Top 40 van de Gouden Eeuw – 39b

Door Margot Kalse en Olga van Marion

Nederlanders zingen heel veel, niet alleen in kerken en koren, maar ook op feestjes, bij bruiloften en onder de douche. Dat doen ze al eeuwen. Wie verliefd of verlaten is zingt een popliedje, wie in nood is het Wilhelmus of een psalm, en wie een kind in slaap sust een wiegenlied. Een gouden tijd voor het Nederlandse lied is de periode van de late zestiende en de zeventiende eeuw, wanneer al die liedjes verzameld in liedbundeltjes op de markt komen, geschikt voor jong en oud. Muzieknotatie is niet nodig, want de boekjes bevatten contrafacten: teksten van liedjes met aanduiding van de bekende melodie waarop ze gezongen kunnen worden.
Voor de Top 40 van de Gouden Eeuw hebben we de veertig populairste melodieën uit de Nederlandse Liederenbank geselecteerd, die destijds in het Nederlandse taalgebied het meest gebruikt zijn. Bij deze melodieën hebben we mooie, ontroerende en verrassende liedteksten uit die tijd gezocht om Nederlandstaligen van nu in staat te stellen kennis te maken met de rijkdom van dit cultureel erfgoed. Iedereen kan nu met behulp van de muzieknotatie of de midi-files de liedjes leren zingen. Van tijd tot tijd zullen we een exemplaar uit de Top 40 publiceren, tot we bij de allerpopulairste melodie op nummer 1 zijn.
In het boekje waarin alle liedjes verschijnen, willen we uw commentaar graag verwerken.

Wel op myn luth

Psalmmelodieën waren in de Gouden Eeuw zeer bekend en geliefd, en er werden ook wereldlijke teksten op geschreven. Hoewel ‘Wel op myn luth’ een andere wijsaanduiding heeft, is het duidelijk op psalm 103 geschreven. Het heeft hetzelfde strofeschema 5a 5a 5B 5c 5c 5B én het is duidelijk ontleend aan het lied ‘Wel op mijn harp’ in Hymni ofte Loff-Sangen op de Christelijcke Feest-Dagen ende Ander-sins uit 1615, dat als wijsaanduiding heeft: ‘Op den 103.Psa.’ De tekst van ‘Wel op myn luth’ van een zekere ‘IVH’ is anders dan de vrolijke psalm een buitengewoon droevig liefdesliedje. Het komt voor in het vriendenboek van Aefgen Claesdochter van Giblant, die in de jaren 1598-1601 samen met haar vriendenkring een elegant bundeltje samenstelde met een groot aantal liedjes in verschillende talen. De transcriptie is van Willem Kuiper. Op enkele plaatsen hebben we de spelling y en ye voor i aangepast, waar niet meteen duidelijk is dat y (zoals in prynsesse en tyeranie) moet worden gezien als i (prinsesse en tirannie).

Een nieu lyedeken op de wyse Alsmen in deucht etc.

3. Myn hope sterft, wat wil ick meer verwachten
Troost en confoort dat my soude versaechten.
Vliet nu van my, vruecht in voorleden tyt,
Ick bem eylaes als de vertrede wormen
Of als een schep zonder mast inden stormen.
Dusent droefheyt doet my nu desen stryt.

4. Maer op wat ionst zoud ick myn hope strecken,
Myn schoone son siet men heel ver vertrecken
Met haer schoon licht dat my eer heeft verclaert.
In duysterheyt moet ick eylachen suechten;
Sorghe my quelt, ’t is al vreesen en duechten
Myn herten lust is met rauwe beswaert.

5. Haer fier ghelaet en haer wreet eerbaer wesen,
D’eerste blom vruecht van haer ionckheyt gepresen,
Haers herten licht met den vermeyllen mont,
Haer soeten sangh boven den nachter ghale,
Myns levens gheest, dit is noch prinsepale,
Wert my ontstolen, dies leef ick nu doorwondt.

6. O liefde blint, wel blent in al myn lyden,
Waerom moecht ick de kennis niet vermyden
Van haer schoonheyt, die ick doch derven moet?
Is’t om dat ick, dervende zulckx ghesiechte,
Levende doot zou blyven in ’t ghewichte?
Dat is gheen liefde maer tyeranie verwoet!

7. Doen ick met d’oogen de nimphe mocht ghenaken
Pine was vruecht, hoe wel dat my doorstaken
Haer pylen scherp van onderscheen viertuyt.
Laet Iupiter met al zyn bleyxem commen
Hoe groot ghewelt, ick zalder niet voor schroomen.
Can hy meer last op my nu ghieten uyt?

8. Den drouven dach dat zy my is ontvloden
Ick most doot zyn door die craecht vande goden.
Den gheest was wech, ‘t verstant al om beraest,
Want hadde ick dien schecht doen sien connen vliegen,
Het is alzoo, wat wil ick veele lieghen,
Ick wa[r]e ghestorven seven mael metter haest.

9. Nu ick maer leef in duyster naechten doodych
O ooghen twee, waertoe zyt ghy my noodych?
‘t Is al verdriet, ick en bem nerghens vry.
Ghehoor, eylaes, zult ghy my oock ghebreken?
Neen. ‘t Soet gheluyt haers monts hoor ick niet spreken,
Daerom vertreckt. Ghy hebdt oorloef van my.

Prynsesse

10. Gheluckych is voor d’amourues verstanden
Den voghel schoon van de Indysche landen;
Hy sterft en siet der sonne claerheyt groot.
Waerom ist dat ick ‘t leven zoo niet messe?
Ghewillych int ansien van myn prynsesse
Soude ick eylaes my gheven in de doot.

fynis 1599 truert met IVH

Wel opKom
luthluit
SinghtBezing
fortuynlot
claerhelder
vluechtvlucht
clergessegeleerde vrouw
beedbeide
uyt schietenuitstorten
immermeer zy vercortin elk geval korter wordt
fataels sustersschikgodinnen
datvoordat
verandert wordtzal eindigen
confoortbemoediging
bemben
vertredevertrapte
schepschip
Dusentlett. duizend, hier: zeer grote
ionstgoedgunstigheid
eervoorheen
verclaertverlicht
eylachenhelaas
myn herten lustde vreugde van mijn hart
wreetstreng
D’eerste blom vruecht van haer ionckheythet genot van haar jeugdige schoonheid
vermeyllenvermiljoen, rood
bovenmooier dan
prinsepalehet ergst
diesdaarom
wel blentstekeblind
dervenmissen
dervende zulckx ghesyechtehet zien daarvan missend
in ’t ghewichtezwaar belast
verwoetkrankzinnige
onderscheen viertuytuitmuntende deugd
schechtpijl (van Cupido)
doentoen
doodychals een dode
voor d’amourues verstandenin de ogen van verliefde geesten
Den voghel schoon van de Indysche landende paradijsvogel
messezou missen

Tekst uit: Aefgen Claesdochter van Giblant, Album amicorum (1598-1600), fol.65v. Handschrift Den Haag KB 135 K 36. Transcriptie in http://www.liederenbank.nl/text.php?recordid=27211&lan=nl
Melodie: Petrus Dathenus, De Psalmen Davids, Ende Ander Lofsanghen, Wt Den Francoyschen dichte in Nederlandschen overghesett, De welcke men voortaen in de Nederlandsche Ghemeynten ghebruycken zal (z.pl., 1566), Psalm CIII. https://books.google.nl/books?id=5ORNAAAAcAAJ (pdf p. 405-407)