Zoetgevooisde vinders: Henry Wadsforth Longfellow en Guido Gezelle

Door Peter J.I. Flaton 

Toen Longfellow in 1868 in audiëntie ontvangen werd door koningin Victoria, merkte die tot haar verbazing dat haar personeel op gepaste afstand samendromde om een glimp van de dichter op te vangen: al die kamermeisjes en lakeien bleken zijn werk te kennen: ‘Such poets wear a crown that is imperishable’, noteerde ze (hier en in wat volgt, laat ik me leiden door: Nicholas Barbanes, Cross of Snow: a Life of Henry Wadsforth Longfellow, New York, 2020). Dat die kroon hem intussen ontnomen is (tegen de ingetogen Emily Dickinson en de zo barokke Walt Whitman, als voorlopers van het modernisme gezien, heeft hij het moeten afleggen), weerspreekt niet, dat Longfellow bij leven immens populair is geweest als vertaler en als creatief auteur.

Hoewel hij al vroeg van een literaire carrière droomde, zag zijn vader daar geen droog brood in en hij liet hem bij wijze van compromis een Europese ‘grand tour’ maken, waardoor hij zoveel talenkennis zou opdoen dat hij als universitair docent aan het werk kon. Weer thuis na een reis van drie jaar (1826-1829) had hij genoeg Frans, Italiaans en Spaans in zijn mars om in het Bowdoin College (zijn ‘alma mater’ in Brunswick, Maine) aan de slag te gaan. Na zes jaar (hij was intussen getrouwd met Mary Potter) kreeg hij het aanbod hoogleraar moderne talen in Harvard te worden op wel de voorwaarde, dat hij zijn Duits zou bijspijkeren. Dat betekende studeren in Duitsland. Op april 1835 maakte hij met Mary de oversteek, het begin van een zeer intensieve studieperiode, overschaduwd door het overlijden op 29 november van zijn echtgenote aan de gevolgen van een miskraam. Niettemin zette hij door, spoedig de kennis van vijftien talen machtig. Intussen had hij in Zwitserland Fanny Appleton ontmoet, dochter van een textielmagnaat uit Boston en net als hij bezeten van literatuur. Smoorverliefd op haar (hij bestookte haar al die tijd met notities, artikelen en boeken en zelfs een paar castagnetten) duurde het nog zeven jaar vooraleer Fanny zich gewonnen gaf: in 1843 was het zover, ja begon, aldus de bruidegom, zijn “’Vita Nuova’ of happiness”. 

Hoewel hij als dichter al naam had gemaakt met Voices of the Night (1839) en Ballads and other Poems (1841) waarin hij zich liet kennen als een metrisch meester met een Romantische ‘touch’ en vooral een grote kennis van de Europese literatuur, brak hij in 1845 echt door met The Poets and Poetry of Europe, een ruime bloemlezing van mee met Fanny vertaalde poëzie, de eerste in zijn soort in de VS (daarom alleen al verdient Longfellow een plek in de literatuurgeschiedenis). Intussen kon het niet op en met het verschijnen in 1847 van Evangeline: a Tale of Acadie werd hij een nationale beroemdheid als de schepper van een Amerikaanse mythologie (zelfs Walt Whitman had er een goed woord voor over). Gebaseerd op het historische feit van de Britse etnische zuivering van wat nu de Canadese kustprovincies zijn waaruit tussen 1755 en 1763 de Acadiërs verdreven werden, is Evangeline (…) een romance in verzen (à la Sir Walter Scott) waarin de heldin op zoek is naar haar geliefde Gabriel, door de Britten in de ‘outback’ gedumpt: een odyssee waarin Longfellow zijn pastorale register laat spreken in de uitgebreide natuurbeschrijvingen. 

Dat hij koos voor de dactylische hexameter impliceert daarbij, dat hij deze vertelling wilde spiegelen aan het Griekse en Latijnse epos: er op haar wijze een equivalent van in een Amerikaanse gestalte. 

Anders dan Ralph Waldo Emerson die ervoor pleitte de Europese literatuur als ballast overboord te zetten, putte Longfellow vanuit zijn grote kennis van talen en literaturen uit het reservoir van wat Goethe de ‘Weltliteratur’ had genoemd, naar ook het voorbeeld van Johann Gottfried (von) Herder met zijn these van de unieke en onnavolgbare identiteit van elk volk waarvan de “Geist” zich bij uitstek openbaart in zijn literatuur.

Als behorend tot de mondiale humaniteit waarin volkeren en hun culturen gelijkwaardig zijn, krijgen de Verenigde Staten dankzij Longfellows pen hun plek in het multiculturele koor, in samenzang met Hellas en Rome wier metrum zijn Evangeline (…) schraagt. 

Op zijn beurt is The Song of Hiawatha daarvan een gerijpt vervolg. Het doel ervan was de verschillende tradities van de Amerikaanse Indianen in een geheel samen te brengen. Daartoe maakte hij van etnografische studies en van de autobiografie van George Copway, behorend tot het Ojibwa-volk, gebruik. 

Hiawatha nu is een Ojibwa-superheld die vrede sticht en zijn volk  beschaaft door het te leren maïs te verbouwen en een pictografisch alfabet te ontwikkelen waardoor nobele wilden cultuurdragers worden conform de Europese utopische visie op ‘primitieve’ volkeren die erop wachten te participeren in de eerder genoemde mondiale humaniteit.  Interessant is, dat Longfellow het Indiaanse animisme daarbij intact hield: de overtuiging dat elk levend wezen, van plant en boom tot en met insect en vogel, bezield is en daardoor bescherming verdient. 

Deze keer liet hij zich inspireren door het Finse Kalevala-epos zowel wat de opzet als wat het metrum betreft (in dit geval: de trocheïsche viervoeter): in meer dan 5400 verzen verdeeld over tweeëntwintig episoden vertelt The Song of Hiawatha (later door Longfellow een “Indiaanse Edda” genoemd) hoe ‘de’ Indianen zich laten kennen in het literaire kunstwerk van de ‘zoetgevooisde vinder’ (we ontmoeten hem in episode 6) Chibiabos, een van Hiawatha’s boezemvrienden. 

Hoewel de Indiaanse taal (hier: het Algonquin) alleen zichtbaar is in  de naamgeving, slaagde Longfellow erin het verhaal een authentieke glans te geven. 

De respons van de lezers was ernaar: bij verschijnen in 1855 werden er direct 4000 exemplaren verkocht. Wat ons daarbij direct voor de dichter inneemt, is dat het racistische‘establishment’ niets van het epos hebben moest omdat Longfellow een positief beeld van de eerste Amerikanen schetste. Dat hij de opbrengst ervan gebruikte om slaven in het geheim vrij te kopen, komt daar nog eens bij. Trouwens, met de publicatie van Poems on Slavery (1842) had hij al laten zien aan welke kant hij stond. Het leverde hem deze sneer van Edgar Allen Poe (nog zo’n modernistisch boegbeeld) op: de bundel was z.i. ‘intended for the especial use of those negrophilic old ladies (mijn cursivering) of the north, who form so large a part of Mr. Longfellows friends’. 

Dat hij vrienden ook elders had, blijkt uit het aantal vertalingen: maar liefst vijfenveertig stuks in ook en vooral ‘kleine talen’ die zich lieten inspireren door het linguïstisch nationalisme waarvan h.i. The Song of Hiawatha zo’n sprekend voorbeeld was. Wat Longfellow gedaan had voor de Indianen, deden de vertalers voor hun volk: een kennismaking met de Indiaanse identiteit kon de eigen talig-culturele bewustwording op gang brengen. Als we de Indiaan in ons bewustzijn vinden, worden we ons tegelijk bewust van onze eigen identiteit. 

Nu, een van die vertalers was Guido Gezelle wiens Hiawadha’s Lied (bereikbaar in deel IX van Guido Gezelle’s dichtwerken, Amsterdam, 1896, 1-208 waarbij 174-208 een verklarende woordenlijst bevat) in 1886 verscheen onder de titel: “The Song of Hiawatha”. Overgedicht in ’t Vlaamsch. het bijwijlen moeizame resultaat van wat in 1856, een jaar na de Engelse publicatie, begon (ik maak in wat volgt gebruik van het artikel van K. Platteau, “Gezelle vertaalt Longfellow”, in: Guido Gezelle, 1899-1999, tien reken en een toovertik, Brugge, 1999, 105-111). 

Gezelle kreeg het boek in handen op 31 augustus 1855 dankzij Felix Bethune, zijn leraar-collega in het kleinseminarie Roeselare, die het uit Engeland voor hem meebracht. Hij maakte er meteen een vertaal- en dichtoefening van in zijn lessen, publiceerde een van de episoden  in Het Vlaemsche Land in 1857 en herdrukte die gewijzigd in zijn debuut Dichtoefeningen (1858). Daarbij was een van Gezelles doelen pastoraal missionair: zelf dromend van een missionarisschap in Groot-Brittannië (vandaar zijn niet aflatende studie van het Engels) spoorde hij leerlingen aan het geloof te verkondigen in exotische landen als Amerika en het Verre Oosten. Theofiel Van de Moortel was er zo een: wanneer hij in 1865 in een brief aan het thuisfront het landschap in Saint-Louis, Missouri beschrijft, verwijst hij expliciet naar Het lied van Hiawatha

De episode was trouwens de vijfde waarin Hiawatha’s vasten en zijn worstelingen met Mondamin (onwillekeurig gaan de gedachten hier uit naar Jezus’ verblijf in de woestijn en Jacobs worsteling met de engel) uitlopen op het geschenk van de maïs ‘om voor eeuwig ’t volk te voeden’ (we zien hier een van Hiawatha’s cultuurstichtende daden). 

Door die in zijn eersteling op te nemen diepte Gezelle het motief van de graankorrel die moet sterven uit als allegorie van de verspreiding van het christendom: net als die maïskorrel zou ook dat in Amerika wortel schieten. 

Gezelles vertrek uit Roeselare betekende niet het einde van het project dat door Hugo Verriest werd overgenomen. Die hield Gezelle op de hoogte en vroeg hem om advies waarbij ook Emile Lauwers betrokken werd. Uiteindelijk was Gezelle ontevreden over het vertaalresultaat en trok hij het project naar zichzelf toe. Het resultaat is een overdichting waarvan in 1886 6800 exemplaren verschenen die niet de interesse wekten die de uitgever en de dichter ervan verwacht hadden: ze werd nauwelijks besproken en zo bleef die een tekst voor ingewijden gelet op het in de ogen van doorsneelezers te moeilijke taalgebruik. 

Gezelles titanenarbeid die hij combineerde met zijn queeste naar oude woorden die hij inzette om het eigen poëtische ideolect te verrijken en waarvan hij de resultaten in Loquela samenbracht, bestond niet alleen uit vertalen maar ook uit extra studie: hij bestudeerde het Algonquin (ook Gezelle was een geverseerd polyglot) en raadpleegde studies van Amerikaanse en Franse etnologen. Extra huiswerk dus dat resulteerde in meer dan een een-op-een vertaling zoals al blijkt uit ‘overgedicht’. 

Prosodisch en klankmatig herdichtte Gezelle Longfellows tekst door die te verrijken met ritmewisselingen, assonanties en alliteraties (een van Gezelles verstechnische favorieten). Daarbij komt de inzet van de morfologische productieregel die afleidingen met ‘ge-‘ (80% meer dan in zijn vroegere werk) en prefixen met ‘be-‘ en ‘ont-‘ oplevert. Voeg daarbij de 57 nominale samenstellingen-met-weglating (bv. ‘reis- en strijd- en wapen-toestel’), 34 nieuwe adjectivische samenstellingen (bv. ‘lang-gevlerkt’), 22 kleuren- en 23 verbale nieuwvormingen (bv. ‘geluwen’, ‘zonnezuipen’) en we zien hier een gedreven taalvorser aan het werk, op zoek naar het juiste woord op de goede plek en dat zelf scheppend als dat dit doel diende. Dat Gezelle zich hiermee liet kennen als een creatief dichter eerder dan als ‘zomaar’ een vertaler, heeft ertoe geleid dat ‘men’ in zijn Hiawadha’s lied een ‘aemulatio’ van Lonfellows origineel is gaan zien en dat spoort met Gezelles ook classicistisch gepoolde poëtica. 

Maar wat hier beslist nog zwaarder weegt, is de rol die deze hertaling in Gezelles latere werk is gaan spelen: zijn twee latere dichtbundels –Tijdkrans en Rijmsnoer– zijn met het poëtisch materiaal dat hij voor Hiawadha’s lied had geëxploreerd en geëxploiteerd geïmpregneerd. 

Neem de stafrijmen: er is er minstens een in een van de vijf regels en daarbij in negen verschillende formaties die in de brontekst ontbreken. In het latere werk vinden we de sporen van die stafrijmliefde terug net als metaforen en archaïsche woorden, gevoegd bij de boven genoemde morfologische vernieuwingen. 

Zo werd het werken aan de hertaling van Longfellows epos een heuse school der poëzie waarin Guido Gezelle zichzelf als scheppend dichter na een lange periode van zwijgen her-uitvond. Dankzij Longefellow is Gezelle zo de dichter kunnen worden wiens werk behoort tot het beste wat de Nederlandse taal in poëtisch opzicht te bieden heeft. 

Als nu hopeloos obsoleet beschouwd in academisch-literaire kringen in de VS is Henry Longfellow in de geschiedenis van de Nederlandse literatuur een vernieuwer gebleken in die zin dat diens The Song of Hiawatha de wedergeboorte van de dichter Guido Gezelle mogelijk heeft gemaakt.  Daarom verdient zijn tekst het gelezen te worden in de bewerking van zijn Vlaamse geestverwant. 

Gezelles nalatenschap bevatte een tomahawk, de vredespijp van het stamhoofd Black Eagle en een bijbelvertaling in de taal van het volk van de Potewatomi dat leefde aan de oevers van de Mississippi. De Indiaan deed er voor Gezelle echt toe: via zijn vertaling kon hij zich met hem identificeren en er zijn Westvlaamse lezers mee inspireren: ook ‘Indian lives matter’.