‘George van Arken’ (1859)

De ‘ouden kleerjood’ Mozes neemt de dertienjarige George van Arken onder zijn hoede. Illustratie van Jacques Zon (1872-1932) uit Eind goed, al goed (1897).

Jeugdverhalen over joden (99)

Door Ewoud Sanders

Auteur: Reinoudina de Goeje (1833-1893), onder het pseudoniem Agatha
Oorspronkelijk Nederlands

Herkomst en drukgeschiedenis

‘George van Arken’ is een verhaal in de bundel Eind goed, al goed: drie oorspronkelijke vertellingen van Reinoudina de Goeje. De Goeje was kinderboekenschrijfster, vertaalster en tijdschriftredactrice. Zij was de dochter van een predikant en groeide op in Friesland. Haar vader overleed toen zij twintig was. Reinoudina begon met vertalen en schrijven om haar moeder financieel te steunen. Zij publiceerde tientallen kinderboeken, die in de tweede helft van de 19de eeuw zeer werden gewaardeerd.[1] ‘De vriendelijke, opgeruimde en leerzame strekking van hare verhalen maakte haar vele jaren lang tot een zeer gezochte schrijfster voor de jeugd’, aldus Het nieuws van den dag begin 1893 in haar necrologie.[2]

Eind goed, al goed: drie oorspronkelijke vertellingen is een van De Goejes eerste kinderboeken. De verhalenbundel beleefde minstens zes drukken, bij verschillende uitgevers: in 1859, 1861, 1872, omstreeks 1886, 1891 en in 1897. In de samenvatting is geciteerd uit de druk van 1861 maar die is qua tekst gelijk aan die in 1897.[3]

Samenvatting

De dertienjarige George van Arken wordt mishandeld door zijn kwaadaardige, luie stiefmoeder en ook zijn vader heeft losse handen. Het gezin woont op een afgelegen plek in Friesland.

Op een dag verkoopt de stiefmoeder de lievelingskleren van George, die hij nog van zijn moeder had gekregen, aan de joodse klerenhandelaar Mozes.

Als de oude Mozes, die een vriendelijk gezicht heeft, ziet hoe verdrietig George is, zegt hij: „Nha, jhonge heer, (…) gha maar met mij mede naar de stad, daar zal je gheen verdriet meer hebben.’ Aanvankelijk praat Mozes met een joodse tongval, maar nadat Agatha hier enkele voorbeelden van heeft gegeven, schrijft zij: ‘Wij zullen, waar Mozes weer sprekend voorkomt, in het vervolg zijne eigenaardige spreekwijze achterwege laten.’

George vraagt aan zijn vader of hij even met Mozes mag meelopen, maar krijgt bijna een klap. Daarop besluit hij van huis weg te lopen; hij stelt zich ‘onder de bescherming van Mozes’.

Voor Mozes is het gezelschap van de jongen een uitkomst. Hij is oud, alleen en heeft een kleine winkel ‘in eene der achterstraten’ van de stad L.

Al snel nadat George is weggelopen besluit zijn vader hem te gaan zoeken, maar hij krijg een ongeluk op zijn werk en kan daarom een jaar niet lopen. Gedurende die tijd wordt George liefdevol opgenomen door Mozes. De oude klerenhandelaar wijdt de ‘schrandere knaap’ in ‘in de geheimen van den winkel’ want ‘Mozes had eene groote mate van den aan zijne natie zoo eigene handelsgeest’. ‘Als er menschen komen’, zegt hij, ‘moet ge (…) alles, wat ze willen zien, brengen en halen, met een gezicht alsof het eene eer en een genoegen voor je is, om voor hen zoo te mogen slooven en tobben.’

Een dokter en George bij het dode lichaam van Mozes. Illustratie van Jacques Zon (1872-1932) uit Eind goed, al goed (1897)

         Onderhandelen over de prijs vergt ook een bepaalde handigheid. ‘Laten de menschen mij het bepalen van den  koopprijs over, dan vraag ik altijd een derde te veel, want bij de Joden wil men afdingen. In groote winkels en bij de Christenen betalen ze groote sommen, zonder te durven vragen of het ook iets minder kan. Maar bij ons is het iets anders; ieder zou denken bedrogen te zijn, als hij niet iets had afgedongen, en daarom moeten wij ons wel schikken naar den wil der koopers.’

Mozes gaat dagelijks met zijn handel op stap: hij verkoopt, ruilt en koopt in. Meestal komt hij vrolijk thuis, soms ‘inwendig wrevelig, misschien over onaangename bejegeningen’. Hij raakt ‘wezenlijk gehecht’ aan George en als hij – al binnen een jaar – ziek wordt en voelt dat hij gaat sterven, laat hij bij een notaris vastleggen dat George zijn enige erfgenaam is.

Na de dood van Mozes vindt de notaris in een afgesloten winkelkast ‘zeer kostbaar porselein’, gouden munten en juwelen. Hij weet ze goed te verkopen en kan daardoor voor George ‘een zeer aardig kapitaal’ beheren. Eerst neemt de notaris George aan als knecht, maar hij en zijn vrouw raken al snel zo aan de jongen gehecht (‘door zijne vriendelijkheid en gedienstigheid, maar vooral door zijne hartelijkheid jegens Mozes’) dat ze hem als zoon aannemen. George wordt kandidaat-notaris en krijgt uiteindelijk weer contact met zijn vader, die veel spijt heeft van zijn brute en zelfzuchtige gedrag.

Doelgroep en receptie

Over de eerste druk van Eind goed, al goed schreef Het Leeskabinet in 1860: ‘Agatha bezit in ruimen zin de gave, om hare jeugdige lezers op regt gezellige wijze bezig te houden, terwijl de moraal, in elk harer schetsen opgesloten, niet dan van gunstige uitwerking op hun kinderlijk gemoed kan zijn.’[4]

Eind 1861 werd dit jeugdboek in een advertentie in het Nieuwsblad voor den boekhandel door de Rotterdamse uitgever P.C. Hoog aanbevolen als Sinterklaasgeschenk.[5]


[1] Zie over Reinoudina de Goeje o.a. bit.ly/Goeje-dbnl en het digitaal Vrouwenlexicon (bit.ly/Goeje-vrouwen).

[2] Het nieuws van den dag, 8-2-1893.

[3] Op de titelpagina wordt de druk uit 1897 de vierde druk genoemd, maar dat is aantoonbaar onjuist. De Haarlemse uitgever C. Zwaardemaker maakt melding van de eerste druk in een annonce in het Nieuwsblad voor den boekhandel van 3-11-1859; uitgeverij P.C. Hoog in Rotterdam vermeldt een druk op 21-11-1861 in hetzelfde vakblad. Voor de overige drukken, zie PiCarta en bit.ly/eindgoeddrukgeschiedenis

[4] Het Leeskabinet, 1-2-1860.

[5] Nieuwsblad voor den boekhandel, 22-11-1861.