Dansen van woede

Door Jos Houtsma

In 2012 heb ik in mijn proefschrift over het Zutphens Handschrift en de overlevering van liedjes kritiek geleverd op het gemak waarmee in de literatuurwetenschap tekstuele verschillen tussen verschillende versies van liedjes worden toegeschreven aan processen die plaats vinden in de mondelinge overlevering. Ik kwam tot de conclusie dat variabiliteit in teksten van populaire liedjes, in een cultuur die het schrift kent, natuurlijk kan zijn ontstaan in een proces van mondelinge overlevering maar net zo goed het gevolg kan zijn van ingrepen die met de pen op papier zijn uitgevoerd. Wat er precies in de overlevering met liedteksten gebeurt is vaak moeilijk of niet ter achterhalen. 

Een interessante illustratie van de lotgevallen van liedjes in de zestiende en vroege zeventiende eeuw vormen twee politieke liedjes die ik in dit stuk aan de orde wil stellen.

Twee dansliedjes in de geuzenliedboekjes

Tussen de jaren zeventig van de zestiende eeuw en het eind van de zeventiende eeuw verschijnen in de noordelijke Nederlanden ‘geuzenliedboekjes’, eenvoudige bundeltjes in staand octavo met een verzameling van liedjes en gedichten die betrekking hebben op de Nederlandse geschiedenis sinds het begin van de opstand tegen Spanje. De titels van de liedboekjes kenmerken zich door het voorkomen van woorden als Geuse Lieden boecxken: ‘geuzenliedboekje’. De klassieke uitgave van de boekjes is Het geuzenliedboek van E.T. Kuiper, 1924/25. 

De teksten in de geuzenliedboekjesboekjes vormen een bont gezelschap. Er staan verhalende liederen in waarin historische gebeurtenissen behandeld worden als de slag bij Heiligerlee, het beleg van Leiden enz. Daarnaast zijn er liederen waarin historische personages, belangengroepen, steden en provincies in dialoog worden opgevoerd. En er zijn tal van bespiegelende liederen, zoals het Wilhelmus: de indrukwekkende monoloog, waarin de prins van Oranje politiek rekenschap aflegt van zijn daden in strofen waarvan de beginletters de beginletters vormen van zijn naam. 

Onder de bespiegelende liederen in de geuzenliedboekjes treft men diverse spotliedjes aan. Verschillende daarvan richten zich in scherpe bewoordingen tegen de paus van Rome en de katholieke geestelijkheid. Twee van deze spotliedjes worden in Kuipers editie van de geuzenliedboekjes geteld als lied 13 en 14 (In het vervolg ook GLB 13 en 14) . Het zijn liedjes die het gemunt hebben op de paus, maar ze worden tegelijkertijd geafficheerd als ‘dansliedjes’. Kuiper kende 13 en 14 alleen uit zeventiende-eeuwse edities van het geuzenliedboek, inmiddels weten we dat de liedjes al voorkomen in de Parijse editie van 1578. Ze staan daar aan het einde van een groep fel protestantse strijdliederen waarmee het liedgedeelte van het geuzenliedboek wordt afgesloten. Dat ze voor de uitgever bij elkaar hoorden blijkt uit het opschrift voor lied 13: Hier volgen twee dansliedekens, sonder welcke het spel niet volmaeckt en soude zijn. Kuiper vermoedt, op basis van de tekst van 14, dat beide liedjes zijn gemaakt naar aanleiding van de verkiezing van een paus. In aanmerking komen naar zijn mening de verkiezing van Pius V in 1566, en die van Gregorius XIII in 1572.

De liedteksten in het geuzenliedboek zijn van diverse herkomst. Sommige zullen in gedrukte vorm onder de aandacht zijn gekomen van de samenstellers van de boekjes, als liedblaadje of als onderdeel van een andere verzameling gedrukte teksten; andere zijn ongetwijfeld gedrukt naar handschriften; weer andere zullen misschien door samenstellers zijn opgetekend uit de zang. Veel van de geuzenliedjes kunnen worden beschouwd als literair vakwerk, met goedgevormde, perfect gerijmde strofen; maar er zijn ook liedjes die allerlei formele onvolkomenheden vertonen. Dat kan zijn hetzij doordat de dichters geen echte vaklui waren, hetzij doordat de liedjes min of meer gemaltraiteerd uit een overleveringsproces zijn gekomen. De geuzenliedjes hebben ongetwijfeld populariteit genoten. Dat blijkt wel uit het grote aantal verschillende edities van het geuzenliedboek dat bewaard is gebleven. Opvallend is echter dat er niet zo vaak getuigenissen van het bestaan van de geuzenliedjes worden aangetroffen buiten het domein van de liedboekjes. Lied 13 is een van de ‘geuzenliedjes’ die we alleen kennen uit edities van het geuzenliedboek. Bij lied 14 is evenwel uit een verrassende bron een paralleltekst opgedoken.

Laten we om te beginnen de liedjes 13 en 14 eens nader bekijken. Ik geef hieronder de teksten, niet naar de editie Kuiper, maar naar de (overigens nauwelijks van deze tekst afwijkende) Parijse editie van 1578. Achter beide teksten is commentaar opgenomen. 

GLB 13

Hier volgen twee dansliedekens, sonder welcke het spel niet volmaeckt en soude zijn, op de wijse Als beghint.

Antichrists is gheboren
[…] [Er ontbreekt hier kennelijk een regel] 
Dat rijcke Gods wil hy verstooren,
En maken onvree
Wten duyuel is hy gheboren
Zijn dienaers me. 

Hy verbiet de spijs al op den Ban,
Hy consenteert het Wijf en Man,
Als hy aen gelt gheraken can,
Daer hijt om de,
Wten duyuel is hy gheboren, etc. 

Hy verbiet te trouwen echte wijuen
Hy laet wel Hoerderije bedrijuen.
Als hy mach crijghen de ronde schijuen,
Daer hijt om dee,
Wten duyuel is hy gheboren etc.

Hy wil voor ons den Hemel sluyten
Selue moet hyer blijuen buyten,
Met alle zijn ghecapte guyten [de monniken]
Sijn oordeel is ree [Hij is al veroordeeld],
Wten duyuel is hy gheboren,
Zijn dienaers me. 

GLB 13 wordt in de Liederenbank in verband gebracht met een kerstlied, Nu laat ons allen God loven. Met zijn grimmige vrolijkheid treft het dezelfde toon als de spotliederen die we elders in het geuzenliedboek aantreffen. GLB 13 lijkt een strofevorm te hebben 4a 4a 4a 2B 4c 2B, waarbij de beide laatste regels het refrein vormen: een bij uitstek dansante vorm. Er zijn een paar onregelmatigheden: de eerste regel heeft maar drie heffingen; in de tweede strofe is het rijm in de eerste drie regels mannelijk. 

Inhoudelijk staat GLB 13 als een huis. In de inleidende eerste strofe wordt het leidmotief geïntroduceerd: de paus van Rome is een kind van de duivel, net als zijn dienaren, hij richt niets dan onheil aan; in de strofen 2, 3 en 4 wordt dat met drie voorbeelden krachtig beargumenteerd. 

GLB 14

Het anderde, op de wijse, Alst beghint

1. Jck sal v singhen een goet nieu liet,
Kinderen wilt nu hooren,
Jnt Roomsche rijck, daer is iolijt,
Daer is een Paus ghecoren,
Ten is gheen God, ten is geen mensch,
[Editie Kuiper: Hy hevet al na synen wensch]
Hy drinckt so geern den wijn,
Hy drinckt so geern den wijn,
Jst gheen God, of ist geen mensch?
So moet het der Duyuel zijn.

2. Vierdehalfhondert daghen aflaet,
So heeft hy ons ghegheuen,
Willen wy certeyn, na hem alleyn,
Na zijn gheboden leuen,
Willen wy houden zijn ghebot,
Hy sal ons helpen, dat is tslot,
Al in dat Vaghevyer,
Al in dat Vaghevyer,
Dat is die Paus zijn tolhuys,
Dat gheeft hy om zijn huer. [Als je de paus betaalt, hoef je niet naar de hel.]

3. Nu is hy ghestoruen,
De Heer van deser eerden,
Zijn rijck dat moet hy deruen
Een ander weer aenueerden,
Hy en gaf noyt schat, noch tribuyt,
Hy draeyder zijn seluen altoos uyt.
De Paus den Heyligen man,
De Paus den Heyligen man,
Men moest hem altijt ter Kercken dragen, 
Was hyer niet qualick aen.

4. Hy quam al voor den Hemel gegaen,
Hy clopte voor de deure,
S. Peeter die had het so schier vernomen
Hy quammer hastelick veure,
S. Peeter die sprack, ghy en moechter niet in
Ghy moet gaen soecken een ander ghewin,
De Paus den Heylighen man,
De Paus den Heylighen man,
Mach hy inden Hemel niet, 
Waer duyuel laten wy hem dan.

5. Hy quam al voor de Helle gegaen,
Hy clopte voor de deure,
Den oppersten haddet so schier vernomen, 
Hy quammer haestelick veure.
Lucifer sprack, ghy en moechter niet in,
Ghy moetter gaen soecken een ander gewin
De Paus den Heyligen man,
De Paus den Heyligen man,
Mach hy in Hemel noch in Hel,
Waer duyuel laten wy hem dan.

6. Hy quam al voor tvagevyer gegaen, 
Dat vant hy sonder vragen,
Daer hyer so menich bedrogen heeft,
Dat mach hy wel geclaghen,
Daerom so lijdt zijn siele groote pijn,
Om datter so veel bedrogen zijn,
De Paus den Heyligen man,
De Paus den Heyligen man,
Hy en mocht in Hemel noch in Hel,
Jnt Vaghevyer laten wy hem dan.

GLB 14 is, net als 13, met een kerstlied in verband te brengen: het zou een contrafact kunnen zijn van een kerstlied waarvan we representaties kennen van circa 1400 tot 1660, ‘Het is heden een dag der vrolijkheid’, op de melodie Dies est laetitae in ortu regali. GLB 14 lijkt een strofevorm te hebben van 4A 3b 4A 3b 4C 4C 3D 3D 4E 3D; het 4A-rijm wordt alleen (min of meer) gerealiseerd in strofe 1 en 3. Regel 8 herhaalt regel 7, de regels 7 en 8 kunnen in de laatste vier strofen als refrein worden beschouwd. Het dansante karakter van het liedje is, met de refreinregels en de talrijke tekstuele parallellismen, evident. 

Inhoudelijk is GLB 14 ambivalenter dan zijn tegenhanger. Aan het begin van de eerste strofe kan men inderdaad de indruk krijgen dat er, zoals Kuiper heeft opgemerkt, wordt aangehaakt bij de actualiteit van een pauskeuze. Maar dat berust naar alle waarschijnlijkheid op gezichtsbedrog. De tekstdichter past een literaire truc toe: hij introduceert zijn onderwerp via een exempel. In de tweede helft van de eerste strofe en de tweede strofe wordt duidelijk dat hij erop uit is een satirisch beeld te scheppen van het pausdom in het algemeen. In strofe 3-6 wordt deze indruk bevestigd. Het vagevuur is een van de ‘cash cows’ van de rooms-katholieke kerk die de gereformeerden vol minachting van de hand wezen. Voor een paus, zegt het lied, is geen plaats in de hemel; zelfs niet in de hel; hij moet uiteindelijk zijn toevlucht zoeken in zijn zelfverzonnen vagevuur. Op de clou van het lied wordt geraffineerd gepreludeerd in strofe 2, waar fijntjes wordt opgemerkt dat wie zich aan de geboden van de paus houdt, uiteindelijk in het vagevuur terecht zal komen: in het ‘tolhuis van de paus’. 

Opvallend is dat lied 14 begint met een captatio benevolentiae in de vorm van een ‘aanhoor-formule’: dit type openingsregels komt (ook in het geuzenliedboek) veel voor in verhalende liederen, en wordt doorgaans in verband gebracht met de praktijk van straatzangers; als opening van een dansliedje in de wij-vorm is het ongewoon.

Een parallel bij GLB 14 in het Handschrift Manderscheid

Zoals ik al vermeldde, heeft GLB 13 buiten de traditie van de geuzenliedboekjes geen sporen achtergelaten. Bij 14 ligt dat anders. We kennen bij dit lied een paralleltekst in een handschrift uit de Eifel, dat wordt bewaard in de Staatsbibliothek Berlijn onder Mgq 1872, een handschrift dat wellicht in het bezit is geweest van, en gebruikt door graaf Hans Gerhard von Manderscheid (1548-1611). Het Handschrift Manderscheid is een papieren handschrift van 138 bladen (oorspronkelijk 139, blad 3 is verwijderd), 205 x 195 mm. Het papier heeft als watermerk een P, en dateert waarschijnlijk uit 1555-1565. Het handschrift heeft min of meer het karakter van een album amicorum: er zijn door verschillende handen in totaal 84 liedteksten ingeschreven en 15 spreuken; daarnaast zijn er een aantal (heel aardige) tekeningen en diverse inscripties van eigenaars en/of contribuanten. De datering van de bijdragen in het handschrift is niet zeker. Gedacht moet worden aan het eind van de zestiende misschien doorlopend tot het begin van de zeventiende eeuw.

De paralleltekst bij GLB 14 is in het Handschrift Manderscheid lied 4, een bijdrage van iemand die zich bekend maakt onder de initialen AvS. Hij of zij is een latere gebruiker van het handschrift, en was er ten tijde van zijn bijdragen misschien de eigenaar van. Ik druk Manderscheid 4 hieronder synoptisch af met GLB 14

Manderscheid 4 Ein liedt von den Bapst mach am dantze gesungen werdenn
1. Alleß dingk hatt sein respitt, [Alles heeft zijn tijd] merckt ann vnnd jhr solth hoeren Ein newe mehr is jm Römischenn Reich, vnnß ist ein Bapst gekorenn, Eß ist khein Bapst eß ist khein gott fůrwar eß ist ein großer spott, nochtannich dringkt ehr den wein Eß ist khein Bapst eß ist khein gott eß mach der důůel woll sein. 

2. Hůndert jair ablaß  hatt vnns der Bapst gegeůen, Darůmb so sollen wir altzůmall můnchen vnnd pfaffen werden, Sie schreyen all in jren sack [?] Darumb so tragen sie die platt [een tonsuur] Der Bapst der heilliger mann, man plagh jn wollehr auß zů dragenn nů muß ehr selber ghan.

3. Nů ist der Bapst gestorůenn Der Bapst der heiliger mann He quam woll fůr den hemmel vnd klopt dar lustlichen ann Der Hemmel war jm zu gethan Darůmb so můst ehr feran [verder] gan Alst nach dem fegefewr Daß is der pfaffen Zolhůß Daß haben sie alle zů stewer.












4. He qwam woll fůr der hellen  Der Bapst der armer man  Lůcifer mit seinen gesellen die hatten eß balte versthann Der sprach ehr hatt vil gůets verdain Darůmb so moß ehr fer an gan alst nach dem fegefeur Daß ist der můnchen vndd pfaffen Zolhaůß Daß habenn sie alle zů steur.

5. He qwam woll fůr dem fegefeůr der veriachter armer man die pforten mit der großer doer die waren alß vf gedaenn Daß ehr so mannichen hatt bedrogen, Daß můst sein arme sehle beklagen Der bapst der armer man Vnnd kumpt he jn hemmel noch hell war deubell war bleibt [weggevallen: er dan] 
GLB 14 Het anderde, op de wijse, Alst beghint.

1. Jck sal v singhen een goet nieu liet, Kinderen wilt nu hooren, Jnt Roomsche rijck, daer is iolijt, Daer is een Paus ghecoren, Ten is gheen God, ten is geen mensch, [Hy hevet al na synen wensch] Hy drinckt so geern den wijn, Hy drinckt so geern den wijn, Jst gheen God, of ist geen mensch? So moet het der Duyuel zijn.

2. Vierdehalfhondert daghen aflaet, So heeft hy ons ghegheuen, Willen wy certeyn, na hem alleyn, Na zijn gheboden leuen, Willen wy houden zijn ghebot, Hy sal ons helpen, dat is tslot, Al in dat Vaghevyer, Al in dat Vaghevyer, Dat is die Paus zijn tolhuys, Dat gheeft hy om zijn huer.
3. Nu is hy ghestoruen, De Heer van deser eerden, Zijn rijck dat moet hy deruen Een ander weer aenueerden, Hy en gaf noyt schat, noch tribuyt, Hy draeyder zijn seluen altoos uyt. De Paus den Heyligen man, De Paus den Heyligen man, Men moest hem altijt ter Kercken dragen, Was hyer niet qualick aen.
4. Hy quam al voor den Hemel gegaen, Hy clopte voor de deure, S. Peeter die had het so schier vernomen Hy quammer hastelick veure, S. Peeter die sprack, ghy en moechter niet in Ghy moet gaen soecken een ander ghewin, De Paus den Heylighen man, De Paus den Heylighen man, Mach hy inden Hemel niet,  Waer duyuel laten wy hem dan.
5. Hy quam al voor de Helle gegaen, Hy clopte voor de deure, Den oppersten haddet so schier vernomen,  Hy quammer haestelick veure Lucifer sprack, ghy en moechter niet in, Ghy moetter gaen soecken een ander gewin De Paus den Heyligen man, De Paus den Heyligen man, Mach hy in Hemel noch in Hel, Waer duyuel laten wy hem dan.
6. Hy quam al voor tvagevyer gegaen,  Dat vant hy sonder vragen, Daer hyer so menich bedrogen heeft, Dat mach hy wel geclaghen, Daerom so lijdt zijn siele groote pijn, Om datter so veel bedrogen zijn, De Paus den Heyligen man, De Paus den Heyligen man, Hy en mocht in Hemel noch in Hel, Jnt Vaghevyer laten wy hem dan.

Het ‘lied over de paus’ uit Manderscheid is zowel aan de vorm als aan de inhoud gemakkelijk te herkennen als een versie van lied GLB 14. Opvallend is dat het in Handschrift Manderscheid, net als in de geuzenliedboekjes wordt gekenschetst als een danslied. Er zijn evenwel ook tal van verschillen. 

De beginregel, ‘alles heeft zijn tijd’, is kennelijk een verwijzing naar Prediker 3:1. Het is verleidelijk te denken dat deze beginregel de oorspronkelijke is, die in GLB 14 is geabsorbeerd door de ‘aanhoorformule’. De rest van de eerste strofe volgt de tekst van GLB 14 min of meer getrouw; men kan zich afvragen of in 1:5,6 ‘mens’/‘wens’ het oorspronkelijke rijm is of ‘god’/‘spot’. 

In strofe 2 begint het Manderscheid-lied een duidelijke eigen koers te varen: de regels 2-6 verschillen van de GLB-versie. Dat de refreinregels daarna die van GLB strofe 3-6 zijn is niet echt verrassend: het refrein van GLB strofe 2 paste niet meer na de verandering van 2-6. De negende regel van Manderscheid 4 treft men in GLB aan in strofe 3. 

De openingsregel van Manderscheid strofe 3 komt overeen met die van GLB. Na de eerste regel lijkt de producent van de tekst de draad even kwijt te zijn: hij vervolgt met de refreinregel, met de beide eerste regels van GLB strofe 4, en grijpt daarna terug naar de refreinregels en het slot van GLB strofe 2. Jammer, want daarmee geeft hij de clou prijs die in GLB zorgvuldig is bewaard voor de slotstrofe. 

In strofe 4 neemt Manderscheid 4 de draad weer op van GLB strofe 5 en schildert het wedervaren van de paus bij de poort van de hel. Ook in deze strofe raakt de producent van de tekst de draad al snel kwijt. In de tweede regel duikt opnieuw de refreinregel op, in het vervolg van de strofe heeft hij opnieuw de refreinregels over het vagevuur nodig, de slotregels variëren op die van de vorige strofe. 

In de vijfde strofe van Manderscheid 4 worden de eindjes aan elkaar gebreid. In de tweede regel wordt opnieuw gevarieerd op de refreinregel. De derde en vierde regel van GLB strofe 6 duiken hier op als regel 6 en 5. De slotregel lijkt ontleend aan de slotregel van GLB strofe 4 en 5. 

Men kan Manderscheid 4 beschouwen als een verpieterde versie van het lied dat we kennen uit het geuzenliedboek en het daarmee afdoen. Maar er is hier meer aan de hand. De manier waarop Manderscheid 4, met behoud van de strofevorm van GLB 14, is opgebouwd uit stukken en brokken van het Nederlandse lied, maakt aannemelijk dat we hier een voorbeeld hebben van de manier waarop op papier de tekst wordt gereconstrueerd van een lied dat de schrijver zich, waarschijnlijk met de melodie nog goed voor de geest, herinnert uit de zang. Zo beschouwd is deze, op de keper beschouwd helemaal niet onaardige, reconstructie een bewijs dat GLB 14, ergens aan het eind van de zestiende of het begin van de zeventiende eeuw, niet alleen als tekst uit het geuzenliedboek bekend was, maar dat het ook daadwerkelijk tot het repertoire hoorde in een groep van zangers waar de schrijver van Manderscheid 4 deel van uitmaakte. 

Dat in een liedhandschrift uit de Eifel een lied opduikt dat in het Nederlandse cultuurgebied alleen bewaard is in uitgaven van het geuzenliedboek lijkt misschien verrassend. Maar het Handschrift Manderscheid bevat wel meer liedmateriaal dat met de Nederlanden in verband kan worden gebracht. Wat niet verwonderlijk is. Er waren dynastieke verbanden tussen het huis Manderscheid en adellijke families uit de Nederlanden. En de Eifel kan beschouwd worden als een uitloper van het Maas-Rijn-regio, waarvan H. Tervooren aannemelijk heeft gemaakt dat het een samenhangend cultuurgebied was, dat zowel regionen ten oosten als ten westen van de huidige Duits-Nederlandse grens omvatte. 

Dansen van woede

Liederen over de opstand gaan vaak over het lijden en strijden van het godsvolk. Maar niet alleen daarover. Liedjes als GLB 13 en 14 laten zien dat de reformatorisch-gezinden in de late zestiende eeuw ook andere pijlen op hun boog hadden. Dansliedjes zijn in de geuzenliedboekjes bepaald geen schering en inslag; maar ze mogen, zo zegt het opschrift boven 13, niet ontbreken, omdat zonder hen het spel niet volmaeckt en soude zijn. GLB 13 en 14 laten zien dat er bij de gereformeerden naast weerbaarheid ook ruimte was voor grimmige humor, en dat er voor de goede zaak zelfs gedanst kon worden van woede. 

Dat de geuzenliedjes 13 en 14 zijn gemaakt naar aanleiding van de keuze van een paus kunnen we maar beter vergeten. Er is in feite geen enkele aanleiding om aan te nemen dat ze meer met elkaar te maken hebben dan dat ze allebei spotliedjes zijn op de paus en dansliedjes; en misschien dat ze allebei werden gezongen op de wijs van een bekend kerstlied. Op basis van de tekst kunnen de liedjes niet gedateerd worden. Als er geen parallelteksten boven water komen die nader uitsluitsel geven, zal het wel onmogelijk blijven te bepalen wanneer precies deze liedjes zijn gemaakt. 

De onregelmatigheden in de vorm van GLB 13 en 14  kunnen in de overlevering zijn ontstaan, maar dat is niet noodzakelijk.  Dat deze liedjes gemaakt zijn door een professionele dichter ligt eigenlijk weinig voor de hand. Aannemelijker is dat ze producten zijn van een gelegenheidsdichter. Het zijn buitengewoon aardige liedjes, misschien niet perfect gedicht, maar wel verdraaid aardig gedacht. Dat ze populariteit hebben genoten is goed denkbaar, maar is voor GLB 13 niet te bewijzen. 

Voor GLB 14 wel. Er is een tekstparallel, en dat nota bene uit een bron uit de Eifel. Het kennelijk uit de zang opgetekende Manderscheid 4 is een van de zeldzame getuigenissen dat de geuzenliedjes ook buiten de context van de geuzenliedboekjes populariteit hebben genoten. Of het voorkomen van het liedje in deze verzameling uit de Eifel ook betekent dat de geuzenliedjes verspreiding genoten buiten het kerngebied van de opstand is niet echt bewezen. 

Maar wie weet. Ook van het Wilhelmus is tenslotte de oudste tekst in het Duits overgeleverd. 

Het Geuzenliedboek, naar de oude drukken, uit de nalatenschap van dr. E.T. Kuiper uitgegeven door dr. P. Leendertz Jr. Zutphen 1924/1925 (2 dln).

Geuzenliedboekjes in de Liederenbank: http://www.liederenbank.nl/resultaatlijst.php?zoekveld=geuzenliedboek&submit=zoek&enof=EN&zoekop=titelbron&sorteer=jaar&lan=nl&wc=true

Jos Houtsma. De Stem en de pen, Het Hs. Weimar Oct 146 (het Zutphens Handschrift) en de veranderlijkheid van populaire liederen, in de zestiende eeuw en later. Breda 2012. (Dissertatie Nijmegen), https://www.boekenroute.nl/gasten/gtn1Boek.aspx?BoekID=33077

Jos Houtsma, ‘De stamboom van de geuzenliedboekjes.’ In: TNTL 132 (2016)

Over het Handschrift Manderscheid Johannes Bolte in Zeitschrift für Volksliedforschung 3(1932), p. 148-154. Na Boltes beschrijvinggold het handschrift geruime tijd als verschollen: bij de verkoop van de Fürstliche Stolbergische Bibliothek in Wernigerode, waar Bolte het zag, is het aangekocht door de Staatsbibliothek Berlijn, waar het lange tijd onopgemerkt bleef. Ik heb het handschrift bestudeerd via foto’s.