Nil Volentibus Arduum: vijf huwelijken, zes getuigen

Door Ton Harmsen

Op het toneel is dramatische ironie een plezier voor de toeschouwer. Als Gysbreght denkt dat het hemelse gerecht zich heeft ontfermd over hem en zijn benauwde veste weten wij dat het Trojaanse turfschip voor de poort ligt te wachten. De toeschouwer heeft een voorsprong op het personage. Het omgekeerde is een spannende ervaring: een speler doet of zegt iets dat de toeschouwer absurd en krankzinnig voorkomt, maar het blijkt een geniale zet te zijn. Dit doet zich voor in De wanhébbelyke liefde, een originele klucht die het Amsterdamse kunstgenootschap Nil Volentibus Arduum in 1678 op de planken bracht. Een bekend motief in kluchten is dat een jongen en een meisje op elkaar verliefd worden tot ontzetting van de wederzijdse ouders; zijn knecht en haar dienstmaagd bedenken dan een riskant plan dat goed uitpakt en tot slot treden niet alleen de geliefden maar ook de bediendes in het huwelijk. Er zijn allerlei varianten, maar in dit stuk gaat het anders.

Het begint zo gewoon: Hendrik en Lucia zijn verliefd, maar haar moeder (Geertruij, een weduwe) verbiedt Lucia met Hendrik te trouwen, anders onterft ze haar. Hendrik wil nu dat zijn vader (Joost, een weduwnaar) zijn zaak bij Geertruij gaat bepleiten. Als Hendrik uitlegt dat Lucia’s moeder haar niets wil meegeven, vat Joost dat onbekommerd op, maar als hij geïnformeerd is over Lucia’s vaderlijk erfdeel begint hij te steigeren. In zijn Hollandse zuinigheid is hij zeer op een bruidsschat gesteld, en tot zijn ontzetting blijkt dat de onwillige weduwe op huwelijkse voorwaarden met een arme knecht getrouwd was:

Joost. ’t Vaders goet kanz’ er dóchter ommers niet onthouwen.
Hendrik. Zo is ’t Vader; maar zo we anders niet hébben zouwen,
Zou ’t sober omkomen; want haar man was eerst haar knécht
Die ze daar na trouwde. Joost. Is ’t de waarheid, datje me zégt?
Hendrik. Ja Vader, en in ’t huuwelyks kontrakt wierd beslooten
Geen goederen noch winst gemeen, én dat hy voor zyn koten
Maar vyf honderd pondt in gebrógt had, niet meêr
Is nu haar Vaders goed. Joost. Wél Héndrik, hébje geen eer
In je lyf? jy na de dóchter van een knécht te kyken,
Een kaale schóft, én licht een knoet, een poep, óf zyns gelyken?
Dénkje niet omje vrinden, én jou kóstelyk geslacht?
En hébje geen schaamt, dat jy dat zo weinig acht?
Een kaalvinks dóchter! een kaalvinks dóchter! ’k stóp myn ooren.
Neen, dat ’s óf, dat ’s óf, zwyg, zwyg; ik wil ’er niet na horen.
(vss. 24-34)

Het rare is dat Geertruij duidelijk dol is op Hendrik en toch weigert te vertellen waarom ze zich zo halsstarrig tegen hem kant. Hendriks vader besluit dan toch maar eens bij de weduwe aan te kloppen. Hij treft haar niet thuis, haar dochter staat hem te woord. Als hij Lucia ziet overkomt Joost een coup de foudre:

Joost. Goeden dag, dóchter, kan ik Juffrou Geertruij niet spreeken?
Lucia. Neen, moeder is niet in. Joost. ,,Héndrik heeft wél uitgekeeken.
,,Wat brust me die jongen! Wat zeg je, is moeder niet in.
Lucia. Neen, maar zy zal straks weêr t’huis zyn. Joost. Ia wél, na myn zin
Is ’er geen mooijer Engeltjen op de waereld geboren.
Lucia. Wat praat je by jou zélf, bén je moeijelik [ontstemd], dat je een verlooren
Gang gedaan hebt? wacht maar een oogenblik, myn heer.
Zy kan niet uitblyven; binnen een kwartier is ze hier weêr.
Joost. Dat ’s een middeltje! dat ’s een montje! dat zyn oogen!
Lucia. Wat schort ’er, myn heer? Joost. Och, die dat meisjen eens zou moogen?
Ia wél, was ’t myn zoons liefste niet. Lucia. Wat praat je by jou zélven al?
Joost. Ik zég, dat ik wat by jou praaten, én jou moeder wachten zal.
(vss. 113-124)

Joost weet zich te beheersen; als een man van eer vertelt hij haar wat zijn boodschap is:

Joost. Dat ik jou moeder ééns aanspreeken zou, óf ’t haar geviel
Een eind van dit vrijen te maaken, én dat kwam ik ’er vraagen.
Lucia. Dan is uw boodschap al gedaan, én uw zoon afgeslagen.
Joost. Hoe dat zo? Lucia. Ik zég, indien ’t aan myn moeder mogt staan,
Want zy heeft deze morgen zeer tégen my aangegaan,
Hoog gezeid, én gezwooren, zy zou me niet een speld meê geeven
Zo ik met Héndrik trouwen wou, ja zy zou ’t haar leeven
Niet toelaaten, zo lang als zy het maar belétten kon,
En ze gaf geen réden ter waereld, als haar wil; ’k begon
Moeijelik te worden, én sei, dat uw zoon my zeer vereerde
Met zyn aanzoek, én vraagde, waarom zy ’t niet begeerde?
Maar zy gebood me kórt te zwygen, én zwoer met één,
Dat zy eêr stérven zou, als my met hém in ’t huuwelik te zien treên.
Joost. Maar behaagt hy jou wél? Lucia. Zou hy me niet behaagen?
Geen braaver jongman, als hém, zag ik van al myn daagen.
Wou jy hém maar tien duizend pond meê geeven, myn heer,
Dat we met gemak leeven konden, geen geluk begeerde ik meêr,
Als dat ik zyn vrouw tégen óf mét moeders wil mogt raaken.
(vss. 113-148)

Deze reactie van het verliefde meisje is verbluffend. Zij legt zich zomaar neer bij de beslissing van haar moeder, en voegt daaraan toe dat zij voor een ruime bruidsprijs ook zonder moeders toestemming wil trouwen. Zij spreekt over het huwelijk op de toon van een makelaar. Zoveel geld wil Joost aan Hendrik niet meegeven (na zijn zoon houdt hij het meest van geld) maar hij biedt Lucia zichzelf aan als echtgenoot. En zij, aangezet door haar moeders redeloze houding, accepteert hem:

Lucia. Want nu moeder my aan uw zoon Héndrik niet geeven wil,
Zal zy my haar leeven niet besteeden; en dat wékt een gril
In myn zinnen, dat ik veelen kan, nóch verdraagen.
(vss. 175-177)

Een dergelijke wending à la minute in een jong verliefd meisje hebben we, zeker op het kluchttoneel, niet eerder gezien. Meteen worden de ringen uitgewisseld, die bindend gelden als trouwbelofte.

Het derde stel in dit stuk vormen Adriaan en Agniet. Hij is een neef van Joost en vrijer van Agniet, zij vrijster van Adriaan en een nicht van Geertruij. De twee komen op om het huwelijk van Hendrik en Lucia te helpen bespoedigen. Onafhankelijk van elkaar krijgt Adriaan van zijn oom Joost te horen dat hij de rol van vrijer van zijn zoon heeft overgenomen, en Geertrui laat zich tegen haar nichtje Agniet de werkelijke reden van haar afwijzing ontsnappen: zij is zelf smoorverliefd op de vrijer van haar dochter. Daarmee is een situatie ontstaan die hopeloos lijkt. Als Hendrik het te horen krijgt reageert hij heel anders dan zijn meisje: hij is ontzet.

Hendrik. ’k Ben uw dienaar, Juffrouw Agniet. d’Uwe van gelyken
Kozyn Adriaan. Hoe sta je me beij zo aan te kyken? Is ’t aan, óf af?
Adriaan. Slimmer, als af. Hendrik. Waarom? hoe dat?
Adriaan. Je hébt jou leeven geen wonderlyker tyding gehad?
Agniet. De myne is ongeloovfelik. Adriaan. De myne buiten gedachten.
Hendrik. Jy geeft me duizend doodsteeken. Aij, doet me tóch niet wachten.
Agniet. Wél jou liefstes moeder is op jou verliefd. Hendrik. Die Totebél
Op myn verlieft! wat komt my over? óch, ’k dócht het wél,
Dat ’er iets schuilen moest, dat ik niet kon begrypen.
O hémel, wat raad? Adriaan. Myn tyding zal je nóch wel anders nypen.
Hendrik. Kan my grooter ramp overkomen, kozyn Adriaan?
Ik weet, dat ze me nu haar dóchter nooit toe zal staan.
Adriaan. Al stond ze jou haar dóchter toe, ’t zou je niet baaten.
Hendrik. Ik verzoék niet meêr; wou ze me dat maar toelaaten,
Ze mogt me beminnen, zo lang ze wilde. Adriaan. Met één woordt,
Haar dóchter heeft zich verloofd. Hendrik. Zwyg Kozyn, óch, jy vermoordt,
Jy vermoordt me. Verloofd! maar aan wie doch? doet het me weeten.
Kén ik hém? Adriaan. Ja, zo wél, als u zélf. Hendrik. Hoe is hy geheeten?
Adriaan. Jy noemt hém Vader. Hendrik. Myn Vader aan Lucia verloofd?
Hémel, én hél, staat by. (vss. 353-371)

Adriaan weet hem te sussen, en Agniet komt met een inventief plan: Hendrik moet ingaan op de avances van zijn beoogde schoonmoeder. Dan zal Joost met Hendriks stiefdochter trouwen, en Geertrui met de vader van haar man. Probeer dat maar eens uit te tekenen. Hendrik kan zijn oren niet geloven, maar hij laat zich overtuigen want deze constructie is zo uitzonderlijk en verwarrend dat de burgerlijke stand en de eer van de familie er wel een stokje voor zullen steken. En daarmee blijkt de krankzinnige gril van Lucia in een inventief uitgedacht plan te passen. We kunnen niet uitmaken wat haar bewogen heeft, maar je zou werkelijk denken dat ze deze door Agniet bedachte patstelling heeft voorzien, misschien zelf al heeft bedacht. Hoe dan ook, het plan wordt uitgevoerd: Hendrik klopt aan bij Geertruij die haar geluk niet op kan:

Geertruij. Ook zulje alles hébben, watje maar wilt bedingen
In ’t huwelyks kontrakt; want jy zult ’er meê omspringen
Na jou lust, én zinnelykheid, daarom zie, wat je begeert.
Hendrik. Niet, als dat je déze ring neemt, én my d’uwe vereert,
Wél verstaande op trouw; én om ’t kontrakt te doen beschryven.
Zal ik dan voort gaan, en pas een ommezien uitblyven.
Geertruij. Daar is myn ring, geef me de jouwe nou, én een zoentje toe.
Hendrik. Neen, daar, neemze maar zonder die sirkomstantien. Geertruij. Wél hoe,
Als men malkanderen trouw geeft, zoumen dan niet iens kussen?
Hendrik. ’t Zal daar nae béter val hébben. Geertruij. Jy wilt zéggen tusschen
De witte lakens. Jy hébt gelyk ook. (vss. 433-443a)

Adriaan spreekt inmiddels Joost, die de woede van zijn zoon vreest. Pesterig houdt Adriaan hem nog even aan het lijntje:

Adriaan. Och, Kozyn, zou Héndrik
Kwaat zyn, neen, gantsch niet, hy is wonderlyk wél in zyn schik.
Joost. Is ’t wél moogelyk! dat is me zéker lief te hooren.
O, ’t is een vroom kind! nooit heeft hy me gezócht te verstooren.
Ia geen vader op de waereld heeft sulk een geschikte zoon.
Adriaan. Ik bekén het. Maar hy wénschte wél, dat jy tot loon
Van zyn geschiktheid hém toe woud laaten te trouwen
Die hy wilde; want hy is ’er door zyn woord aangehouwen.
Hy heeft zich zo straks verloofd, én bad me, dat ik ’t je bidden zou.
En daarom ging hy wég. Joost. Verloofd! maar is ’t ook een ryke vrouw?
Adriaan. Zy heeft wél anderhalve tonnegouds. Joost. Wélk een wysheid
In een jonge bloem! ja wél, hy beschaamt myn oude grysheid.
Adriaan. Maar ’t is een wéduw mét een kind. Joost. Wat schaadt dat?
’t Géld maakt ’et goed. Adriaan. Ook is ze al vry bejaard. Joost. Wat, wat,
Te meêr weet ze van huishouwen. Ik mérk de kneepen.
Ik wist niet, waarom hy me by zyn liefstes moeder wou sleepen,
Hy wou licht aan, óf af wezen, omdat hy op dit verlooven stond,
Na ik nu zie. Wél, wat doet hy alles op een goede grond!
’k Verblyme zulk een kind te hébben; want ik had geen vreezen,
Als dat hy d’eenige sporling [obstakel] in myn huwelyk zou wezen:
Maar zo ik het wénsch, én begeer, valt alle dingen uit.
Zéker, ’t is een vroom jongman. Maar wie is doch zyn bruid?
Adriaan. Uw bruids moeder. Joost. Die fielt, wat heeft hy daar begonnen?
Adriaan. ’t Was straks zulk een vroom jongman. (vss. 467b-490)

En dan staan ze alle zes op het toneel, en dringt het tot Joost en Geertruij door dat hun voornemens onmogelijk zijn. Alle verhoudingen zouden door elkaar worden geschud: wie is de vader, wie is de zoon? Adriaan voorspelt bovendien dat ze ‘steêkind’ zullen worden, dat wil zeggen onder curatele van het stadsbestuur zullen komen te staan, en dat de hele familie zich walgend van hen zal afwenden. Dan zien de oudelui zich gedwongen hun plannen in te trekken. En vinden dan zelf een zeer charmante oplossing voor hun trouwlust:

Joost. Wél Kozyn, dan sta ik ook óf, zo dat zo jou meening is. Adriaan. En jy, Juffrouw Geertruij. Geertruij. Moet ik niet wél, al woud ik niet willen?
Maar wat raed is ’er nou om die brand te koelen, én te stillen,
Die die échte opréchte liefde ontsteeken heeft in myn bloed?
Joost. En hoe maak ik het tóch, ik bén ook al vry heet gebroed.
Adriaan. Hoor Juffrou, wyl jy nóch moed hébt zo een jong kwant te behaagen,
En Kozyn, gy ’t ook mét een meisje van twintig jaaren durft waagen,
Zo zoudt gy malkanderen wél passen, én gy kondt uw vuur van stroo
Eens hélder doen op branden. Daarom, vrinden, verstaat gy ’t zo,
Trouwt gy luiden malkander, én laat Héndrik mét Lucytje paaren.
Joost. Wél zie daar, ik bén te vréden, zo ’t Geertruij doen wil. Geertruij. Garen;
Want ik zie wél, dat ’er veur myn anders niet van vallen zel?
Adriaan. En gy Lucytje? Lucia. ’k Ben te vréden. Adriaan. Hoe gy Héndrik? Hendrik. Wonder wél.
(vss. 620-632)

En zoals het in een echte klucht hoort komt er nog een extra huwelijk, want voor Agniet en Adriaan is nu ook de kogel door de kerk:

Agniet. Wél Adriaan, jy kunt mét huuwelyk maaken omspringen.
Adriaan. Dat wy ’t dérde paar maakten, én meê voor de Roôdeur gingen?
Wy zouden malkanders getuigen weezen, én ’t zou met een
Kósten, én moeiten deurgaan. Agniet. Daar is myn hand, ik bén ’er meê te vreên.
(vss. 633-636)

Daarmee eindigt een uitzonderlijke klucht, waarin een uitzichtloos liefdesprobleem wordt gecreëerd en vervolgens opgelost door een zuiver rationele ingreep. Het moet een groot plezier zijn geweest voor de leden van Nil om deze zelfoplossende puzzel in elkaar te zetten. In mijn volgende column laat ik weten hoe zij er naar mijn mening toe kwamen deze constructie te verzinnen. De wanhébbelyke liefde is op de website van de opleiding Nederlands in Leiden te lezen bij Ceneton.