Gefnuikte idealen

door Peter-Arno Coppen

Op 11 mei schreef ik op verzoek van de redactie van Neerlandistiek (of eigenlijk was het gewoon een leuk idee van Marc van Oostendorp) een bijdrage over ‘het ideale eindexamen Nederlands’. Op de een of andere manier schijnt die bijdrage een aantal mensen in het verkeerde keelgat te zijn geschoten. De reactie van Helge Bonset was een duidelijk voorbeeld daarvan, maar ik heb uit de tweede of derde hand ook van andere mensen gehoord dat zij hier aanstoot aan genomen hebben. En eigenlijk begrijp ik niet precies waarom.

Het zal die vergelijking van de leesvaardigheid in het eindexamen met een koekoeksjong wel zijn die de boosdoener is, en ik betreur het dat hierdoor het werkelijke ideaal nogal ondergesneeuwd is geraakt. Ik heb althans nog niemand gehoord die op de eigenlijke gedachtegang is ingegaan.

Toch was mijn ideale eindexamen opgebouwd vanuit een tamelijk eenvoudige redenering, waar ik nog nooit iemand echt tegen heb horen zijn. Die redenering was, puntsgewijs:

  1. De ontwikkeling van lees- en schrijfvaardigheid is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle schoolvakken.
  2. Dat betekent dat in alle schoolvakken eigenlijk iets aan lees- en schrijfvaardigheid zou moeten worden gedaan, liefst op basis van samenwerking.
  3. Omdat toetsing congruent moet zijn met onderwijs ligt het dan voor de hand om dit ook gezamenlijk te toetsen.
  4. Een aparte toets leesvaardigheid in het eindexamen, onder gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle schoolvakken is dan geen gek idee.
  5. Hierdoor zou het eindexamen Nederlands kunnen (moeten) worden ingevuld met inhoud die nu deels in de schoolexamens zit.

Dit is de redenering in de kern. Volgens mij zijn zo ongeveer alle betrokkenen die afgaven op mijn bijdrage het volledig eens met punt 1. Het is het fundament onder punt 2, dat je als een verwoording zou kunnen zien van het zogeheten ‘Taalgericht vakonderwijs’, waar onder andere de SLO een vurig pleitbezorger van is (en natuurlijk niet ten onrechte). Punt 3 is waarschijnlijk de meest onrealistische stap, dat geef ik wel toe, omdat in het verleden gebleken is (en nog blijkt) dat een dergelijke samenwerking tussen de vakken heel lastig te realiseren is. Het lijkt me theoretisch het beste (daarom heet het ook een ideaal), maar het zal er praktisch gezien wel niet van komen. Maar stel dat het zou kunnen, dan is de plaatsing van zo’n toets in het eindexamen natuurlijk de beste manier om het belang van lees- en schrijfvaardigheid te benadrukken. En ook over dat belang is iedereen het eens, in weerwil van de suggestie van Bonset dat ik (of de wetenschap in het algemeen) taalvaardigheid van minder belang zou vinden. Een aparte toets maakt het superbelangrijk.

Als je nu wel zo’n aparte toets lees- en schrijfvaardigheid zou hebben (en nogmaals, ik geloof geen moment dat dit er echt van gaat komen), dan moet je natuurlijk het eindexamen Nederlands anders invullen. Dat lijkt me dan een heel andere discussie te kunnen worden dan nu. Want nu is leesvaardigheid (en schrijfvaardigheid) zo belangrijk, dat je er in redelijkheid niets op af kunt dingen dat het in het eindexamen getoetst zou moeten worden. Bij mijn weten heeft ook nooit iemand dat gedaan. Ik had misschien niet van een koekoeksjong moeten spreken maar het idee dat iemand die de problematiek van een koekoeksjong bespreekt het uitroeien van de hele koekoek op het oog zou hebben, of de koekoek daarmee een onbelangrijke vogelsoort zou vinden, is eerlijk gezegd nooit bij mij opgekomen.

Ik had aan deze redenering nog twee bijkomstige punten toegevoegd: de observatie dat lees- en schrijfvaardigheid in het basisonderwijs geïntegreerd is en in het voortgezet onderwijs een zaak is van enkel de docent Nederlands. En een verwijzing naar het overheidsrapport De staat van het onderwijs, waar een geïntegreerde aanpak van taalvaardigheid op het mbo positief werd besproken.

In zijn bespreking van mijn ideale eindexamen slaagt Helge Bonset erin om geen enkel woord te wijden aan de kern van mijn redenering (de punten 1 tot en met 4). Hij beperkt zich tot wat modder gooien ad hominem en probeert alleen de twee bijkomstigheden te ontzenuwen, waar hij wat mij betreft ook nog niet eens goed in slaagt. Wat het basisonderwijs betreft lijkt hij zich bijvoorbeeld op het standpunt te stellen dat het openslaan van verschillende boekjes een geïntegreerde aandacht voor taalvaardigheid in de weg staat. Dat lijkt me onjuist.

Wat ik bedoelde is dit: in het basisonderwijs heb je één enkele leerkracht, die alle leergebieden bestrijkt. Voor elk leergebied bestaan natuurlijk aparte boekjes, en zelfs aparte methoden, maar de leerkracht heeft per leerling een beeld van de totale taalvaardigheidsontwikkeling. Als een leerling bij de lessen Nederlands moeite heeft met lezen, zal de leerkracht daar bij aardrijkskunde ook rekening mee houden, of de individuele aandacht voor die leerling daarop afstemmen. In het voortgezet onderwijs verandert dit radicaal. De leraar aardrijkskunde heeft geen idee wat de leerling bij Nederlands doet, en de leraar Nederlands heeft geen informatie over de taalvaardigheid van de leerling bij geschiedenis. De leraar Nederlands is de enige die de verantwoordelijkheid heeft om aan taalvaardigheid te doen, en moet dat doen met de informatie uit enkele lesuren per week (en het contact met de collega’s, informeel of tijdens teambesprekingen of rapportvergaderingen). Dus uiteraard is er een zekere segregatie tussen de leergebieden op de basisschool, maar de aandacht voor taalvaardigheid is veel en veel geïntegreerder dan in het voortgezet onderwijs.

Wat betreft het mbo maakt Bonset melding van eerdere experimenten met samenwerking die mislukt zijn. Nu geeft De Staat van het onderwijs wel enkele indicaties van wat er mis kan zijn gegaan, maar dat zit hem dan volgens dat rapport voornamelijk in het feit dat er te weinig leraren Nederlands aangesteld of beschikbaar zijn. Die zouden immers zo’n samenwerking in goede banen moeten leiden. Hoe dan ook: zelfs als experimenten met op elkaar afgestemd onderwijs of gezamenlijke toetsing in het verleden mislukt zijn, hoeft dat niet te betekenen dat samenwerking geen ideaal meer kan zijn.

Ik heb mij dus oprecht verbaasd over de commotie rond dit idee. Van Bonset begrijp ik het wel een beetje. Ik vermoed dat hij het met die kernredenering eigenlijk helemaal niet zo oneens is, en er zelfs een soort van realistische “bedreiging” voor het bestaande eindexamen Nederlands in ziet. De vrees dat lees- en schrijfvaardigheid hierdoor minder belangrijk zouden worden (wat dus, zoals boven beschreven, het tegendeel is van wat ik bedoel), en dat dit een vrijbrief zou zijn voor leraren om allerlei onnutte zaken in de lessen Nederlands te behandelen (wat ten eerste enigszins onrealistisch is en ten tweede weinig vertrouwen in de leraren uitstraalt), stuit hem zozeer tegen de borst dat hij ervoor kiest om elke suggestie dat hij het ook maar ergens mee eens zou zijn met alles wat in hem is probeert te vermijden. Dat betekent dus heel hard schreeuwen dat het een vreselijk slecht idee is en dan maar hopen dat hierdoor de aandacht van de kern wordt afgeleid.

Want dat laatste is wat mij niet zozeer verbaast, maar ook tegenvalt (en zorgen baart). Onder die eenvoudige redenering ligt een nog eenvoudiger principe, dat in feite het echte ideaal is, en dat nu totaal buiten beeld blijft. Namelijk, dat er in en rond het schoolvak Nederlands meer samengewerkt zou moeten worden. Ik heb in het recente verleden veel globale consensus en constructieve samenwerking gezien (en ik meen daar zelfs in geparticipeerd te hebben), en dat heeft mij altijd optimistisch gestemd. Ik zie nu weer allerlei polarisatie opflakkeren, die doet denken aan een duisterder verleden. Misschien ligt het aan de coronatijd, waarin wij ieder achter ons eigen schermpje vatbaar zijn voor complottheorieën, en de wereld eerder met wantrouwen bezien dan met vertrouwen in elkaars goede bedoelingen. Dat is geen goede basis voor een constructieve dialoog. Het wordt tijd dat we elkaar weer recht in de ogen kunnen kijken.