Top 40 van de Gouden Eeuw – 40

Door Margot Kalse en Olga van Marion

Nederlanders zingen heel veel, niet alleen in kerken en koren, maar ook op feestjes, bij bruiloften en onder de douche. Dat doen ze al eeuwen. Wie verliefd of verlaten is zingt een popliedje, wie in nood is het Wilhelmus of een psalm, en wie een kind in slaap sust een wiegenlied. Een gouden tijd voor het Nederlandse lied is de periode van de late zestiende en de zeventiende eeuw, wanneer al die liedjes verzameld in liedbundeltjes op de markt komen, geschikt voor jong en oud. Muzieknotatie is niet nodig, want de boekjes bevatten contrafacten: teksten van liedjes met aanduiding van de bekende melodie waarop ze gezongen kunnen worden.
Voor de Top 40van de Gouden Eeuw hebben we de veertig populairste melodieën uit de Nederlandse Liederenbank geselecteerd, die destijds in het Nederlandse taalgebied het meest gebruikt zijn. Bij deze melodieën hebben we mooie, ontroerende en verrassende liedteksten uit die tijd gezocht om Nederlandstaligen van nu in staat te stellen kennis te maken met de rijkdom van dit cultureel erfgoed. Iedereen kan nu met behulp van de muzieknotatie of de midi-files de liedjes leren zingen. Van tijd tot tijd zullen we een exemplaar uit de Top 40 publiceren, tot we bij de allerpopulairste melodie op nummer 1 zijn.
In het boekje waarin alle liedjes verschijnen, willen we uw commentaar graag verwerken.

Allez où le sort vous conduit

Deze naam verwijst naar een courante, een snelle dans in driedelige maatsoort, gecomponeerd door Pierre Chabanceau de la Barre (1592-1656). Deze in de zeventiende en achttiende eeuw zeer populaire melodie werd vaak aangeduid met de naam van de componist: ‘Courante la Bare’. Het lied ‘Helaas mijn zuchten zijn om niet’ werd geschreven op deze melodie en werd op zijn beurt zo bekend dat het als wijsaanduiding werd gebruikt, zoals voor ons liefdesliedje  uit de bundel Clioos Cytter (1669). De twee geliefden die we hier horen, zijn bekenden uit het Italiaanse epos La Gerusalemme liberata van Torquato Tasso. Zij is Armida, tovenares, en hij is Rinaldo, ridder. Volgens de dichter ‘G.V.W.’ ofwel Geraerd van Wolschaten, boekdrukker en deken van de Antwerpse rederijkerskamer De Violier, heeft Rinaldo zijn geliefde na het boeten van ‘zijn minnelusten’ schandalig in de steek gelaten. Armida kan hem daarom wel vermoorden. Gelukkig brengen Cupido en Venus het stel weer bij elkaar.

Toon: Helaas mijn zuchten zijn om niet

3. Vol wraaklust, vat zy ’t moort-geweer,
Gemoedigt om zijn borst daer meê te grieven;
Maer straks de Liefde riep: ‘Ey lieve,
Ey lieve, spaar toch deze Jongen heer!’
De schalm verdreef haer wreede zin, 
De felle Wraak gink voor de zoete Min, 
Zy voelt haer hart en ziel door liefde prangen
En spreekt: ‘Ik moet 
U houden hier gevangen, 
Tot je my voldoet’.

4. Terstont zoo keurt zy uyt ’t velt
Het frissche groen, met bloem en kruyt doormengelt,
’t Geen zy met taaye bieze strengelt,
En bint daer meê die kloeke Oorlogs-helt;
Die nooit op Mars en heeft gepast,
Raakt door een Vrouw in minne strikken vast,
Die hem vergunt, gevoelt in deze banden,
Voor straf genâ,
En zoekt met offerbranden
Gunst van Cipria.

5. De zoete Venus zag dees brant
Met yver aen, en daelde vrolijk neder,
Om dees gescheyde Liefjes weder
Op nieuws te hechten met een nieuwe bant.
Rinaldo onderwijl ontwaakt,
Voelt hem geboeit, en ’t hart door min geraakt.
Kust vriendelijk Armiedes mondt en wangen,
En smeekt en vleyt:
‘Ey houdt my dus gevangen
In der eeuwigheyt.’

Men ziet naa Mins genot, dat liefde neemt een keer; 
Doch anders blijckt het hier: want schoon Rinald Armiede, 
Na Mins volbragte lust, metloosheyt gink ontvliede, 
Houdt nochtans trouw beloft, en eert Armiede weêr.
G.V.W.
UYT.

geboedtbotgevierd
loosheidtlistigheid
verkeertverandert
onvertsaagtdapper
beemdenvelden
borstbarstte
by Plutoos zielennaar de onderwereld
fielschurk
geweerwapen
gemoedigtvastberaden
grievenverwonden
straksmeteen
de LiefdeAmor (of Cupido)
schalmschelm (t.w. Amor)
ginkweek
prangenknellen
my voldoetvoldoet aan mijn wens
keurtkiest
strengeltvlecht
Die nooit op Mars en heeft gepastdie nooit bang was om te vechten
verguntschenkt [de druk leest ‘nergunt’]
VoorIn plaats van
CipriaVenus
dees brantdit brandoffer
yvergenegenheid
hemzich
EyAch!
duszo
schoonhoewel
met loosheytdoortrapt
G.V.W.Geraerd van Wolschaten

Tekst uit: Clioos Cytter, slaande aardige gezangen, nieuwe wyzen, geestighe steekdichjes en brandende minnekusjes (Amsterdam: voor Baltus Boekholt, 1669), p.245. https://www.dbnl.org/arch/_cli001clio01_01/pag/_cli001clio01_01.pdf (pdf p. 232-236)
Melodie uit: Willem de Swaen, Den singende swaen, dat is den lof-sangh der heyligen, die als singende swaenen, de dood blygeestigh hebben ontfangen (Antwerpen, Arnout van Brakel, 1664), p. 111 http://objects.library.uu.nl/reader/index.php?obj=1874-36165 (pdf p. 120)