In Memoriam dr. Hugo Ryckeboer (1935-2020)


Hugo Ryckeboer en Magda Devos in het WVD-redachtielokaal (1996)

Door Magda Devos

Op 21 mei ll. overleed te Oudenaarde de Gentse taalkundige Hugo Ryckeboer. Hij zou in juli van dit jaar 85 zijn geworden. Hij was een alom gewaardeerd dialectoloog en lexicograaf, en tevens de grootste specialist van zijn generatie inzake de streektaal en de taalsociologie in Frans-Vlaanderen.

Hugo Ryckeboer werd geboren en groeide op als tweede van vier kinderen in een landbouwersgezin te Izenberge in de West-Vlaamse Westhoek, op een boogscheut van Hondschote over de Franse grens. Het ouderlijk hof is nog steeds in handen van de familie en wordt nu geëxploiteerd door de zoon van zijn jongste broer.

Na zijn middelbare studies te Veurne ging hij Germaanse filologie studeren in Leuven en in Gent. Hij studeerde af als licentiaat in 1959 met een licentiaatsverhandeling getiteld  Een bijdrage tot de antroponymie van de streek rond Brugge in de eerste helft van de 14e eeuw, aan de hand van 3 cijnslijsten van de Gentse St.-Pietersabdij. Het pad van de naamkunde zou hij in zijn verdere loopbaan nog meermaals bewandelen, met bijdragen over toponiemen en persoonsnamen in Frans-Vlaanderen, en als hoofdredacteur van het in 2010 verschenen Woordenboek van de Vlaamse gemeentenamen. Dat woordenboek werd samengesteld in de schoot van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie, waarvan Hugo lid was sinds 2005. 

Ryckeboers belangstelling ging echter vooral uit naar taalvariatie en historische taalkunde. Hij bevond zich daarmee in een Gentse onderwijs- en onderzoekstraditie die aan het einde van de 19e  eeuw was geïntroduceerd door prof. Jozef Vercoullie, de eerste hoogleraar Nederlandse Taalkunde aan de Gentse alma mater, en tot hoge bloei kwam onder diens opvolgers E. Blancquaert, W. Pée, V.F. Vanacker en J. Taeldeman. 

Zijn beroepsloopbaan begon Ryckeboer als leraar Nederlands, Engels en Duits aan de Nijverheidsschool (nu Koninklijk Technisch Atheneum) te Gent. Na tien jaar verkreeg hij een loopbaanonderbreking in het onderwijs om aan de slag te gaan als wetenschappelijk medewerker bij de afdeling dialectologie van het Instituut voor Dialect-, Volks- en  Naamkunde van de Koninklijke Nederlandse Academie te Amsterdam, de voorloper van het Meertens Instituut. Hugo’s taak bestond er onder meer in een netwerk van informanten uit te bouwen voor de Amsterdamse dialectenquêtes in Vlaanderen. In die periode ging hij al geregeld de boer op in Frans-Vlaanderen om er aan de hand van vragenlijsten mondeling te enquêteren.

Zijn vaste baan aan de Nijverheidsschool zou hij nooit meer opnieuw opnemen, zijn hele verdere carrière stond in het teken van de taalwetenschap en met name de dialectologie.

In 1972 had prof. Willem Pée bij het Belgische Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (nu Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek – FWO) een krediet weten te verwerven om een wetenschappelijk woordenboek van de Vlaamse dialecten op het getouw te zetten, een droom die hij al koesterde sinds het interbellum, toen hij in Frans- en West-Vlaanderen dialect opnam voor de Reeks Nederlandse Dialectatlassen (RND), die door zijn leermeester en voorganger Edgard Blancquaert in de jaren 1920 was geïnitieerd. 

Hugo Ryckeboer werd, tezamen met mezelf, Magda Devos, aangetrokken als wetenschappelijk medewerker aan het nieuwe lexicografische project.  Het redactiecomité omvatte naast de initiatiefnemer en de twee kersverse uitvoerders ook Pées opvolger, de hoogleraar Frits Vanacker, en Johan Taeldeman, toen nog assistent bij het Gentse seminarie voor Nederlandse Taalkunde en Vlaamse Dialektologie, later de vakgroep Nederlandse Taalkunde. Het Woordenboek van de Vlaamse Dialecten (WVD), zo werd beslist, zou quaopzet en werkwijze  aansluiten bij twee andere grootschalige regionale woordenboeken, die toentertijd aan de universiteit van Nijmegen onder leiding van prof. A. Weijnen in de maak waren, het Woordenboek van de Brabantse en het Woordenboek van de Limburgse Dialecten (resp. WBD en WLD). Naar Nijmeegs voorbeeld werd gekozen voor een systematische verzameling van de woordenschat, d.w.z. onderwerp per onderwerp, via schriftelijke en mondelinge enquête in een dicht net van controlepunten in Oost-, West- en Frans-Vlaanderen. Later zou daar ook Zeeuws-Vlaanderen bij komen, het noordelijkste gewest van het historische Graafschap Vlaanderen werd. Het woordenboek zou worden gepubliceerd in thematische afleveringen binnen drie grote delen, resp. Landbouwwoordenschat, Niet-agrarische vaktalen en Algemene woordenschat. Het eerste te behandelen werkelijkheidsdomein was de traditionele landbouw, met zijn omvangrijke en vaak heel oude woordenschat.  

De uitvoerders gingen meteen op zoek naar plaatselijke contactpersonen en zegslieden, om het al bestaande medewerkersbestand van de Amsterdamse vragenlijsten aan te vullen. Hugo Ryckeboer stelde een reeks vragenlijsten op naar de landbouwterminologie, en putte daarvoor uit zijn eigen kennis van het boerenbedrijf en die van zijn vader, een buitengewoon taalvaardig man, die ook het kleinste onderdeel van elk werktuig en het geringste detail van elke handeling wist te benoemen. In 1979 verscheen de eerste aflevering agrarische woordenschat, getiteld Akkerland en weiland, tezamen met een apart deeltje Inleiding. Er zouden nog 26 afleveringen volgen, waarvan een tiental met Ryckeboer als auteur of co-auteur.

Een belangrijk moment in de geschiedenis van de drie grote woordenboekprojecten van het zuidelijke Nederlands (WBD, WLD en WVD) was de introductie van de computer op de redacties eind jaren 1980. Daarbij beet het Vlaamse woordenboek de spits af. Het was Hugo Ryckeboer die bij een jonge Gentse neerlandicus met specialisatie computerlinguïstiek en werkend bij een klein Gents IT-bedrijf, belangstelling wist te wekken voor de automatisering van de data-opslag en de redactionele werkzaamheden.  IT-whizzkids die ook een deugdelijke taalkundige opleiding hebben genoten en door de combinatie van deze competenties de behoeften van een taalkundig, in dit geval lexicografisch, project goed kunnen inschatten, waren in die tijd nog witte raven. Intense samenwerking tussen het WVD-redactieteam en het genoemde bedrijf resulteerde in een softwarepakket dat toonaangevend is geweest bij de automatisering van de dialectlexicografie in de Nederlanden en elders in Europa. In de loop der jaren is de programmatuur steeds uitgebreid en verfijnd, de samenwerking duurt voort tot vandaag. 

Omstreeks diezelfde tijd rijpte aan beide kanten van de rijksgrens het idee om op termijn de drie grote woordenboeken samen te voegen tot één omvattend digitaal woordenboek, waarin ook het Woordenboek der Zeeuwse Dialecten (eerste uitgave 1964) zou worden geïntegreerd, zodat het hele gebied bezuiden de grote rivieren zou worden bestreken. Vanuit dat oogmerk leek het wenselijk de contacten tussen de verschillende redacties te intensiveren en te institutionaliseren in een overlegorgaan onder de vleugels van de Nederlandse Taalunie.  Zo’n samenwerkingsverband zag het levenslicht in 1989, het zogenaamde Permanent Overleg Regionale Woordenboeken (Rewo).  Voorzitter was prof. A. Hagen, Weijnens opvolger in Nijmegen; Hugo Ryckeboer, die zich had beijverd om het plan gestalte te geven, werd secretaris en bleef dat tot 1999. Tot de doelstellingen van het Rewo behoorde naast de inhoudelijke afstemming van de drie woordenboekredacties ook het uitwerken van een beleid om de continuering van de projecten gefinancierd te krijgen.  

Het pad van het WVD is niet altijd over rozen gegaan. Anders dan de Nijmeegse projecten, heeft het Vlaamse woordenboek nooit enige vorm van structurele financiering gekend. Steeds was de voortzetting ervan afhankelijk van kortlopende projectkredieten. Bijgevolg kende het project vette en magere jaren. Het aantal redacteuren fluctueerde door de jaren heen tussen vijf en anderhalf. Dat had meerdere nadelen. In de eerste plaats maakte het een planning op middellange termijn, een vereiste bij elke projectaanvraag, erg lastig. In de tweede plaats dienden de redacteuren veel van hun werktijd te besteden aan het opstellen van almaar nieuwe aanvragen, vorderingsverslagen en rapporten allerhande. Als het project door de jaren heen overeind bleef,  is dat voor een groot deel te danken aan de inspanningen van Hugo Ryckeboer.  Schrander als hij was, begreep hij goed hoe je in dit land tewerk moet gaan om deuren te openen. Op diplomatische wijze wist hij via het informele circuit de juiste mensen te benaderen om de zaak van de Vlaamse dialectlexicografie aan te kaarten en te bepleiten bij potentiële kredietverstrekkers. Meermaals met succes: één van de grootste bedragen ooit verworven, verstrekt door de Vlaamse overheid, dankt het WVD aan Hugo’s strategische netwerking. 

Toch is het WVD in de beoogde vorm – gedrukte afleveringen – nooit voltooid. Enige tijd na Hugo’s pensionering waren alle financieringsbronnen voor publicaties op papier opgedroogd. Een grote hoeveelheid enquête- en archiefgegevens zit opgeslagen in de WVD-databases. Een selectie daarvan is opgenomen in het e-WVD, een in 2018 gelanceerd online databestand met 125.000 dialectwoorden voor bijna 10.000 begrippen.  Geld voor digitale producten kwam wel nog ter beschikking. Sinds 2016 loopt er aan de UGent een digitaliseringsproject, gefinancierd door het Herculesfonds van het FWO-Vlaanderen en door de Nederlandse taalunie, om – conform de Rewo-doelstelling –  een ruime selectie van lemma’s uit de drie systematische woordenboeken van het zuidelijke Nederlands aan elkaar te koppelen en op het internet beschikbaar te stellen voor wetenschap en publiek. Het project, met Jacques Van Keymeulen als promotor, nadert zijn voltooiing. 

Naast WVD-afleveringen schreef Hugo Ryckeboer een groot aantal wetenschappelijke en enkele populariserende artikelen op het domein van dialectologie, historische taalkunde, taalsociologie en taalbeleid. Hij publiceerde geregeld in Taal en Tongval, het Vlaams-Nederlandse tijdschrift voor taalvariatie, waarvan hij gedurende vijf jaar (1889-2003) redactiesecretaris was. In dat blad verscheen in 1973 zijn eerste bijdrage, over de ontwikkeling van de Westgermaanse lange oe [û], de voorloper van de Nederlandse ui, waarmee hij naam maakte in het vakgebied

Een groot deel van Ryckeboers wetenschappelijke activiteiten en productie heeft betrekking op Frans-Vlaanderen. Dat deze zuidwestelijke uithoek van het historische Nederlandse taalgebied zijn voorkeur zou wegdragen, laat zich verklaren door zijn Izenbergse roots. Van kindsbeen af was hij vertrouwd met de overkant. De rijksgrens was voor de autochtonen nauwelijks een barrière, en al zeker geen taalbarrière: in Hugo’s jeugd kon je er nog vrij goed met je West-Vlaams terecht. Alleen klinkt de taal van de overkant wat ouderwetser, en hoe verder je westwaarts gaat naar de taalgrens toe, hoe archaïscher. Op de rechteroever van de Aa, de rivier die over een lange afstand gelijk loopt met de taalgrens, hoor je een dialect dat sterk aan het Middelnederlands doet denken. Dat Frans-Vlaams was in Hugo’s jonge jaren al behoorlijk op zijn retour, het diende dringend te worden opgetekend wilde men het niet voor het nageslacht verloren laten gaan. Hugo Ryckeboer heeft een stevige bijdrage geleverd aan die archivering. Daarin was hij voorgegaan door de Gentse dialectologen Willem Pée, die in de jaren 1930 het gebied op de motor had doorkruist om de 147 zinnen van de RND op te vragen in alle Frans-Vlaamse dorpen en steden (zie de website Dialectzinnen), en Frits Vanacker, die in al die plaatsen vrije gesprekken registreerde met autochtone dialectsprekers. Die verzamelingen brachten voornamelijk de fonologie en de syntaxis in kaart, de woordenschat bleef nog goeddeels onontgonnen terrein. Met zijn vele enquêtes voor het WVD, vooral naar de landbouwwoordenschat, heeft Hugo Ryckeboer fors bijgedragen aan de opvulling van die leemte. Later werkte hij overigens ook nog mee aan het voortreffelijke Woordenboek van het Frans-Vlaams. Dictionnaire du flamand de France van Cyriel Moeyaert (Davidsfonds, 2005).  

Tot Ryckeboers expertisedomein behoren nog heel wat andere aspecten van het Nederlands en het Vlaams in Noord-Frankrijk.  In zijn boekje Frans-Vlaanderen in de reeks Taal in stad en land beschrijft hij de grammatica en de externe geschiedenis van de Frans-Vlaamse streektaal en gaat hij dieper in op sociolinguïstische en contactlinguïstische kwesties. Over die onderwerpen gaf hij ook geregeld lezingen en publiceerde hij artikelen in o.m. Taal en Tongval en in het jaarboek De Franse Nederlanden (nu De Lage Landen). Een aantal daarvan bundelde hij tot het proefschrift Het Nederlands in Noord-Frankrijk: sociolinguïstische, dialectologische en contactlinguïstische aspecten, waarop hij in 1997 cum laude promoveerde hij aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. 

Hugo Ryckeboer was erg begaan met het onderwijs Nederlands in het noorden van Frankrijk. Terwijl hij plaatselijke initiatieven om lessen te organiseren in en over het Frans-Vlaamse dialect niet ongenegen was, stond hij erg kritisch tegenover taalminnende kringen die dat dialect als schoolvak geïntroduceerd wilden zien, in de hoop op die manier de oude streektaal nieuw leven in te blazen. Een weinig realistische optie, nu er al drie generaties Frans-Vlamingen zijn opgegroeid met enkel het Frans als thuis- en onderwijstaal.  Wat op school moet worden aangeleerd, zo betoogde hij, is de Nederlandse standaardtaal. In die lessen kan de leerlingen worden bijgebracht dat het zonderlinge patois van hun (over)grootouders historisch aansluit bij een waaier van regionale taalvariëteiten, die in Vlaanderen en Nederland overkoepeld worden door een cultuurtaal, maar in Frankrijk niet. Algemeen Nederlands leren verbreedt niet enkel de culturele bagage van de Jongeren, maar levert hun ook een voordeel op als ze later aan de slag willen gaan in instellingen of bedrijven die samenwerken binnen de tweetalige Eurometropool Rijsel-Kortrijk-Doornik. Zelf doceerde Hugo Ryckeboer acht jaar lang (1976-1984) Nederlands aan de universiteit van Rijsel. Zo droeg hij zijn steentje bij aan de vorming van leraars Nederlands voor het middelbaar onderwijs. Een tijdlang was hij co-voorzitter van de Coördination Universitaire pour l’étude de la culture et langue flamande en France (C.U.E.F.).

Er was echter niet enkel het onderwijs. Hugo Ryckeboer was ook een groot pleitbezorger van de wetenschappelijke studie van het Nederlands in Noord-Frankrijk. In de plaatselijke archieven en in het departementele archief te Rijsel liggen nog talloze documenten onder het stof, die kostbare gegevens bevatten voor onderzoek over de taal en van de evolutie in het gebruik van het Nederlands in Frankrijk. Voor de ontsluiting en de studie daarvan had hij graag samenwerkingsverbanden zien ontstaan tussen de universiteiten van het Noorderdepartement – Rijsel en Duinkerke – en de Vlaamse, voornamelijk die van Gent. Ondanks alle geleverde inspanningen kwam er tot Hugo’s frustratie geen schot in deze zaak. Het valt te betwijfelen of dit onderzoek ooit nog zal plaatsvinden, nu de grootste expert terzake er niet meer is en bovendien de historische taalkunde alsook de dialectologie aan onze kant van de grens van de universitaire curicula zijn verdwenen en ook “geen prioriteit” vormen in de toekenning van onderzoeksfondsen.

In 2000 ging Hugo Ryckeboer met pensioen. Bij die gelegenheid kreeg hij een hulde-album aangeboden, met 59 artikelen van vrienden en vakgenoten uit Nederland, België en Frankrijk. De bundel kreeg van de samenstellers – drie anciens van het WVD – de toepasselijke titel Nochtans was scherp van zin, een vers van Gezelle uit het gedicht Boerke Naas, dat elke West-Vlaming van een zekere leeftijd minstens gedeeltelijk uit het hoofd kan citeren, met name de passage waarin Boerke Naas voorzorgen neemt om de opbrengst van zijn twee verkochte runderen te beschermen tegen overvallers:

Boer Naas, die maar een boer en was
Nochtans was scherp van zin.
Hij ging en kocht een zevenschot
en stak daar kogels in.

Het tekent Hugo, “den boer”, de man die met een gezonde dosis boerenslimheid de nodige fondsen wist te verzamelen voor het project dat hem zo na aan het hart lag. 

Hij is na zijn pensionering nog actief gebleven, behalve als vrijwillig medewerker aan het WVD en redactiesecretaris voor Vlaanderen van Taal en Tongval ook nog als co-voorzitter van de C.U.E.F. en lid van de wetenschappelijke stuurgroep van Flandre Documentation/Vlaanderen Documentatie, Dunkerque – Kortrijk. Hij was actief lid van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie, en voorts nog van de Zuid-Nederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, en van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden.

In oktober 2014 overleed zijn vrouw Agnes Devrieze, een klap die hij eigenlijk nooit meer echt te boven is gekomen. Zijn gezondheid ging achteruit, zijn gezellige huis aan de Leie te Sint-Denijs-Westrem moest hij verruilen voor een zorgflat in Oudenaarde. Daar woonde hij dicht bij zijn kinderen, Wouter en Sofie.

Hugo’s overlijden zorgt voor verslagenheid bij de velen die hem gekend hebben als een goede collega, een trouwe vriend, een innemend man. Frans-Vlaanderen en het Frans-Vlaams zijn een belangrijke kenner en pleitbezorger armer.