“Dat bedoelde ik niet!”

Verdedigingstechnieken na een ‘foute’ uitspraak

Door Ronny Boogaart, Henrike Jansen, Maarten van Leeuwen

Het was nog vóór de toespraak van Akwasi op de Dam en de reactie daarop van Johan Derksen. Eind mei publiceerden wij in het tijdschrift Argumentation een artikel (open access) over de verdedigingstechnieken die mensen gebruiken op het moment dat ze ervan worden beschuldigd iets te hebben gezegd dat om een of andere reden niet acceptabel is. Het bleek niet moeilijk om dat soort gevallen te verzamelen: wie het nieuws volgt, komt bijna elke dag wel zo’n kwestie tegen – mede dankzij Donald Trump, maar zeker niet alléén dankzij hem.  

Een geruchtmakend voorbeeld. Volgens James Comey, toen nog de baas van de FBI, zei Trump in januari 2017 tegen hem:

I hope you can see your way to letting this go, to letting Flynn go. He is a good guy. I hope you can let this go.

Comey interpreteerde dit als een verzoek van Trump om zijn onderzoek naar Michael Flynn, en diens contacten met Rusland, te beëindigen. Maar volgens de Republikeinen had Comey Trumps woorden verkeerd geïnterpreteerd: Trump had geen verzoek gedaan maar alleen maar zijn hoop uitgesproken. Als je alleen naar de letterlijke betekenis van zijn uitspraak kijkt, klopt dat ook. Het is een voorbeeld van een veel voorkomende verdedigingstechniek, die ook meteen laat zien waarom het onderwerp taalkundig interessant is: je neemt alleen verantwoordelijkheid voor de letterlijke betekenis van wat je hebt gezegd en je ontkent de impliciete boodschap. Die laatste komt uitsluitend voor rekening van je ‘tegenstander’ – zo had je het helemaal niet bedoeld!  

Statusleer

Een beroep op de letterlijke betekenis is één van de manieren waarop je je kunt verdedigen tegen de beschuldiging dat je iets verkeerds hebt gezegd, maar dat is natuurlijk niet de enige. Om de verdedigingslinies inzichtelijk in te delen, zijn we te rade gegaan bij  de ‘statusleer’ uit de klassieke retorica. Volgens Hermagoras van Temnos, die leefde in de tweede eeuw voor Christus, kan iedereen die beschuldigd wordt van een misdaad in principe kiezen uit vier zogenaamde ‘staseis’.

  1. Ontkennen dat je de daad gepleegd hebt
  2. De daad anders omschrijven (bijv. als ‘doodslag’ in plaats van ‘moord’)
  3. Een beroep doen op verzachtende omstandigheden
  4. Je beroepen op een procedurefout

Als we die  klassieke indeling  toepassen op de beschuldiging dat je een ‘foute’ uitspraak hebt gedaan (een uitspraak is tenslotte ook een daad), levert dat de volgende vier algemene strategieën op.

  1. ‘Ik heb dat nooit gezegd’
  2. ‘Ik bedoelde dat anders’
  3. ‘Er zijn verzachtende omstandigheden’  
  4. ‘Wie ben jij om mij hiervan te beschuldigen?’ 

Van die vier verdedigingslinies is met name de tweede taalkundig interessant, zoals  in het voorbeeld met Comey en Trump. Voordat we daar verder op ingaan, eerst kort over de andere drie. 

De eerste strategie, ontkenning, is natuurlijk de sterkste, tenzij er bewijs bestaat dat je de uitspraak wel degelijk hebt gedaan. Zo moest Trump zijn claim dat hij Meghan Markle nooit ‘nasty’ had genoemd terugnemen nadat  de opnames van het betreffende interview waren  gepubliceerd. (Vervolgens koos Trump voor de tweede verdedigingslinie, waarvan wij in het artikel laten zien dat die in dit geval redelijk en overtuigend was.)

Wie kiest voor de derde strategie en dus een beroep doet op ‘verzachtende omstandigheden’ geeft meestal toe dat de betreffende uitspraak inderdaad onwaar of onacceptabel was. De spreker kan zich natuurlijk simpelweg vergist of versproken hebben – zoals staatssecretaris Barbara Visser claimde nadat ze ‘abusievelijk’ had gezegd dat ze een half jaar op zoek was naar een andere locatie (dan Vlissingen) voor de marinierskazerne terwijl ze daarmee al anderhalf jaar bezig was. Visser noemde dat een ‘verspreking’.  Zo kan je er bijvoorbeeld ook op wijzen dat je dronken was ten tijde van de uitspraak, of dat je die hebt gedaan ‘in the heat of the moment’, zoals in de context van een protestdemonstratie. Een modern excuus is nog dat je twitter-account gehackt was.

In het geval van publieke discussies over ‘foute’ woorden is het misschien wat gek om van ‘procedurefouten’ te spreken (zoals in de klassieke linie 4), maar je kan er als beschuldigde wel voor kiezen om helemaal niet op de beschuldiging in te gaan en in plaats daarvan een tegenaanval in te zetten op degene die je beschuldigt; de parallel daarvan in de klassieke statusleer is erop wijzen dat de rechter niet bevoegd is en dus suggereren dat de procedure niet deugt. Als Trump een beschuldiging afdoet als afkomstig van de ‘fake news media’, is dat een voorbeeld  van deze strategie.  

Linie 2: een taalkundige verdediging

In de tweede verdedigingslinie  gaat het om verdedigingen die een beroep doen op de precieze betekenis van de uitspraak. Daar zijn ten minste drie soorten van. Als je wordt aangevallen op iets wat je niet letterlijk zo hebt gezegd, kun je ontkennen dat je dat bedoelde (“ik bedoelde dat letterlijk!”). Als je daarentegen wordt aangevallen op een letterlijke lezing van je woorden, kun je een niet-letterlijke lezing verdedigen (“ik bedoelde dat niet letterlijk!”). En je kunt ook nog de letterlijke betekenis van je woorden zelf ter discussie stellen (“dat is niet de letterlijke betekenis!”).

“Ik bedoelde dat letterlijk!”

In het eerste voorbeeld van Trump zagen we al hoe je de verantwoordelijkheid voor een impliciete bedoeling van je woorden kunt ontkennen. Nederlandse voorbeelden van deze strategie zijn er ook volop. Het bekendste voorbeeld is waarschijnlijk de kwestie of Willen jullie meer of minder Marokkanen? wel of niet een vraag is. Wie zegt dat het een vraag is, beroept zich op de letterlijke betekenis zonder zich af te vragen welke bedoeling de spreker had met die vraag. Die bedoeling is echter wel relevant: waarom zou Wilders een vraag stellen waarop hij het antwoord al wist, en waarom zou Trump zijn persoonlijke gevoelens delen met Comey als die daar geen consequenties aan hoefde te  verbinden?

In januari 2017 leidde een discussie over (onder andere) de impliciete bedoeling van een formulering zelfs tot het aftreden van een minister. Ard van der Steur had jaren daarvoor de woorden kwetsbare informatie gebruikt als commentaar bij een conceptbrief aan de Tweede Kamer. De informatie die Van der Steur als kwetsbaar beschouwde, betrof het bedrag dat betaald was aan drugscrimineel Cees H. in ruil voor zijn getuigenis. Dat bedrag verdween vervolgens uit de brief en volgens het parlement was dat ook precies wat Van der Steur wilde bereiken door het bedrag kwetsbare informatie te noemen. Van der Steur hield vol dat dat niet was wat hij bedoelde, maar hij overtuigde de kamer niet.

“Ik bedoelde dat niet letterlijk!”

Bij het reageren op een beschuldiging kun je ook precies het omgekeerde doen.  Dan beweer je dat je een uitspraak juist niet letterlijk bedoelde en neem je alleen verantwoordelijkheid  voor de impliciete bedoeling. Nog meer dan bij de eerste strategie ben je in zo’n geval  gedwongen om te zeggen hoe je je uitspraak wél bedoelde. Was het bijvoorbeeld ironie? Zelfs als die er behoorlijk dik bovenop ligt, zoals toen Naema Tahir in AD voorstelde om het lidwoord het uit de Nederlandse taal te schrappen, kun je beschuldigd worden van een onacceptabele uitspraak door lezers die de ironie niet vatten. Met de verdediging dat het een grapje was ben je trouwens niet altijd overal vanaf: iedereen begreep dat Johan Derksen een grapje maakte toen hij zich afvroeg of de Zwarte Piet op de foto misschien Akwasi was, maar ook een grapje kan nog wel steeds een ‘fout’ grapje gevonden worden.  

Akwasi zelf deed na zijn uitspraak op de Dam dat hij de eerste Zwarte Piet die hij in november tegen zou komen ‘hoogstpersoonlijk op zijn gezicht zou slaan’ onder andere een beroep op metaforiek. Als ‘woordkunstenaar’ zou hij met deze woorden verwijzen naar de actiegroep Kick Out Zwarte Piet. Bovendien ervaart hij het zien van Zwarte Piet zelf elke keer als ‘een klap in zijn gezicht’- en dat moeten we natuurlijk ook niet letterlijk nemen. Als je zegt dat een uitspraak ironisch was, of een metafoor, ontken je verantwoordelijk te zijn voor de letterlijke betekenis van je woorden. Daarmee vormt deze verdediging dus precies het spiegelbeeld van de vorige techniek, waar Trump, Wilders en Van der Steur juist terugvielen op de letterlijke betekenis om de beschuldiging te pareren. Beide zijn voorbeelden van de tweede verdedigingslinie, waarin het steeds gaat om de juiste interpretatie van de (taal)daad. Daar is als gezegd nog een derde soort van.

“Dat is niet de letterlijke betekenis!”

Als je een ‘foute’ uitspraak wil verdedigen, kun je ook een meta-talige discussie beginnen over de letterlijke betekenis van de woorden die je hebt gebruikt. Nadat een filmpje was opgedoken waarin minister van Buitenlandse Zaken Stef Blok Suriname een failed state noemde, verdedigde hij zich door te stellen dat hij op dat moment niet de ‘internationaal geaccepteerde definitie’ van die term hanteerde. Het bekendste voorbeeld van zo’n discussie over woordbetekenis is dat van Bill Clinton die had beweerd nooit seks te hebben gehad met Monica Lewinski. Toen hij van meineed werd beschuldigd, hield hij vol dat hij niet had gelogen, aangezien orale seks volgens hem niet onder de woordenboekdefinitie van seks viel. Vergelijkbaar maar iets onschuldiger: afgelopen week werd in De Bachelorette op Videoland nog gediscussieerd over de vraag of Jethro wel of niet loog toen hij zei dat hij met Gaby had gezoend. De cruciale vraag: is zoenen wel of niet met tong?

Bingo

In ons artikel in Argumentation maken we niet alleen bij de tweede linie maar bij alle vier de verdedigingslinies uit de klassieke retorica een onderscheid tussen beschuldigingen die de letterlijke betekenis van een uitspraak betreffen en beschuldigingen die over impliciete informatie gaan. Daarmee hebben we dan acht soorten gevallen, die in onderstaand schema zijn aangegeven als A t/m H.


Verdediging van ‘foute’ uitspraak
beschuldiging betreft

expliciete infoimpliciete info 
Ik heb dat nooit gezegdAB
Ik bedoelde daar iets anders meeCD
Verzachtende omstandighedenEF
Wie ben jij om mij te beschuldigen?GH

Wat schieten we hier mee op? Om te beginnen is zo’n schema een handige manier om grip te krijgen op alle beschuldigingen en verdedigingen over ‘discutabele’ uitspraken die bijna dagelijks het nieuws halen. En zoals het gaat met alle classificaties: op het moment dat je een geval uit het wild wil indelen in het schema, blijken er allerlei complexe gevallen te zijn die zich niet zo makkelijk in laten delen. Dat levert weer nieuwe, interessante vragen op. 

Zoals: Hoe impliciet is dat verzoek van Trump aan Comey eigenlijk? Kan Trump hier redelijkerwijs een beroep doen op de letterlijke betekenis of gedraagt dit soort uitingen zich (in deze context) eerder alsof het expliciete opdrachten zijn? Over de cruciale vraag wanneer een verdediging van een ‘foute’ uitspraak redelijk is of nergens op slaat, hebben we ons hier niet uitgesproken – althans niet expliciet – maar in het artikel laten we zien dat de klassieke statusleer ook voor de beantwoording van die vraag een nuttig uitgangspunt is.  

Voor deze zomer willen wij voorstellen dat u het bovenstaande schema beschouwt als een bingokaart bij het volgen van het nieuws. Bij elke verdediging van een discutabele (of discutabel geachte) uitspraak, bepaalt u met welk type (A t/m H) we te maken hebben. We horen graag wanneer u bingo heeft.

Boogaart, R., Jansen, H. & van Leeuwen, M. “Those are Your Words, Not Mine!” Defence Strategies for Denying Speaker Commitment. Argumentation (2020). https://doi.org/10.1007/s10503-020-09521-3

Afbeelding: opschrift op auto van de Zwitserse schrijver Thomas Meyer, Wikimedia