Gedicht: Maria Tesselschade Roemers Visscher • Hoe krachtig ik verpijn

[Eerst het herspelde origineel, daarna de hertaling.]

Hoe krachtig ik verpijn
door de waarheid of door schijn
te smoren met een koude praat
’t geen vurig in mijn hartje staat,
het suiend slapen doet vermaên
’t sluimerig en ’t soet:
een genuchje,
een geduchje,
een zuchje alsem bitter suikerzoet.

De Min mij leren wou,
hoe ik best vergeten zou,
hetgeen ik niet vergeten kost,
dat ik er staag om denken most:
‘Ja muurt en metst in uw gedacht,
en zo gij enkel wroet
om het smartje
uit uw hartje
te weren,’ zeid’ hij, ‘dit ’s de beste voet.’

Wel lustte mij de daad
van het stokevuurtje kwaad.
‘k Behield wat ik wou rooien uit;
dit is het aardje van de guit,
die met slimme met loze treken
– dwingelandjes gril –
door zijn krachjes,
in gedachjes,
wil wonen waar men hem niet hebben wil.

***

Hoe hard ik ook mijn best doe
om in het echt of voor de schijn
met koele taal te doven
wat vurig in mijn hartje brandt,
de sussende slaap vertelt toch
wat er zoetjes sluimert:
een beetje genot,
een beetje vrees,
een vleugje zo bitter als alsem en zo zoet als suiker.

Het liefdesgodje wilde mij leren
hoe ik het best zou vergeten
wat ik niet vergeten kon,
omdat ik er steeds aan moest denken:
‘Ja, metsel vast waar u steeds aan denkt,
en als u fanatiek ploetert
om het pijntje
uit uw hartje
weg te houden,’ zei hij, ‘dat is de beste manier.’

Ik had wel zin in die opdracht
van het geniepige stokertje.
Maar ik hield vast wat ik uit wilde roeien;
dat is het karakter van die grapjas,
die met slimme en sluwe streken
– de wispelturigheid van een dwingelandje –
door zijn krachtjes
in hoofdjes
wil wonen waar men hem niet hebben wil.

Maria Tesselschade Roemer Visschers (1594-1649)

schilderij: ‘De Muiderkring‘ van Jan Adam Kruseman.


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.