Antonio Gramsci en Frieslands volksleven

Door Abe de Vries

Na Karl Marx en Friedrich Engels is de Italiaanse filosoof Antonio Gramsci (1891-1937) waarschijnlijk de invloedrijkste marxist uit de hele West-Europese geschiedenis. Deze kleine, misvormde Sardijn werd in november 1926 door de fascisten van Mussolini gearresteerd en schreef in de gevangenis, in enigszins verhullende taal (want onder het toeziend oog van de censuur), reeksen notities over cultuur, macht en politieke theorie.

De Quaderni del carcere – meer dan drieduizend pagina’s – werden pas in de jaren vijftig gepubliceerd en worden aan universiteiten nog immer driftig bestudeerd. Ze zijn een inspiratiebron gebleken voor vooral linkse maar later ook wel rechtse politieke bewegingen die willen dat onderliggende bevolkingsgroepen zich ontworstelen aan de ‘hegemonie’ – een typisch Gramsci-begrip – van een heersende klasse. Een mooie selectie verscheen vorig jaar in een Nederlandse vertaling van de Utrechtse historicus en filosoof Arthur Weststeijn, onder de titel Alle mensen zijn intellectuelen.

Hoe kom ik er bij om Gramsci te lezen? Ik kende zijn werk – in grote lijnen – nog uit de korte tijd dat ik politicologie studeerde aan de Universiteit van Amsterdam. Aan het begin van de jaren tachtig had ‘links’ het nog net voor het zeggen rond de Oudemanhuispoort. Maar toen kwam het neoliberalisme: maatschappijkritische politicologie werd zakelijke bestuurskunde, ik ging andere wegen en vergat de kleine Italiaanse denker. Nu ontmoet ik hem weer, niet om zijn communisme maar om zijn originele gedachten over volkscultuur op een rijtje te krijgen. Dat vloeit voort uit mijn studie van de Friese ‘volksschrijverij’ van de negentiende eeuw, meer in het bijzonder het werk van Waling Dijkstra. Dat werk is immers te beschouwen als, in letterlijke zin, folk-lore: het berust op de kennis, verbeelding, tradities en bijbehorende artefacten van ‘gewone mensen’, het volk.

Gramsci’s notities over folklore vormen tegenwoordig de basis onder een discipline die door de Amerikaanse antropoloog Stephen Olbrys Gencarella ‘Critical Folklore Studies’ is genoemd. Daarin wordt gesteld dat volkscultuur altijd zowel een conservatief als een progressief element in zich draagt. Volkscultuur neigt naar conservatisme en nostalgie, zegt Gramsci, voorzover zij niet is ‘verlicht’ en een verlengstuk blijft van hegemoniale cultuur. Maar ze is óók vooruitstrevend, meent Gencarella bij Gramsci te lezen, wanneer ze zich identificeert met onderliggende maatschappelijke groepen (het ‘volk’) die van nature zouden streven naar verandering en verbetering.

Zo’n zelfde dubbelheid is bij Waling Dijkstra aan te wijzen. U heeft vast wel eens de folkloreverzameling Uit Friesland’s volksleven (1892-1896) in handen gehad. Het is een inventaris van oude, ‘overleefde’ gebruiken en volksverhalen in Fryslân en maakt deel uit van de nostalgiegolf die Europa overspoelt als rond 1900 de industrialisering z’n beslag heeft gekregen. Maar Dijkstra’s eigen, eerdere folkloristische werk, uit de jaren veertig, vijftig en zestig, is juist contemporain gericht en houdt verband met het emancipatiestreven van de Friestalige kleine burgerij.

Wat ik nu wil weten, is hoe die ontwikkeling van progressieve naar conservatieve volkskunst bij Dijkstra precies is te verklaren. Misschien helpt de beroemde Italiaanse marxist zo nog een beetje mee om meer inzicht te krijgen in het ontstaan van onze eigen Fries-Nederlandse cultuur.

Antonio Gramsci, Alle mensen zijn intellectuelen. Notities uit de gevangenis. Vertaald en toegelicht door Arthur Weststeijn (Van Tilt, Nijmegen 2019)
Dit stuk verscheen eerder in het Friesch Dagblad, 4 juli 2020