Het verloren boek van een mislukte auteur

Door Riet Schenkeveld- van der Dussen

In mijn bibliotheek staat al jaren een achttiende-eeuws boek met op de Franse titel De vruchten mijner eenzaamheid. De echte titelpagina ontbreekt en zodoende is er ook geen auteur, jaartal of uitgever bekend. Vroegere eigenaars veronderstelden dat Bilderdijk of Paape het werkje geschreven konden hebben maar daar is geen sprake van. Ik heb een paar jaar geleden gezocht in Google en Picarta naar de titel, zonder resultaat. Een ander aanknopingspunt, ‘Bions rouw-klacht over den dood van Adonis’, het eerste gedicht, leverde evenmin iets op. In de bibliografieën over vertalingen uit de klassieken van Geerebaert en De Rynck-Welkenhuysen wordt deze vertaling niet genoemd. 

Onlangs kreeg ik het boek weer eens in handen en ik besloot toen niet op de titel maar op dat eerste gedicht te zoeken. En dat leverde wel resultaat op. Om te beginnen in Google. Op de achterkant van een prozavertaling van Milton door J.H. Reisig deelde de uitgever Eldik te Zutphen mee dat er bij hem o.a. nog te verkrijgen was Bions rouwklacht over den dood van Adonis voor 6 stuivers. Dat leverde voor dit blijkbaar apart uitgegeven gedicht in elk geval een terminus ante quem op, 1791. Maar de auteur werd helaas niet genoemd.  Vervolgens bleek de ‘Rouwklacht’ ook in de catalogus van enkele boekverzamelingen voor te komen en daarmee werden de plaats en het jaar van verschijnen bekend: Zutphen, 1790. Maar nog steeds geen auteur.  Delpher hielp me tenslotte uit de brand via ‘Bions rouwklacht’. De titelbeschrijving en bespreking van een dichtbundel De vruchten mijner eenzaamheid is te vinden in de Vaderlandsche bibliotheek van wetenschap, kunst en smaak VII, eerste stuk, 1795, p. 89-94 en de auteur blijkt te zijn A.L. Kaldenbach. In die recensie wordt ‘Bions rouwklacht’, inmiddels dus in een boek opgenomen, gefileerd tot er niets van overblijft, slecht vertaald als het is met allerlei invoegsels van de vertaler waar niemand wijzer van wordt. Over de rest van de bundel is het oordeel niet beter. De opdracht in dichtvorm ‘is eene aaneenschaakeling van wartaal en dwaasheden’. Men zou er medelij mee hebben als de auteur niet zo verwaand was geweest er ‘Odi profanum vulgus’ boven te zetten.

Adam Leonard Kaldenbach (1767-1830) heeft in verschillende encyclopedische werken aandacht gekregen, het grondigst in het Biographisch woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland van De Bie-Loosjes, dl. IV (geraadpleegd via DBNL). Daar treft men ook een bibliografie aan. Geboortig uit een Zutphens patriciërsgeslacht bracht hij zijn leven door als (con)rector aan verschillende Latijnse scholen, Hattem, Hoorn, IJsselstein en Breda. Hij was een vroom mens, prikkelbaar van gemoed, met dichten als liefhebberij.

In 1788 begon hij zijn publicaties met een Latijns ‘Carmen’ ter ere van Willem V en in 1789, 22 jaar oud, kwam hij met een Nederlandse bundel voor de dag (te raadplegen via Google books) : Mijne ledige uuren, Eerste Deel. Dat beloofde wat. Met een quasi-bescheiden inleiding presenteert de jongeman zich. Het gebodene is allemaal nog niet volmaakt en met het werk van de tegenwoordige dicht-sterren kan het zich niet meten, maar het publiek zal toch respect hebben voor de poging deugd en godsdienst te bevorderen. Een autobiografisch getint lofdicht van zijn blinde vriend Vonk van bijna 100 (!)  pp. ( XV-CX) opent de bundel. En daarna gaat Kaldenbach zelf los, met een naar het Frans bewerkte romance, naar het Duits bewerkte liederen en ook eigen werk waaruit blijkt dat hij veel Feith gelezen heeft. De heren hebben ook nog een eigen spelling bedacht met bijvoorbeeld hoordt voor hoort, kluiz voor kluis  en grav voor graf, alsmede een eigen woordkeus waar ‘melaatsch’ voor ‘helaas’ staat, blijkbaar met een voor mij onbegrijpelijke etymologie, niet één keer maar herhaaldelijk, zodat niet aan een zetfout te denken is.

Dat kon niet goed gaan en dat gebeurde dan ook niet. In de Recensent van 1790 , deel II, p. 382-387 werd het boekje neergesabeld, vanwege de taalkundige nieuwlichterij en vanwege de hoogdravend-dwaze inhoud. In de behandeling van De recensent in de online encyclopedie van Nederlandse tijdschriften ENT, wordt het geval besproken als iets nieuws, namelijk harde kritiek. Het doel van de Recensent is de letterkunde op peil te brengen en dat moet o.a. gebeuren door hoge eisen te stellen. Dat het om jonge auteurs gaat, is geen excuus. Juist van jongeren moet de nieuwe bloei komen. Of het nu werkelijk nodig was deze debutanten uit de provincie in niet minder dan zes bladzijden zo te kijk te zetten, is geen literaire maar menselijke vraag. In dit specifieke geval zou het trouwens wel goed zijn geweest als de hoofdauteur er lering uit had willen trekken.

Maar nee. De recensie was natuurlijk een bittere tegenvaller voor Kaldenbach die op het punt stond te beginnen als rector van de Latijnse school in Hattem, overigens een bescheidener functie dan de naam doet vermoeden – er waren nog geen tien leerlingen. Met zulke publiciteit maak je geen goede entrée. De twee jonge auteurs zijn zo gekwetst dat ze in enkele bladen een advertentie zetten waarin ze zich verzetten tegen gebruikte termen als ‘misgeboorte’ en ‘walgelijk’. Ze verlangen er binnen acht weken een bewijs voor dat hun gedichten werkelijk zo slecht zijn. De Recensent is uiteraard niet onder de indruk en meldt dat de geboden termijn ‘melaatsch’ te kort is om alles nader aan te tonen. In hetzelfde jaar 1790 maakt ook Helmers zich nog vrolijk over de pedante baasjes in zijn voorrede voor zijn Socrates. Ook in het mij verder onbekende blaadje De moeial (gevonden in Delpher) werd ook nog even gewag gemaakt van het gebeurde. De auteurs hadden in elk geval een klein succès de scandale.

Maar Kaldenbach liet zich dus niet ontmoedigen en kwam in 1790 met een nieuwe bundel, De vruchten mijner eenzaamheid, voor de dag. In de opdracht in dichtvorm beklaagt hij zich opnieuw over de lasterlijke kritiek op zijn eerdere werk en zijn vastbeslotenheid door te gaan: 

Is dan hier de taak voleindigd, Die ons God voor d’eeuwen gav;
O dan zwaaidt de ziel op starren, Eens haar gouden glorij-stav!

In de bundel komt verder nog een gedicht voor ‘Aan den recensent’ (p.116), of beter, zoals uit de twee na laatste regel blijkt De RECENSENT, waarin Kaldenbach opnieuw verzet aantekent tegen de ‘ijz’ren staf der dwinglandij’ die zijn ‘rein-gespannen Lier’ vanuit Amsterdam heeft belaagd. En in ‘Aan mijn vriend’ verdedigt hij ook nog de arme, blinde Vonk tegen de gemene aanvallen op zijn deugdzame poëzie. Wat de Recensent deed met de Ledige uuren wordt dan, zoals hierboven aangegeven, in de Vaderlandsche bibliotheek nog eens overgedaan met de Vruchten mijner eenzaamheid.

Het heeft Kaldenbach niet tot zwijgen gebracht. Hij bleef nog bundels Nederlandse en Latijnse poëzie publiceren en smaakte het genoegen lid te zijn van ‘verscheidene letterkundige genootschappen’, zoals hij bijvoorbeeld op de titelpagina van De peinzende christen (1802) vermeldt. Ook al een raar boek trouwens. Het heet volledig De Peinzende Kristen van Petrus Broes in eene Verzameling van Godsdienstige Bespiegelingen gevolgd, en het lijkt daarmee te willen delen in het succes van Broes’ stichtelijke meditaties, in 1783 verschenen en meteen een paar keer herdrukt . Het gaat om nogal geëxalteerde vrome essays, met in de tekst opgenomen gedichten, en tot in een aantal titels toe volgt Kaldenbach de Amsterdamse predikant na. Hij heeft het geheel opgesierd met zijn eigen portret en een aantal afbeeldingen. De Vaderlandsche bibliotheek legde het publiek uit dat Broes niets met het werk te maken had maar oordeelde er toch mild over. Succes had Kaldenbachs imitatie niet, terwijl het Broese-origineel het tot acht drukken bracht, het laatst in 1863 met een voorrede van de bekende predikant-dichter P.J. Hasebroek.

Op bescheiden wijze ploeterde Kaldenbach voort in de wereld van de letteren. Hij behoorde o.m. tot de letterkundige kring van de uitgever P.J. Uylenbroek,   Kunst door vriendschap volmaakter, en dat leverde hem ook nog een paar keer een plaats op in Uylenbroeks serie Kleine dichterlijke handschriften. Zo mocht hij in ‘Schakeering‘ XVIII, 1806 , p.33-37 een luimig Latijns gedicht publiceren met zijn eigen Nederlandse vertaling erbij, gevolgd door een Latijns lofdichtje  van H. de Bosch, plus de vertaling daarvan door Uylenbroek:

Batavië eert haar’ zoon, Minerf haar’ voedsterling
En beiden zyn ze trots op zyn begunstiging.

Als hij in Hoorn de nieuw-benoemde predikant Westhoff welkom heet in een voor de gelegenheid gedrukt gedicht, heet de conrector dan toch de ‘beroemde Nederlandsche dichter’ in de rubriek kerknieuws van de Boekzaal  van 1799. Maar affaires blijven hem achtervolgen. Voor zijn rectorale rede in Breda over het nut van het leren van Latijn ( 1815) beschuldigt zijn oude vijand De recensent, inmiddels De recensent, ook der recensenten geheten, hem met veel details van ‘woordelijke letterdieverij’ (deel 8, eerste stuk p.278-281; geraadpleegd via google).

De literatuurgeschiedenis doet er verder het zwijgen toe. Alleen F. Bezemer heeft het verhaal van de eerste bundel nog eens voor het voetlicht gebracht in het hoofdstuk ‘ Een zonderlinge dichtbundel’ (p. 33-37) van zijn Nieuws uit oude boeken (1907).