De Lotgevallen van een Gulden (1895)

Een joodse valsemunter, die eruit ziet als een alchemist, voorziet de zilveren gulden in een smeltkroes van een dun goudlaagje. Dit is de enige illustratie uit De Lotgevallen van een Gulden door hem zelven verhaald (1895).

Jeugdverhalen over joden (98)

Door Ewoud Sanders

Auteur: onbekend
Oorspronkelijk Nederlands

Herkomst en drukgeschiedenis

In De Lotgevallen van een Gulden door hem zelven verhaald vertelt een gulden over zijn oorsprong en over het gedrag en de opvattingen van de personen bij wie hij korte of langere tijd verblijft. Dit boekverscheen in 1895 bij de katholieke uitgeverij L.C.G. Malmberg in Nijmegen en beleefde één druk. Indertijd ondersteunden alle uitgaven van Malmberg ‘de godsdienstige opvoeding’, aldus Karen Ghonem-Woets in 2011 in Boeken voor de katholieke jeugd: verzuiling en ontzuiling in de geschiedenis van Zwijsen en Malmberg. Als een van de voorbeelden noemt zij deze titel.

         Zonder twijfel heeft de onbekende auteur van De Lotgevallen van een Gulden zich laten inspireren door Lotgevallen van eene gulden, door hemzelven beschreven van de Duitse schrijver A.F.E. Langbein (1757-1835). Dit verhaal werd in 1829 gepubliceerd in de bundel Luimige verhalen van A.F.E. Langbein en anderen. De Malmberg-uitgave is echter geen bewerking van Langbeins tekst: alleen de verhaallijn is overgenomen. In Langbeins verhaal komen ook geen joodse personages voor.

Samenvatting

In de Malmberg-uitgave komt de gulden in aanraking met twee joodse personages. Eerst met een valsemunter die de zilveren gulden van een dun goudlaagje voorziet. Hij voert deze vervalsing echter zo slecht uit dat hij door de mand valt en erom wordt bespot.

         Een paar hoofdstukken verder wordt de gulden, samen met allerlei andere munten, door een dief naar een joodse heler gebracht. Die smelt de munten om tot ‘baren zilver’ en betaalt de dief een vierde van de waarde. Omdat de dief, zonder dit te merken, de gulden heeft laten vallen, belandt die niet in de smeltkroes. De jood (‘die er alles behalve gunstig uitzag’) geeft hem aan zijn zoontje.

           In de jaren daarna observeert de gulden het gedrag van deze zoon, die eerst Izaäk en vervolgens Isaac wordt genoemd. Dit ‘Jodenkind’ is ‘boosaardig en zelfs wreed’ en hij wordt niet gecorrigeerd door zijn vader.

         Isaac beleeft veel plezier aan het mishandelen van dieren. Zo bindt hij katten gewichten aan hun poten om ze vervolgens uit het raam te werpen. Muizen bindt hij een touwtje aan hun staart om ze daarna door een kat te laten opjagen. ‘Het beven van de muis in tegenwoordigheid van haar vijand, haar lange doodstrijd, de krabben en beten die ze kreeg, vermaakten het Jodenkind bij uitnemendheid.’ Ratten overgiet ‘de rekel’ met terpentijn om ze vervolgens in brand te steken; of hij plaatst ze op een hoopje kruid en blaast ze op.

         Met andere kinderen speelt ‘het Joodje’ altijd vals, bedelaars bekogelt hij met stenen. Ook tegen de knechten van zijn vader misdraagt hij zich. ‘Een hunner gaf hem eens een antwoord, dat hem ongepast voorkwam; Isaac spuwde hem in het aangezicht, viel op hem aan, en sloeg hem met de vuisten.’ Als de knecht zich beklaagt, wordt hij op staande voet ontslagen.

         De gulden blijft zo lang bij Isaac dat hij kan gadeslaan welke gevolgen deze gebrekkige opvoeding heeft. ‘Isaac werd met het toenemen zijner jaren niet beter; integendeel, zijn karakter verergerde hoe langer hoe meer, en hij trad de goddelijke en de menschelijke wetten met de voeten.’

         Nadat zijn vader is overleden, komt Isaac aan het hoofd van ‘eene groote handelszaak en van een ontzaggelijk vermogen’. Maar in plaats van tevreden te zijn met deze rijkdommen, ‘was zijn eenig doel om die nog te vermeerderen’. ‘Hij leefde op een zeer bekrompen voet, verschafte zich niet eens het noodige, en behandelde zijne familie niet beter.’

         Gedreven door ‘onverzadelijken gouddorst’ treedt ook Isaac op als heler en pleegt hij ‘verscheidene andere misdrijven’. Uiteindelijk komt de politie hem op het spoor en wordt hij ‘tot de galeien’ veroordeeld. Zijn goederen worden verbeurd verklaard.

         ‘Het treurig lot dat Isaac te beurt viel’, zo besluit de gulden dit hoofdstuk, ‘bewijst duidelijk tot welken afgrond van verlaging de mensch afdaalt, die in zijn kindsche jaren niet aan gestrenge tucht onderworpen is, en wiens kwade neigingen niet onderdrukt zijn geworden.’

Doelgroep en receptie

Het exemplaar van De Lotgevallen van een Gulden door hem zelven verhaald bij de Koninklijke Bibliotheek werd, blijkens een ingeplakt vel op het schutblad, in 1895 uitgereikt als prijsboek aan een leerlinge van de zesde klas van de Sociëteit van Jezus, Maria en Jozef in Nijmegen.

         Van dit boek heb ik geen besprekingen gevonden.