eigenwijs) dôfhoerich was en iets met dove prostituees te maken had. In het Fries van het Duitse Saterland valt het kwartje vaak juist de andere kant op: daar klinken vormen als bäiden (‘kind’, in de andere Friese dialecten bijvoorbeeld bern en bjarn) en jädden (‘graag’, verwant aan jerne in het Nederlandse Friesland).

Het is voor mensen heel moeilijk om een taalklank niet te interpreteren: we kunnen een klank bijna niet horen als iets tussen een [r] of een [d] in, maar onze hersenen plaatsen die klank meestal meteen bij het horen in een van die hokjes: we horen óf een [r], óf een [d]. Dat wordt categoriale perceptie genoemd.

Zelf luisteren

Die categoriale perceptie was ook bij mijn collega en mij waar te nemen. Zelfs nadat we door onze slimme studente op de mogelijkheid waren gewezen dat er twarre werd gezegd, bleven we een [d] horen. We vroegen nog twee anderen om ook eens te luisteren en die waren er juist van overtuigd een [r] te horen. Het kwartje valt dus altijd een kant op, maar niet voor iedereen dezelfde.

Wie wil, moet zelf maar eens luisteren of ie nou een [r] of een [d] hoort – of misschien tóch iets ertussenin. Ik ben eigenlijk wel benieuwd of niet-Friese oren iets anders horen dan Friese. De audioversie is te vinden in de dialectenbank van het Meertens Instituut en duurt van 26:40 tot 26:54.

Foto: Robina Weermeijer (Unsplash)