Top 40 van de Gouden Eeuw – 39a

Door Margot Kalse en Olga van Marion

Nederlanders zingen heel veel, niet alleen in kerken en koren, maar ook op feestjes, bij bruiloften en onder de douche. Dat doen ze al eeuwen. Wie verliefd of verlaten is zingt een popliedje, wie in nood is het Wilhelmus of een psalm, en wie een kind in slaap sust een wiegenlied. Een gouden tijd voor het Nederlandse lied is de periode van de late zestiende en de zeventiende eeuw, wanneer al die liedjes verzameld in liedbundeltjes op de markt komen, geschikt voor jong en oud. Muzieknotatie is niet nodig, want de boekjes bevatten contrafacten: teksten van liedjes met aanduiding van de bekende melodie waarop ze gezongen kunnen worden.
Voor de Top 40 van de Gouden Eeuw hebben we de veertig populairste melodieën uit de Nederlandse Liederenbank geselecteerd, die destijds in het Nederlandse taalgebied het meest gebruikt zijn. Bij deze melodieën hebben we mooie, ontroerende en verrassende liedteksten uit die tijd gezocht om Nederlandstaligen van nu in staat te stellen kennis te maken met de rijkdom van dit cultureel erfgoed. Iedereen kan nu met behulp van de muzieknotatie of de midi-files de liedjes leren zingen. Van tijd tot tijd zullen we een exemplaar uit de Top 40 publiceren, tot we bij de allerpopulairste melodie op nummer 1 zijn.
In het boekje waarin alle liedjes verschijnen, willen we uw commentaar graag verwerken.

Psalm 103

De melodie van psalm 103 komt, zoals alle psalmmelodieën in deze Top 40 van de Gouden Eeuw, uit het Geneefse Psalter van 1562, de berijming in het Frans van de 150 Psalmen van David uit de Bijbel, die werd gemaakt om de kerk van de Reformatie te voorzien van liederen om in de eredienst te zingen. De melodieën werden bijna allemaal speciaal hiervoor gecomponeerd. Voor Psalm 103 hebben we de berijming gekozen van Petrus Dathenus ofwel Peter Datheen (1531-1588), wiens bundel De Psalmen Davids (1566) in de calvinistische kerk van de Nederlanden lange tijd de officiële versie is geweest voor de liturgie. Aan het woord is David, die zijn God looft en ‘alle creaturen’ oproept hem te prijzen. Hoewel het taalgebruik van Datheen wat onbeholpen is, hebben de kerkgangers eeuwenlang vol overtuiging de woorden van deze psalm gezongen: God is ‘barmhertigh’, ‘vriendtlick’ en ‘tot toorn langhmoedigh’; hij maakt ons niet alleen vrolijk, maar zelfs weer – in de woorden die Datheen aan de bijbelvertaling ‘Deux Aes’ van 1562 ontleent – zo jong als een arend.

David singht van die groote end menigherley goedtheyt Godts, die hy den menschen bewyst.
Daernae vermaent hy alle creaturen, dat se hem prysen ende eeren.

3. Die uwen mondt volmaeckt met goet end vrueghden,
End u jongh maeckt, end daertoe ooc vol jueghden,
Also men den Arent jongh werden siet.
Hy is de Heer, die ghedenckt t’allen tyden,
Ghenaedelick hen die hier onrecht lyden,
Dat recht is te doen in al haer verdriet.

4. Hy heeft Mosi, dat wy niet souden dwaelen,
Sijn weghen verklaert end willen verhaelen;
Israel heeft hy ghetoont sijn doen al.
Hy is een Heer barmhertigh end seer goedigh,
Hy vergheeft haest end is tot toorn langhmoedigh,
Volmaeckt in goetheit, ‘t welck hy blyven sal.

5. Het is wel waer, dat als wy onghestaedigh
Hem vergrammen, so straft hy ons ghenaedigh,
Nochtans blyft hy niet verstoort langhen tydt.
Hy handelt met ons niet nae onse sonden,
Hy is vriendtlick, end straft tot gheenen stonden
Ons nae verdienst, maer scheldt ons alles quyt.

6. So hoogh als de hemel staet van der eerden,
So groot is sijn goetheit, hen die aenveerden
Die heylighe vreese sijns Woorts voortaen.
Veel wyder dan ‘t Ooste klaer is ghestanden,
Van den Westen: so heeft sonden end schanden,
Ons Godt van ons uyt ghenaeden ghedaen.

7. Ghelyck een vader hem pleeght te erbaermen
Over sijn kindt, so wilt hem Godt ontfaermen
Over hen die hem vreesen in ‘t ghemeyn.
Wat de mensch sij, dat bekent de Heere,
Hij weet oock wel, dat wy vol van oneere,
Niet anders sijn dan stof end stanck onreyn.

8. Als gras end hoy is hier des menschen leven,
Die heerlick bloeyt sijnd’ een wyle verheven,
Als een schoone blomme staend’ op dat veldt.
Maer als de windt een mael daer over dryvet,
Sy vergaet haest, so dat niet langher blyvet
Haer plaetse daer se voormaels was ghestelt.

9. Maer Godts barmherticheit sal eewigh dueren
Hen die hem vreesen; end tot elcker uren,
Over ‘s kindts kindt blyft sijn gherechticheit
Dien die sijn bondt houden sonder afwycken,
Die sijnen wille steedts doen desghelycken,
Uyt ‘s herten grondt met aller vlieticheit.

10. Godt heeft sijnen stoel vastelick bereydet
In den hemel, end sijn ryck uytghebreydet,
Den welcken alles onderworpen is.
Dies loeft hem, ghy Engelen sterck in krachten,
Ghy die daer uytrecht met vliet end met machten
Sijn bevel, met haest end met vrueghdt gewis.

11. Loeft den Heer alle ghy hemelsche schaeren,
End maeckt hem groot, ghy sijn trauwe dienaeren,
Die sijnen wille tot aller tydt doet;
Wilt al sijn doen over al heerlick loven.
End ghy myn siel wilt den Heer van hier boven
Altydt groot maecken met hert end ghemoedt.

Petrus Dathenus

met vlietzonder aarzelen
onbelaedenonbekommerd
blootzonder meer
Mosiaan Mozes
haestsnel
vergrammenkwaad maken
henvoor hen
ghedaenweg gedaan
hemzich
bekentbegrijpt
DienVoor degenen die
vlieticheittoewijding
uytrechtuitvoert

Tekst en melodie uit: Petrus Dathenus, De Psalmen Davids, Ende Ander Lofsanghen, Wt Den Francoyschen dichte in Nederlandschen overghesett, De welcke men voortaen in de Nederlandsche Ghemeynten ghebruycken zal (z.pl., 1566), Psalm CIII. https://books.google.nl/books?id=5ORNAAAAcAAJ (pdf p. 405-407)