‘Koppige Klaas’ (1858)

Illustratie van J. Norweb/ John Browne uit de eerste editie van Stoute Kinderen voor Zoete Kinderen (1858).

Jeugdverhalen over joden (100)

Door Ewoud Sanders

Auteur: John Browne (1823-1901), onder het pseudoniem J. Norweb

In het jeugdboek Stoute Kinderen voor Zoete Kinderen, waarvan de eerste druk verscheen in 1858, ondervinden zeven kinderen hoe relatief onschuldige overtredingen gevolgen kunnen hebben die even radicaal als absurd zijn. Zo valt bij ‘Jantje Pulkneus’ zijn neus eraf omdat hij niet wil stoppen met neuspeuteren. ‘Gerrit de leugenaar’ krijgt de pokken van het jokken, ‘Mietje met het mes’ snijdt zichzelf per ongeluk helemaal doormidden, en zo verder.

   De waarschuwingen zijn vervat in rijk geïllustreerde verzen.

Hieronder volgen we ‘Koppige Klaas’, die al een paar dagen weigert zijn peentjes op te eten. Zijn vader zegt:

‘Ik zal het u nu niet meer vragen,
En maak me ook niet meer kwaad;
Maar,… komt de kleêrejood voorbij,
Dan gaat de voordeur open…
Ik roep hem in, geloof me vrij,
En zal hem u verkoopen.’

Klaas blijft echter weigeren om peentjes te eten en juist op dat moment ‘komt de jood weêr aan’.

De vader roept: ‘Kom binnen baas,
Die knaap moet hier van daan!’
‘Best’ zegt de jood en pakt hem beet,
Pa houdt den zak vast open,
Klaas zit er in, eer hij het weet,
En ’t mousje gaat aan ’t loopen.

Illustratie van J. Norweb/ John Browne uit de eerste editie van Stoute Kinderen voor Zoete Kinderen (1858).

En of hij schreeuwt en of hij pruilt,
De jood stapt haastig voort,
En of hij woelt en of hij huilt,
Hij doet of hij ’t niet hoort.
Maar eindlijk is het joodje moê;
(’t Was ook zoo’n zware knaap.)

Illustratie van J. Norweb/ John Browne uit de eerste editie van Stoute Kinderen voor Zoete Kinderen (1858).

De klerenjood zet de zak neer en valt in slaap. Met veel moeite weet Klaasje zich te bevrijden. Hij rent naar huis en vraagt zijn vader om vergiffenis.

‘Welnu’, zegt Pa, ‘ik wil ’t vergeven
Voor dezen keer;
Maar ’k bid u, doe het van uw leven
Ook nimmer meer!’

Moraal:

Klaas at zijn peentjes gaauw en goed,
En werd als suiker wel zoo zoet!

Herkomst en drukgeschiedenis

Stoute Kinderen voor Zoete Kinderen is geschreven en van illustraties voorzien door John Browne. Hij was mede-eigenaar van Browne & Heine, een bedrijf voor suikerraffinadeurs in de zijn geboortestad Rotterdam. Hij publiceerde onder het pseudoniem J. Norweb, een anagram van Browne. In oktober 1858 verschenen bij de Rotterdamse uitgeverij H. Nijgh vrijwel gelijktijdig de enige twee boeken hij zou publiceren.

Extravagances d’une plume dédiées aux amateurs de l’opéra bevat twaalf karikaturale scènes uit bekende opera’s, met als eerste ‘La Juive’ (De Jodin) van J. Fromental Halévy. De Nieuwe Rotterdamsche Courant noemde dit boek op 14 oktober 1858 ‘een werk, dat op de tafel van elken salon behoort te verschijnen en daar zijne plaats tusschen de uitheemsche werken van dien aard op hoogst waardige wijze zal bekleeden’.

Spotprent van Norweb over de opera La Juive van Fromental Halévy, in Extravagances d’une plume dédiées aux amateurs de l’opéra (1858).

Stoute Kinderen voor Zoete Kinderen verscheen eveneens in oktober 1858. Het werd met evenveel enthousiasme ontvangen, althans in de Nederlandse pers (zie hieronder). Voor dit boek had Browne zich laten inspireren door een Duits jeugdboek dat in 1845 was verschenen en dat sindsdien in vele talen herdruk na herdruk beleefde, namelijk Der Struwwelpeter van de Duitse artsHeinrich Hoffmann (1809-1894).

In Der Struwwelpeter, in Nederland bekend geworden als Piet de Smeerpoets, introduceerde Hoffmann het concept van buitensporige repercussies voor relatief milde overtredingen. Zo laat hij ‘Suppen-Kaspar’, een jongen die plotseling weigert zijn soep op te eten, binnen vier dagen veranderen van een dikkerdje in een bonenstaak – waarna hij sterft.

Navolgingen van Der Struwwelpeter worden in de vakliteratuur Struwwelpetriaden genoemd. Norwebs Stoute Kinderen voor Zoete Kinderen wordt beschouwd als een van de beste Nederlandse Struwwelpetriaden. P.J. Buijnsters en Leontine Buijnsters-Smets noemen het in Lust en Leering een ‘hoogst vermakelijke bundel’. ‘De bijzonderste kwaliteit van Norwebs Stoute Kinderen voor Zoete Kinderen’, schrijven zij, ‘is misschien wel het gewone, natuurlijke taalgebruik: hier geen sprake van kreupel Nederlands of van een stijve boekentaal die zoveel negentiende-eeuwse boeken ongenietbaar maakt.’ Zij beschouwen Norwebs ‘Koppige Klaas’ als een variant op Hoffmanns ‘Suppen-Kaspar’.

Van Stoute Kinderen voor Zoete Kinderen verschenen drie edities: in 1858, 1874 en 1891. De tweede editie verscheen bij H.A.M. Roelants in Schiedam, de derde bij diens zoon Adriaan Roelants, eveneens in Schiedam.

Overlijdensadvertentie van John Browne in het dagblad Tubantia van 26-6-1901.

Waarom Browne/ Norweb na 1858 geen boeken meer heeft gepubliceerd, is niet bekend. Hij werkte nog wel enkele jaren mee aan het Humoristisch Album, een satirisch tijdschrift van uitgeverij H. Nijgh. In 1996 wees Frits Booy er in een artikel op dat in de tweede en derde druk van Stoute Kinderen voor Zoete Kinderen de tekeningen niet van de hand van Norweb zijn. Wel beelden ze dezelfde scènes uit als in de eerste druk. Hier de illustraties bij ‘Koppige Klaas’ uit de tweede editie.

Een zogenoemde ‘composiete afbeelding’, waarbij verschillende momenten in één plaat zijn samengebracht, van een onbekende illustrator uit de tweede editie van Stoute Kinderen voor Zoete Kinderen (1874).

Arie van den Berg typeerde Norwebs ‘klerenjood’ in 1989 in Van binnen moet je wezen als ‘een humoristisch bedoelde, maar in onze ogen antisemitisch getekende voddenkoper’. Hij wijst erop dat de joodse straathandelaar hier een vertrouwde rol krijgt toebedeeld, namelijk die van ‘kinderschrik’ – een boeman om ondeugende kinderen schrik mee aan te jagen, dan wel in het gareel te houden. Frits Booy schreef in 1996 over de joodse straathandelaar: ‘De voddenman wordt hier op onmiskenbaar antisemitische wijze in prent en tekst weergegeven.’

Tekstvarianten

In de tekst zijn in de tweede editie kleine wijzigingen aangebracht die zijn gehandhaafd in de derde editie. Hierdoor is bij ‘Koppige Klaas’ het ‘antisemitische element uit de tekst verdwenen’, aldus Booy. Het gaat om wijzigingen in drie zinnen. Staat er in de druk uit 1858 ‘Juist komt de jood weêr aan!’, in 1874 is dit gewijzigd in: ‘Juist komt de koopman aan!’ De zin ‘En ’t mousje gaat aan ’t loopen’, is gewijzigd in: ‘Is men met hem aan ’t loopen’. En ‘Maar eindlijk is het joodje moê’, is veranderd in: ‘Maar eindlijk is de koopman moê’. Kortom: de jood, het mousje en het joodje zijn vervangen door neutralere woorden.

Tekeningen van een onbekende illustrator bij ‘Koppige Klaas’ uit de derde editie van Stoute Kinderen voor Zoete Kinderen (1891).

De oplagen

Van slechts weinig (jeugd)boeken uit de 18de en 19de eeuw zijn de oplagecijfers bekend, maar de eerste oplage van Stoute Kinderen voor Zoete Kinderen bedroeg drieduizend exemplaren. Dat weten we dankzij een conflict tussen uitgeverij H. Nijgh en P.W.M. Trap, een steendrukker uit Leiden die de illustraties drukte voor deze editie. In februari 1858 gaf Nijgh aan Trap de opdracht om drieduizend boeken ‘kant en klaar’ af te leveren, en wel in drie porties: duizend eind april, duizend eind mei en duizend eind juni. Toen Nijgh begin juni nog niets had ontvangen, zo reconstrueerde hij in 1860 in het Nieuwsblad voor den boekhandel, verzocht hij Trap om zelf een nieuwe planning te maken. Trap beloofde tussen eind augustus en eind november 1858 drie porties van duizend exemplaren te leveren, maar de eerste portie kwam drie weken te laat en de laatste duizend boeken werden pas in maart 1859 geleverd. Voor het niet nakomen van zijn afspraken moest Trap eigenlijk een boete van 1400 gulden betalen, maar in zijn stuk in het Nieuwsblad voor den boekhandel schrijft Nijgh: ‘Ik dacht er nimmer aan dit bedrag te vorderen’. Na een nieuwe slechte ervaring met Trap verbrak Nijgh de samenwerking.

In welke oplagen de tweede en derde editie zijn gedrukt, is niet bekend. De derde verscheen begin 1891, maar lijkt niet erg succesvol te zijn geweest. Eind 1891 meldde het Nieuwsblad voor den boekhandel dat bij een veiling van fondsartikelen 2375 exemplaren waren overgenomen door de gebroeders Koster. In de jaren daarna probeerden zij dit jeugdboek in tal van advertenties aan de man te brengen, met teksten als ‘het wereldberoemde Prentenboek Stoute Kinderen voor Zoete Kinderen’ en ‘Ieder Nederlander kent het groote Kinder-Prentenboek Stoute Kinderen voor Zoete Kinderen door J. Norweb’. Bij een fondsveiling in 1899 bleken er echter nog 670 exemplaren over te zijn.

Doelgroep en receptie

Advertentie uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 15-11-1858.

Uitgeverij Nijgh presenteerde Stoute Kinderen voor Zoete Kinderen als een sinterklaasgeschenk, een ‘waar pracht-album voor de jeugd’.

Van dit boek heb ik drie besprekingen gevonden. De Nieuwe Rotterdamsche Courant verwees op 4 december 1858 naar de eerdere bespreking van Norwebs Extravagances d’une plume dédiées aux amateurs de l’opéra. ‘Hebben wij onlangs melding gemaakt’, aldus dit dagblad, ‘van een geheel nieuw en volgens de critiek van bevoegde beoordeelaars, geniaal teekenwerk van iemand, die zijne oorspronkelijke producten onder den pseudoniem van J. Norweb aanbiedt, zoo kunnen wij thans niet nalaten de aandacht onzer lezers te vestigen op een niet minder talentvol plaatwerk van dezelfde hand, onder den titel: Stoute Kinderen voor Zoete Kinderen (…). Niet alleen toch, dat de daarin geleverde keurig uitgevoerde en zuiver gekleurde schetsen hoogst welkom moeten zijn in iederen beschaafden kring, waar men de kleinen, om een gunstiger invloed op de vorming van hunnen smaak uit te oefenen, bij voorkeur de meest moderne en elegante prentwerkjes in handen geeft, maar tevens zijn ook de daarbij gevoegde lieve versjes van dien aard, dat zij door de kinderen met graagte zullen gelezen worden, zoodat het werk zich bijzonder aanbeveelt als een waardig cadeau ter gelegenheid van het aanstaande Sint-Nicolaasfeest.’

Dezelfde tekst verscheen in het Algemeen Handelsblad.

In de Java-Bode werd Stoute Kinderen voor Zoete Kinderen pas in augustus 1859 besproken, samen met enkele andere jeugdboeken, in een ingezonden, niet ondertekende ‘boekbeschouwing’. Na een korte typering van de inhoud oordeelde de recensent: ‘Het walgt ons verder te gaan. De vorm is aan den inhoud geëvenredigd, en de prenten wanstaltige karikaturen, die afkeer verwekken. Schande voor den jammerlijken pruldichter, een dergelijk vod te schrijven, maar schande ook voor den uitgever, op deze wijze mede te werken tot bederving der jeugd. Meent men daarmee haar te amuseren? Ja, zij vermaakt er zich mee, maar leert het zoo ongevoelig met de ondeugd doen, en op deze wijze wordt de grond bereid, waarop naderhand verdorven Fransche romanlectuur gretig kan opgroeijen.’

De recensie eindigt met deze oproep: ‘Zulk onkruid wordt ons hier uit het moederland gezonden ter vergiftiging onzer kinderen. (…) De kritiek moet ze verpletteren, en de boekhandel zelf haar helpen. Niemand moest dergelijke prullen in zijn winkelkast dulden, veel minder ze ten verkoop aanbieden. Die ze zoekt te verspreiden, maakt zich even schuldig als die ze uitgeeft. Hopen we, dat deze vodden spoedig mogen wezen waar ze behooren, en dat wij nimmer weer genoodzaakt mogen wezen, een letter op het papier te brengen ter afkeuring van dergelijk onkruid.’