Warenar vs. 1254 – 1256 opnieuw geïnterpreteerd

Door Renaat Gaspar

Over de Warenar van P.C. Hooft is niet weinig geschreven, onder meer in de verschillende literatuurgeschiedenissen en in de inleidingen op de tekstuitgaven van dit veelgeroemde blijspel. Het ontbreken van specifieke regieaanwijzingen van de auteur over mime, mine, pose of dictie van de spelers heeft in de hand gewerkt, dat in de verklarende noten niet zelden een eigen interpretatie aan de tekst is gegeven.

Wel heel duidelijk is dat het geval bij de verklaring van de drie verzen 1254-1255-1256, in het bijzonder inzake het woord ‘jouwetje’ dat zowel Ritsert als Lecker in de mond nemen. Maar ook het woord ‘glaesjen’, hoewel alle tekstbezorgers daaraan eenzelfde betekenis toekenden, verdient het hier opnieuw kritisch bekeken worden. 

De volgende tekstuitgaven bieden een goed overzicht van de interpretaties van vs. 1254-1255-1256: 

  • Warenar van P.C. Hooft en S. Coster. Uitgegeven door P. Leendertz jr. Zwolsche herdrukken IX-XI, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1896.l
  • P.C. Hooft, Warenar. Ingeleid en geannoteerd door A. Keersmaekers. Klassieke Galerij, Antwerpen: De Nederlandse Boekhandel 19786. [Ook te raadplegen op de DBNL: https://www.dbnl.org/tekst/hoof001ware01_01/]
  • P.C. Hooft, Warenar. Ingeleid en toegelicht door Dr. C. Kruyskamp. Klassieken Nederlandse Letterkunde, Den Haag: Martinus Nijhoff 19795 . Eerste druk: Zwolle: Thieme 1966.
  • Samuel Coster en P.C. Hooft: Warenar. Bezorgd door Jeroen Jansen. Amsterdam: Bert Bakker 2004. [Ook te raadplegen op de DBNL. https://www.dbnl.org/tekst/hoof001ware10_01/]

Het gaat om deze drie versregels:

(1254) Ritsert: Je hebt ien doosjen e vonden (denck ick) daer ien juweeltjen, ‘k mien ien jouwetjen in is.

(1255) Lecker: Ick seg’er ien jouwetje teughen, ‘tis niet qualijck ejout.

(1256) Ritsert: Je hebt ien glaesjen by ‘tboshuys geraept. 

Lecker: Segt ien Pot mit gout.

Jouwetjen – jouwetje

Het uitgangspunt inzake jouwetje is een aantekening van A. Beets in Woordenboek der Nederlandsche taal VII, kol. 453-454. Dit zevende deel verscheen in 1926.

Over het woord jouwetje gaf hij bijna honderd jaar geleden duidelijk de stand van zaken weer: ‘Een jouw schijnt soms de beteekenis te hebben van: eene nietigheid; een nietswaardig iets’ [Volgt een citaat uit Poirters, Leven van de H. Rosalia]. ‘De beteekenis van een jouwentje in de  volgende, welbekende en veelbesproken, plaats in den Ware-nar van Hooft is nog altijd niet opgehelderd; vermoedelijk betekent het ook: een ‘niemendalletje’ [volgt het citaat van vs. 1253-1255].Keersmaekers nam de betekenis ‘niemendalletje’ letterlijk in zijn editie over. Hoezeer het waar is, dat ‘de beteekenis […] nog altijd niet is opgehelderd’, blijkt wel héél duidelijk uit de aantekening van Jansen bij vs. 1254:‘ien jouwetjen: iets nuttigs’. Kan de tegenstelling nog scherper? ‘Niemendalletje’ tegenover ‘iets nuttigs’. 

Leendertz’ uitvoerige annotatie uit 1896 luidt: ‘jouwetjen: “uitjouwing”. Ritsert bedoelt hier dus een doosje, met niets of met vuil er in, door jongens neergelegd om den teleurgestelden vinder, die iets kostbaars meende te hebben, te kunnen uitjouwen. Misschien ook is het een doosje, waar, als men het open doet, een mannetje uitspringt, die een langen neus maakt’.

Kruyskamp (1979) greep voor zijn verklaring terug op de editie Leendertz, niet letterlijk maar toch onmiskenbaar. Hij parafraseert: ‘ien jouwetjen: eig. iets dat “jou” zegt, dat je uitjouwt; bedoeld is een fopdoosje, met niets of met vuil erin, of dat openspringt en een duveltje eruit laat komen’.

Het is opvallend dat deze vier tekstbezorgers, evenals Beets in het WNT, jouwetjen in vs. 1254 en jouwetje in vs. 1255 beschouwen als hetzelfde woord met dezelfde betekenis (jouwetjen in vs. 1254 heeft een verder betekenisloze overgangsklank n). Maar uit de tekst blijkt duidelijk, dat er een tegenstelling is tussen deze twee woorden. De pertinente uitspraak van Lecker ick seg’er ien jouwetje teughen is immers volstrekt onzinnig en zou een onnodige correctie van Ritsert zijn, tenzij je aanneemt dat er twéé identiek uitziende, maar verschillend uitgesproken woorden bestaan, namelijk jouwetje met de klemtoon op de voorlaatste lettergreep, en jouwetje waar het accent op de eerste syllabe ligt. Jouwétje tegenover jóúwetje.

Het eerste jouwetje is ontleend aan fr. jouet ‘stuk speelgoed, speeltje’. De Nederlandse verkleiningsvorm met –tje is te verklaren door het feit dat het Frans geen diminutief jouette kent, analoog aan bijvoorbeeld fille – fillette of amour – amourette. Leendertz heeft op grond van de latere uitgaven jouwetten in de editie 1617 verbeterd in jouwetjen. Zie de editie Leendertz 1896: p. XXXVIII en de voetnoot op p. 73. Die emendatie is heel terecht omdat aldus een woordspeling kon ontstaan met juweeltjen. Keersmaekers vermeldt die woordspeling dan ook expliciet in zijn aantekening bij vs. 1254. 

Het woord Juweeltjen – het diminutief duidt m.i. aan dat het niet een dure edelsteen was, maar slechts een snuisterij – kan immers heel goed nog op zijn Frans – analoog aan ofr. joël – zijn uitgesproken, en het is niet ondenkbaar dat Hooft deze wat geaffecteerde Franse uitspraak in gedachten heeft gehad, toen hij /zjuweeltjen/ in de mond legde van Ritsert. Juweel mag dan wel overwegend zijn uitgesproken met een Hollandse j zoals WNT s.v. JUWEEL meldt, de kennis van de manier waarop het Nederlands in oudere tijd heeft geklonken, is nog altijd ontoereikend. Bovendien kende het mnl., zoals Franck-Van Wijk meldt, ook de vorm ‘jouweel’, allicht niet rijmend op ‘houweel’, maar uitgesproken op zijn Frans: /zjoeweel/. Kortom, een op effectbejag gericht woordenpaar /zjuweeltjen – zjoewètjen/ is in het geheel niet onwaarschijnlijk.

Datzelfde geldt voor de komische tegenstelling tussen jouwètje en jóúwetje. Deftig (quasi-) Frans tegenover bekend-klinkend Hollands: /zjoewètjen/ dat door Lecker gecorrigeerd wordt tot /jóúwetje/. Het publiek zal deze humor zeker gewaardeerd hebben. Wellicht ten overvloede: dat in vs. 1255 een puur Hollandse uitspraak is bedoeld, blijkt ook uit de zinsnede ’tis niet qualijck ejout en uit het rijmwoord gout in de volgende versregel. Maar, zoals gezegd, Leendertz noch Kruyskamp hebben de tegenstelling tussen jouwètjen (1254) en jóúwetje (1255) opgemerkt.

Over vs. 1255 zegt Kruyskamp niets; Leendertz aantekening biedt op de keper beschouwd weinig tot geen verheldering. Zijn annotatie luidt: ‘Ik zeg er een “jouw, sliep uit” tegen, dat is een goede jouwerij.’ Vgl.: wie het laatst lacht, lacht het best.’ 

Maar ook Keersmaekers laat de zo duidelijk vermelde tegenstelling tussen jouwètje (1254) en jóúwetje (1255) onbesproken. Hij heeft Beets’ verklaring van jouwètjen (1254) ‘niemendalletje’ overgenomen en kon van vs. 1255 slechts deze moeizame hertaling leveren: Ick seg’er…: ik noem het een prulletje, ’t is niet slecht een prulletje genoemd! Het ‘prulletje’ van Keersmaekers is zo goed als synoniem aan het ‘niemendalletje’ van Beets.

Hoe zit het dan wel?

Wat betreft het eerste jouwetjen (1254): de juiste verklaring is m.i.: ‘klein speelgoed, speeltje’. Dus Ritsert veronderstelt eerst dat Lecker ergens een boîte de joëls heeft gevonden; daarna suggereert hij dat Lecker een boîte de jouets ergens heeft meegenomen. Dit alles is hierboven uitvoerig beschreven. 

Inzake het tweede jouwetje (1255) dient nog het volgende aangevuld te worden.

Een goede verklaring is m.i.: ‘foetsie-doosje’. Beter nog zou zijn: ‘lekker-puh-foetsie-doosje’. Waarom dan niet eenvoudig Kruyskamps keuze voor ‘fopdoosje’ overgenomen? Diens keuze, ‘fopdoosje’ bij vs. 1254, lijkt weliswaar goed bij vs. 1255 te passen, maar zij doet geen recht aan de situatie die Lecker in vs. 1255 in zijn verbeelding ziet: de vorige eigenaar merkt dat zijn bezit weg is. Zijn kostbare bezit blijkt foetsie. Hij voelt zich niet gefopt doordat een of ander doosje na openmaking leeg of vanbinnen smerig blijkt te zijn. Nee, ten eerste is er helemaal geen sprake van een doosje – Lecker weet dat het een pot met goudstukken is – en ten tweede: álles is weg, pot én inhoud. Lecker is verkneukelt zich als hij de wanhoop van de vroegere eigenaar voor ogen ziet, wat Hooft met een litotes verwoordt: ‘tis niet qualijck ejout’.  Waar dus de concrete voorstelling van Ritsert (een doosje) moet wijken voor het abstracte beeld van Lecker (een geslaagde diefstal) lijkt een adequate perifrase van vs. 1255 te zijn: ‘Ik noem het een geval van lekker-puh-foetsie, jawel, “lekker-puh”.

Rest nog deze afsluitende opmerking inzake het tweevoudige jouwetje: over de meest recente verklaring, die welke Jansen in 2004 heeft gegeven aan jouwetje (1254) en jouwetje (1255) valt enkel dit te zeggen. Toen hij aan beide woorden de betekenis ‘iets nuttigs’ toekende, heeft hij blijkbaar de suggestie van F.A. Stoett overgenomen: ‘iets dat tot je profijt strekt’. Zie Stoett, F.A., ‘Een en ander over den Warenar van P.C. Hooft en S. Coster, uitgegeven door P. Leendertz jr.’ in Taal en Letteren, jg. 7 (1897); p. 196-1987 aldaar.

Die verklaring (‘iets dat tot je profijt strekt’) heeft destijds geen weerklank bij vakgenoten gevonden en ook nu lijkt ze weinig passend.

Trouwens ook Jansens hertaling van vs. 1255 kan maar moeilijk correct heten, want de voorwaardelijkheid die hij erin legt: ‘als ik het “ien jouwetjen” (iets nuttigs) zou noemen, is dat niet gek gezegd’ valt niet terug te lezen in de originele zin. Om die voorwaardelijkheid te rechtvaardigen had er met inversie Seg ick er… moeten staan; er staat echter duidelijk onvoorwaardelijk Ick seg’er. Met deze onvoorwaardelijke stellingname plaatste Lecker zijn jóúwetje tegenover het jouwétje van Ritsert.

Het glaesjen bij het Boshuys

De zin Je hebt ien glaesjen by ‘tboshuys geraept (vs. 1256) is door alle tekstbezorgers ietwat verschillend geïnterpreteerd.

Leendertz heeft destijds uitgebreid geannoteerd: 

’t boshuys, op den hoek van de Hoogstraat en den Kloveniersburgwal, oorspronkelijk arsenaal, in 1603 gedeeltelijk en later geheel verhuurd aan de O.-I. Compagnie. In de buurt daarvan waren zeker wel verscheidene kroegen. Misschien ook ligt er nog eene hatelijkheid in de woorden van Ritsert: naast het Boshuys had men n.l. het Dolhuys. Dit lag tusschen het slachthuis der O.I. C. en de Spinhuissteeg. Zie Wagenaar II, 83.

Ien glaesjen geraept: ‘een graantje gepikt’: rapen in de meer algemeene beteekenis van ‘nemen’. Nog zeggen we een borrel opnemen, en vreugd rapen was in de 17e  eeuw zeer gewoon.

Keersmaekers (1956) annoteert (met voorbijgaan aan de woorden glaesjen…geraept) ‘Je bent niet goed wijs!’ Jansen (2004) sluit zich gedeeltelijk bij hem aan en biedt als verklaring ‘Je bent dronken en niet goed wijs’. Via Kruyskamp (1966) grijpt hij dus terug op de oude interpretatie van Leendertz dat er alcohol in het spel is. 

Op de keper beschouwd heeft Leendertz (met een omtrekkende beweging via ‘graantje’) de pregnante eigentijdse betekenis van ‘glaasje’ (glaasje = glaasje alcohol) voor ogen gehad, zoals ook wij nog zeggen: ‘een glaasje drinken’. Bij Leendertz’ luidt het immers: ‘Ien glaesjen geraept: ‘een graantje gepikt’: rapen in de meer algemeene beteekenis van ‘nemen’. Nog zeggen we een borrel opnemen (…)’.

Deze mededeling licht hij toe met de veronderstelling, dat in de buurt van het Boshuys ‘zeker wel verscheidene kroegen’ te vinden waren. Verscheidene kroegen, ja, maar die waren er op andere plaatsen in de stad vast ook. Waarom Ritsert nu juist dat boshuys noemt, blijft dus bij Leendertz eigenlijk in het ongewisse, terwijl dat feit toch niet zonder betekenis was. 

Keersmakers noemt dat feit wel: het Boshuys was: ‘in Hoofts tijd specerijpakhuis van de VOC’. Onvermeld laat hij echter de bijzondere betekenis daarvan: ‘een glaesjen raepen’ juist bij het Boshuis kon erg lucratief zijn doordat geurige en dure specerijen (peper of kaneel bijvoorbeeld) in glas bewaard werden. 

In dat licht moeten de woorden van Ritsert begrepen worden. Bij zijn tweede poging om te raden wat Lecker onder zijn mantel verbergt, duidt Ritsert iets aan wat in zijn tijd ongemeen duur was en waarop steeds meer ongehoorde winsten werden behaald. 

Naar Gaastra meedeelt, werden specerijen ca. 1620 (Warenar dateert van 1617) reeds voor een totaal van ƒ 760.000 (inkoopsprijs) aangevoerd. Tien jaar later was het bedrag van ƒ 1.500.000 al ruimschoots overschreden. Zie Gaastra 1991:  p. 133-139. En welk een winsten werden behaald! Van een stopfles, gevuld met nootmuskaat bijvoorbeeld was op enig moment de kostprijs 5 ct. per pond en verkoopwaarde tachtig maal zoveel: 4 gulden per pond. (Huidige geldwaarde: ca. € 65,-). Een winstpercentage van 4000 %! Kruidnagel wat minder: ‘slechts’ 1000 %. Ook met foelie en kaneel bereikte men fabelachtige winstpercentages. Kortom, specerijen waren – juist in het decennium dat de Warenar op het toneel kwam – nieuwe producten die voor de VOC meteen al zeer lucratief, en voor de afnemers erg duur waren. Geen wonder, dat de vondst van een potje met specerij voor een jongen als Lecker in de perceptie van Ritsert heel welkom zou zijn geweest.

 Die geurige specerijen konden alleen hun smaak en kracht behouden als ze bewaard werden in glas – nu nog steeds trouwens. En het is deze toegespitste betekenis van ‘glas’ die in Hoofts tijd heel gewoon was, namelijk fles, kolf. Zie WNT V, kol. 37, i.v. GLAS. Ritsert veronderstelt dus dat Lecker een dergelijk stopflesje bij het Boshuis gevonden en opgeraapt heeft. En als we die betekenis toekennen aan de zin Je hebt ien glaesjen by ‘tboshuys geraept, wordt de betekenisverschuiving van ‘rapen’ naar ‘nemen’ zoals Leendertz die toegepast heeft, volstrekt overbodig.

Het dramatisch aspect

Aan het begin van dit artikel is gesproken over het ontbreken van regieaanwijzingen omtrent mime, mine, pose en dictie als bron voor tegenstrijdige tekstuitleg. Natuurlijk hoeft dat niet altijd het geval te zijn; vaak is de bedoeling helemaal duidelijk en weet de regie heel goed hoe de mise-en-scène te regelen. 

Denk aan het onderbroken huwelijksaanzoek in het vierde toneel met het grappige commentaar op die onderbreking van Rijckert in vs. 324-329. Je ziet a.h.w. zijn verbijsterde gezicht voor je, als hij zegt: ‘tIs mit hem, nou siejeme, nou siejeme niet / Mit een wup is hy buyten, mit een wup is hy binnen.

Denk aan de ononderbroken opsomming van allerlei stadsnieuwtjes door roddeltantes vs. 684-753 met daarin de nagebauwde clausen van nuffige dametjes in vs. 684-691 en 701-704. Het is niet moeilijk zich hierbij een mise-en-scène voor te stellen waarbij de acteur die Rijckert vertolkt, met een aanstellerige houding en met een aanstellerig gezicht een aanstellerig ‘stemmetje’ opzet.

Maar bij vs. 1254-1256 is dat niet zo eenvoudig. Dat hier in het uiterst kort bestek van slechts drie versregels een emotioneel geladen en sterk beweeglijke scène op de planken wordt gebracht, blijft onduidelijk zolang het tweevoudige ‘jouwetje’ en het ‘glaesjen’ niet hun juiste betekenis krijgen. 

Er is in de drie versregels immers sprake van een toeneming in betekeniskracht, een climax in kostbaarheid. De twee veronderstellingen van Ritsert over een doosje met een snuisterij en een (stop)flesje met specerijen 

Je hebt ien doosjen evonden daer ien juweeltjen in is 

Je hebt ien glaesjen by ‘tboshuys geraept

vinden als vanzelf hun hoogtepunt in de triomfantelijke woorden van Lecker: 

‘Segt ien Pot mit gout!!’

Besluit

Dit alles leidt tot de volgende nieuwe interpretatie van Warenar vs. 1254-1256:

Ritsert: Je hebt een doosje met een snuisterij, nee met een speeltje gevonden.

Lecker: Ik noem het een geval van lekker-puh-foetsie, jawel “lekker-puh”.

Ritsert: Je hebt een stopflesje bij het specerijpakhuis gevonden en opgeraapt.

Lecker: Zeg liever: een pot met goud!