Welke uitgang geven we Duitse bijvoeglijke naamwoorden in het Nederlands?

Door Henk Wolf

  • “Nieuws: Cees Noteboom ontvangt Österreichische Ehrenkreuz für Wissenschaft und Kunst.”

Dat is de titel boven een stuk van Coen Peppelenbos gisteren op Tzum. Dat stuk had natuurlijk een heugelijke inhoud, maar de titel was ook aanleiding voor een taalkundige overdenking. Het woord Österreichische botste in elk geval eventjes met m’n taalgevoel. Was het eind-s‘je niet vergeten? Maar toen ik iets langer nadacht, begon ik te twijfelen: gebruikte ik niet te veel Duitse grammatica in een Nederlandse zin? Paste ik nu niet m’n Duitse taalgevoel toe op het Nederlands? Maar als het niet de Duitse grammatica was die de vorm van het Duitse bijvoeglijk naamwoord bepaalde, wat dan wel? Afijn, het duurde niet lang of ik was verdwaald in m’n eigen intuïties.

We weten dat mensen niet onsystematisch van de ene taal naar de andere wisselen en we weten dat we meer van de grammatica van een taal behouden naarmate die taal meer lijkt op de taal waarin we het geleende stukje opnemen. Maar heel veel details weten we nog niet.

Daarom heb ik een mini-mini-mini-onderzoekje uitgevoerd. Ik heb zes mensen laten kiezen uit twee varianten van de Tzum-kop. Alle zes spreken ze het Duits én het Nederlands vloeiend. Ze wonen alle zes al heel lang in Nederland. Drie hebben het Duits als moedertaal, de andere drie het Nederlands. Allemaal hebben ze een talige studie gevolgd en oefenen ze een talig beroep uit (of deden dat tot hun pensioen).

De precieze bewoording van mijn vraag was:

Welke krantenkop zou als allereerste bij jullie opkomen?

(1a) Cees Noteboom ontvangt Österreichische Ehrenkreuz für Wissenschaft und Kunst.
of:
(1b) Cees Noteboom ontvangt Österreichisches Ehrenkreuz für Wissenschaft und Kunst.

Alle zes de proefpersonen kiezen voor (1b). De drie Duitstaligen gaven spontaan een toelichting, waarin ze redeneerden alsof ze een volledig Duitse zin voor zich hadden:

  • “B. Bij a zou je nog een lidwoord verwachten maar dat laat je natuurlijk meestal in krantenkoppen weg…”
  • “A is ongrammaticaal”
  • “1B, denn es handelt sich um den Akkusativ.”

Een van de Nederlandstaligen gaf ook een toelichting, maar die was van een andere aard:

  • “Accusatief maakt in de Nederlandstalige context niet uit. Ik kies altijd voor de nominatieve vorm zonder bepaald lidwoord.”

De andere twee Nederlandstaligen gaven geen toelichting.

We komen dus drie systemen tegen om bij een Duitse zelfstandignaamwoordgroep die in het Nederlands wordt gebruikt, de vorm van het bijvoeglijk naamwoord te bepalen:

1. de keuze van Coen Peppelenbos, waarbij het stukje Duits behandeld lijkt te worden alsof het Nederlands is (al is dat niet helemaal zeker);
2. de keuze van in elk geval een van de Nederlandstalige informanten, die een vaste vorm zegt te kiezen (die toevallig ook de vorm is die door systeem 3 wordt geproduceerd).
3. de keuze van de Duitstalige informanten (en van mij, aanvankelijk), die bij de bepaling van de vorm van het stukje Duits de Nederlandse zin als een Duitse zin behandelen;

Het onderzoekje is veel te klein om er conclusies aan te verbinden, maar het levert wel hypothesen die in een echt onderzoek getest kunnen worden, namelijk:

1. Nederlandstaligen die weinig met het Duits doen, gebruiken systeem 1;
2. Nederlandstaligen die goed en veel Duits gebruiken, gebruiken systeem 2;
3. Duitstaligen (en mogelijk Nederlandstaligen die heel veel Duits gebruiken), gebruiken systeem 3.

Voor wie even kwijt was hoe het in het Duits ook maar weer zat: zie hier.