Stille getuige

Wonen in gedichten (13)

Door Judit Gera
Dit gedicht is geschikt voor gevorderden
en hoort bij de categorie Stad en land,

In de serie Wonen in gedichten bespreekt Judit Gera, hoogleraar in Boedapest, gedichten uit de Nederlandstalige literatuur, ten behoeve van het onderwijs in de Neerlandistiek extra muros (buiten het taalgebied). Vandaag: ‘Uitzicht’, van Hanny Michaelis (1922-2007).

Uitzicht

Mijn wereld eindigt bij de populier
die staat te wuiven waar de weg begint,
tegen een stukje lichtblauw vloeipapier…
Dit alles doet mij denken aan het kind

dat uren op een stadsveranda stond
en uitkeek over haveloze tuinen,
terwijl zijn blik geen ander rustpunt vond
dan ’t schamel rijtje rafelige kruinen

van zes verwaaide bomen middenin
het triest patroon van schuttingen en was,
van vuilnis, kiezel en gehavend gras,
waarin het speurend zocht naar een begin,

een teken uit die wereld vol geheimen
die het voorbij de daken had geraden,
waarvan ’t bestaan zich nauwelijks liet rijmen
met schoorsteenpijpen en antennedraden…

Dat kind was ik. – Er gaat zich iets herhalen:
weer kijk ik hunkerend de vogels na
die in hun cirkelende vlucht bepalen
de kring der wereld waar ik buiten sta.

uit: Hanny Michaelis Klein voorspel, 1949

Gedichten van Hanny Michaelis (1922–2007) zijn vaak vol verdriet. Ze zijn echter nooit pathetisch. Verdriet wordt geconstateerd en met precisie omschreven. Daardoor is de diepte van dat verdriet nog meer voelbaar. Ze hanteert eenvoudige taal voor zware inhouden. Haar ouders werden in concentratiekamp Sobibor vermoord. Zij zelf moest onderduiken. Tussen 1948 en 1959 was ze getrouwd met de schrijver Gerard van het Reve (1923–2006) die er uiteindelijk voor koos om voor zijn homoseksualiteit uit te komen; het huwelijk werd ontbonden. Zij bleven goed bevriend met elkaar. In veel van Michaelis’ liefdesgedichten is een onbeantwoord verlangen naar de geliefde tot uitdrukking gebracht. 

In de eerste en laatste strofe is een volwassen lyrisch ik aan het woord die aan haar kindertijd terugdenkt die in de tussenliggende drie strofen aan de orde komt. Er is gekruist rijm in de eerste, tweede, vierde strofe en vijfde strofe. Omarmend rijm is er alleen in het midden van het gedicht, in de derde strofe. Het metrum is grotendeels jambisch, vooral in strofe één en vijf zijn hiervan afwijkingen. De rijmstructuur en de kwatrijnen getuigen van een uitgebalanceerde, klassieke vorm. Deze vorm is in overeenstemming met emoties die overal in toom gehouden worden. 

De titel heeft twee betekenissen. De eerste betreft het panorama dat iemand die van ver af naar de natuur kijkt voor zich ziet. Deze betekenis is neutraal; het heeft geen emotionele connotaties. De tweede betekenis houdt ‘hoop’, ‘kans’, ‘verwachting’ in. Deze tweede betekenis heeft wel met emoties te maken. Het is een toestand waarin iemand vertrouwen heeft op de vervolmaking van iets wat voorlopig nog niet bereikt is. Het kan zowel positieve als pijnlijke gevoelens impliceren. 

In het gedicht zijn de twee betekenissen van ‘uitzicht’ nauw met elkaar verbonden. Er is een uitzicht in de eerste betekenis waarvan de elementen zijn: de wuivende populier aan het begin van de weg tegen een stukje blauwe lucht, haveloze tuinen, rafelige kruinen van zes verwaaide bomen, schuttingen, was, vuilnis, kiezel, gras, daken, schoorsteenpijpen, antennedraden, vogels. Al deze elementen worden door het lyrische ik waargenomen. Het lyrische ik in de eerste strofe is een volwassene die eerst in die hoedanigheid naar het uitzicht kijkt om daarna vanaf strofe twee als kind naar een ander uitzicht te kijken. Het is een ingebedde focalisatie: het perspectief van het kind wordt in dat van de volwassene ingebed. In de laatste strofe wordt geconstateerd dat de volwassene en het kind dezelfde persoon zijn. Het kind leeft in de herinnering van de volwassene. De emoties ontstaan door de spanning tussen wat de volwassene en wat het kind ziet. Er is sprake van een beladen herinneringsproces.

De eerste regel ‘Mijn wereld eindigt bij de populier’ roept een associatie op met ‘Herinnering aan Holland’ van Hendrik Marsman. Daar eindigt de wereld niet bij de populieren, maar gaat juist open en biedt een breed panorama waarover de blik ongehinderd en vrij kan strijken. Hier is sprake van ‘mijn wereld’ die meteen bij de eerste boom – een populier – eindigt. Die boom staat echter aan het begin van de weg te wuiven.  In strofe één lijkt het tot het eind van regel twee alsof het lyrische ik uit het raam kijkt. In regel drie wordt deze werkelijkheidsillusie verstoord door het noemen van lichtblauw vloeipapier. Nu krijgt de lezer de indruk alsof het lyrische ik naar een landschap op een schilderij kijkt, een aquarel aan de muur. Of het kijkt naar een innerlijk landschap.  Hoe dan ook is het kijken naar dit landschap het begin van een herinneringsproces. Vloeipapier heeft hoog absorptievermogen net als herinnering. Absorptie betekent onder andere: binding van twee stoffen, intrekking, opzuiging, opneming, opslorping. Al wat in de volgende drie strofen door het kind gezien wordt, wordt als het ware geabsorbeerd door de volwassene uit de eerste strofe.

Vanaf strofe twee wordt er vanaf een stadsveranda op verwaarloosde, armetierige dingen uitgekeken: de tuinen zijn haveloos, de kruinen van de bomen die in een schamel rijtje staan zijn rafelig, de schuttingen vormen een triest patroon, er is vuilnis, het gras is gehavend. Door de zelfstandige naamwoorden en de adjectieven voelt het aan als een arme, lege, trieste wijk. Zou dit het uitzicht kunnen zijn waar het kind Michaelis op uitkeek vanuit het ouderlijk huis? Ze woonde met haar ouders aan de rand van Amsterdam op de Rivierenlaan met uitzicht op de Amstel. Het kind uit de derde strofe speurt naar ‘een begin’. Is dit een onbepaald, nog niet belemmerd ‘begin’, een variant op ‘het begin’ waar de wereld van het lyrische ik uit de eerste strofe al beëindigd werd? Strofe drie krijgt een zekere nadruk door het omarmend rijm. In de vierde strofe wordt ‘een begin’ uitgelegd als ‘een teken uit die wereld vol geheimen/die het voorbij de daken had geraden’. Hier wordt het toekomstkarakter van die wereld benadrukt: het is vol geheimen, een veelbelovende wereld. Het hoop-element komt naar voren. Jonge mensen kijken immers vol hoop naar hun toekomst die zich nog niet laat raden. Die wereld staat in schrille tegenstelling met ‘schoorsteenpijpen en antennedraden…’. De vraag is of deze schoorsteenpijpen en antennedraden bij de wereld van het volwassen of het jeugdige ik behoren. Als het gedicht biografisch gelezen wordt, dan hoort het bij de wereld van de volwassene. In de vroege jeugd van Michaelis bestonden er immers nog geen antennedraden. De dubbele binding, de onzekere tijdbepaling van de regel doet weer denken aan absorptie: de wereld van het kind wordt als het ware geabsorbeerd in die van de volwassene. Herinnering zweeft tussen heden en verleden.

In de laatste strofe komt de conclusie: ‘Dat kind was ik’. Het volwassen ik herkent een herhaling. Die herhaling manifesteert zich wat de vorm betreft in de antimetrie die zowel in de eerste als in de laatste strofe aanwezig is. Maar de herhaling heeft ook een inhoudelijk element. Het blijkt uit een oud-nieuw kijken. ‘Hunkerend’ correspondeert met ‘speurend’, ‘cirkelende’ en ‘kring’ corresponderen als het ware met het opgesloten zijn van het kind. Terwijl vogels vaak met vrijheid geassocieerd worden, bakenen ze hier met hun cirkelende vlucht de wereld af waar het lyrische ik buiten staat. Wat de volwassene in dit leven nog rest is ‘hunkerend kijken’. 

Die hunkering, het verlangen naar een gelukkig leven, is een terugkerend element in de poëzie van Michaelis. Als je ouders in de oorlog in Sobibor omgekomen zijn en je hebt je jeugd in oorlogstijd moeten doormaken dan komt je ‘uitzicht’ er anders uit te zien. In mijn lezing spreekt het gedicht niet expliciet over de Tweede Wereldoorlog, maar het is er een stille getuige van. Niet voor niets draagt de tweede bundel van haar oorlogsdagboek de titel: De wereld waar ik buiten sta.

Illustratie: Robert Kruzdlo