Een Multatuliaan uit het zuiden. Michel Perelaer, 1831-1901

Door Margriet Hos

‘Ja, waarlijk, dat Rolduc was: un riant exil des bois! Maar toch zing ik met geestdrift: “Salut! Pour la dernière fois!”’
‘Ik roep ‘Heil! tot dat fraaie ballingsoord in de bossen, voor de laatste keer!’, zo beëindigt Herman Riethoven triomfantelijk zijn seminaristenbestaan en vervliegt de droom van zijn moeder dat een van haar kinderen zich ‘aan den dienst des Heeren zoude wijden’. Herman is het hoofdpersonage uit de vierdelige romancyclus Een kwart eeuw tusschen de keerkringen (1883), geschreven door de ‘Gepensioneerde Hoofdofficier van het Nederlandsch-Indische leger’ M.T.H. Perelaer. In het voorwoord bij het eerste deel, Naar den equator. Met een voorspel: van pastoor soldaat, zegt de schrijver nadrukkelijk: ‘Ik wil uit veler leven een greep doen, ook hier en daar uit het mijne’. Er zullen dus parallellen zijn tussen Herman en Michel Perelaer.


Perelaers alter ego Herman heeft, tot over z’n oren verliefd, Rolduc vaarwel gezegd, hij wil niets meer te maken hebben met de priesteropleiding. Hij hoopt in Leuven rechtsgeleerdheid te mogen gaan studeren, maar zijn moeder weigert. Ze heeft directeur Peeters van Rolduc moeten beloven om haar zoon niet de gelegenheid te geven zich bloot te stellen aan moderne opleidingen waar gedweept wordt met ‘een Kant, een Schopenhauer, een Renan, een Voltaire, een Rousseau’, gevaarlijke vijanden van de ‘Kerk van Christus’. Peeters heeft ook de ouders van de desbetreffende jongedame bezocht, met als gevolg dat de liefde abrupt verbroken wordt. De sterke arm van de Rolducse clerus reikt ver. Herman ruilt de priestertoga in voor het krijgsmanskleed en vertrekt in een opwelling naar Harderwijk.

In 1854 reist Perelaer op 23-jarige leeftijd vanuit zijn geboortestad Maastricht naar het Koloniaal Werfdepot te Harderwijk, ‘het gootgat’, ook wel ‘het riool’ van Europa’ genoemd, waar hij opgeleid wordt tot beroepsmilitair voor de dienst bij het leger in de koloniën. De opleiding had niet zo’n beste naam, omdat allerlei aan lager wal geraakte lieden met een vorstelijk handgeld gepaaid werden, onder andere voor de Atjeh-oorlog, waarvoor veel soldaten nodig waren. ‘Het Nederlandse volk weet, of… wil niet weten op wat voor wijze de soldaten voor het koloniale leger worden aangeworven. Indertijd heeft men de tuchthuizen geledigd om de gelederen van dat leger aan te vullen; schurken van de ergste soort heeft men in den soldatenrok gestoken.’ (Borneo van zuid naar noord, 1881).
Perelaer heeft van het royale handgeld afgezien, daardoor kreeg hij de gelegenheid om een opleiding te volgen tot onderofficier. Een jaar later, in 1855, scheept hij in en verlaat hij, 24 jaar oud, Nederland. Op een tweejarige verlofperiode (1870-1872) na verblijft hij zo’n 25 jaar op diverse plaatsen in Indië, hij trouwt er met Amalia W. H. Huijgen de Raat met wie hij een groot gezin opbouwt. Hij maakt carrière, wordt majoor bij de Generale Staf en krijgt diverse onderscheidingen, waaronder de Willemsorde voor betoonde moed. In 1879 krijgt hij eervol ontslag en dan keert hij definitief terug naar Nederland, samen met zijn vrouw en de jongste kinderen.

Soldaat, nee schrijver

Michel Perelaer heeft zich gedurende een niet onbelangrijk deel van zijn leven met moed en volharding gewijd aan zijn taken als beroepsmilitair in het Nederlands-Indische leger, op Java, Borneo en ook in Atjeh. Rob Nieuwenhuys, de nestor van de Nederlands-Indische letteren, noemt Perelaers kijk op het militaire leven ‘genuanceerd en onafhankelijk’. Geregeld komt hij in conflict met zijn geweten. Zijn jeugdige overmoed heeft plaats gemaakt voor twijfel en cynisme over de blanke heerschappij in de Oost. In Twaalf Honderd Paal door Midden-Java (1882), een beschrijving van een dienstreis, schrijft hij: ‘Wanneer zal dat adreskaartje der kruideniers-firma verdwijnen van onze schoone driekleurige vlag, waaraan zee- en landmacht ieder jaar zich beijveren nieuwe lauweren te hechten?’ Michel Perelaer zal meer bekendheid krijgen als schrijver dan als militair. In de in 1863 geschreven inleiding bij Uit de oude doos. Sprokkelingen over Neêrlandsch Indië (1882) schrijft hij: ‘Hadde ik het talent van een Xavier de Maîstre, in zijn “Voyage autour de ma Chambre”, of van een Alphonse Karr, in zijne “Voyage autour de mon jardin”, ja, dan zoude ik mijn lezers menige boeiende bladzijde kunnen aanbieden.’ Toch is het juist om ‘boeiende bladzijden’ dat hij in de pers ruimschoots aandacht krijgt.

Perelaer heeft gedurende zijn hele leven geschreven en gepubliceerd. Een van zijn eerste bijdragen, over de Indische krijgsdienst, schreef hij op 35-jarige leeftijd voor De Gids. Het was een artikel naar aanleiding van publicaties over de ondergang van het stoomschip Zr. Ms. De Onrust dat in 1859 door Dajakkers uit Borneo overrompeld was. Zijn laatste werk, de roman Een wedstrijd op den oceaan, over een thuisreis naar Europa, verscheen twee jaar voor zijn overlijden. Daartussen is heel wat verschenen. Hij schreef over alles wat hem in Indië bezighield, zoals de krijgsgeschiedenis, de vele reizen door het binnenland, de overweldigende Natuur, de verschillende volkeren die hij leerde kennen en over de opiumhandel. Perelaer was een geëngageerd schrijver en hij werd veel gelezen. Hij nam het op voor collega’s die zijns inziens een onterechte vermaning kregen van hun superieuren, hij was actief in de vrijmetselarij, hij richtte zich met petities tot de Tweede Kamer, hij was actief voor diverse tijdschriften. Hij beheerste Frans, Duits en Engels, was dankzij zijn Rolducse jaren vertrouwd met Latijn en Grieks en voelde zich ook thuis in het Maleis en Javaans. Wereldburger als hij was bleef zijn geboortegrond toch ook een constante, die uitnodigde tot mijmeringen over zijn leven in Zuid-Limburg. Bij een bezoek aan kalkgrotten in Midden-Java merkte hij op:
‘Wij zijn er in afgedaald, en toen de fakkels ontstoken waren, kon ik mij in de onderaardsche gangen wanen van den St. Pietersberg te Maastricht. Had men mij nu nog een schoppen oud bier aangereikt, de begoocheling ware volkomen geweest.’ (Twaalf Honderd Paal door Midden-Java, 1882).
Over Rolduc wordt niet veel meer gerept, althans, niet in positieve zin. In Naar het einde eener loopbaan (1885), het laatste deel van de Keerkring-tetralogie, beschrijft hij een bezoek van Herman en zijn vrouw. Ze wandelen vanaf Herzogenrath naar het seminarie, waar ze een rondleiding krijgen. Er komen veel mooie en dierbare herinneringen boven bij Herman, maar tegelijkertijd moet hij eraan terugdenken hoe de geestelijken zijn beminde en zijn moeder bewerkten en men hem een gevaar voor de moederkerk noemde. Hij heeft zich nooit een ongelovige, een atheïst gevoeld; zijn contacten met ‘Heidenen, met Mohammedanen, met Joden, met Brahmanen, met Boeddhisten’ hebben hem geleerd respect te hebben. Geen respect voor religies, maar voor mensen en voor de natuur die hij goddelijke almacht toekent, wat wellicht zijn sympathie voor de vrijmetselarij verklaart.

Het grote voorbeeld Multatuli

Eenmaal ontslagen uit de militaire stand kon Perelaer frank en vrij publiceren. Geleid door zijn opvattingen over humanisme, vrijheid van geweten, tolerantie en gematigdheid vraagt Perelaer zich af of de ware beschaving in deze gewesten gebaat is bij de overheersing van de blanken. Met zijn kennis van de Europese en antieke cultuur, met zijn behoefte om te informeren, te vertellen, doet hij denken aan zijn beroemde tijdgenoot Multatuli. Zijn bewondering voor Ed. Douwes Dekker spreekt ook uit het navolgen van diens stijl: de ironie, de opsomming, de herhaling, maar vooral uit dezelfde grote betrokkenheid bij de mensen uit Nederlands-Indië. Multatuliaanse filippica’s zijn Perelaer niet vreemd! Bij gelegenheid van een herdruk van de Max Havelaar schrijft hij in het Algemeen Handelsblad op 25 december 1881:

‘Of het nodig zou zijn den “Max Havelaar” te bespreken? Ik wou dat het niet noodig meer was. Ik wou dat dat boek uitgediend had ten minste wat zijn strekking aangaat en dat het nog maar als litterarisch product kan aanbevolen worden. […] Is het niet een zegenende bestiering te noemen van den God van Nederland, die koffieoogsten schenkt bij duizenden pikols boven “de stoutste verwachtingen”? […] En bovendien, wij hebben wel wat nuttigers te doen, dan hen ter verantwoording te roepen, die bezig zijn of eenmaal bezig waren de gekleurde Nederlandsche onderdanen met verregaande miskenning van eer en plicht, te behoeden voor welvaart en overvloed. Vordert gij dan van ons, dat wij de zoo kostbaren nationalen tijd ook zullen vermorsen aan allerlei kleinigheden en aan de zoogenaamde belangen van niet-Christenen? Rijst met wat zendelingen zal het overgeschoten zoodje wel op de been helpen.’
Vereenzelfdigde Perelaer zich misschien iets te veel met Multatuli?

Van Feit naar Fictie

Perelaers verwantschap met Multatuli werd soms ook wel bespot. In 1886 publiceerde hij het geruchtmakende boek Baboe Dalima. Opium-roman, een breed uitgesponnen relaas over de door de Nederlandse regering gedoogde sluikhandel in opium. In zijn voorwoord luidt het: ‘Onverbiddelijke oorlog! Oorlog à outrance aan de opium-pacht, die schandelijke bron van inkomsten van ons Nederlanders!’ Ook opiumopbrengsten kwamen immers ten goede aan het ‘batig slot’, de winsten uit Nederlands-Indië die in de Nederlandse schatkist terechtkwamen.

De schrijver haalt alles uit de kast om de verfoeilijke kwestie onder de aandacht te brengen: keukenmeidenromantiek, beeldend beschreven erotische taferelen, afstotende opiumkitten, en omdat de hele kwestie aangedikt moest worden, is ook het beeld van de Chinezen, ‘de gestaarte bewoners van het hemelsche rijk’ niet positief. Het boek, dat een ‘vies boek’ werd genoemd, kreeg veel aandacht in de pers en deed Du Perron spottend opmerken: ‘[…] “de Max Havelaar van de Opium”, en in een stijl, niet minder machtig voorwaar dan die van het Doorgezaagde Weesmeisje’. Hoe het ook zij, het boek werd vertaald in het Engels, beleefde daar tal van herdrukken en heeft de opiumkwestie in brede kringen opnieuw onder de aandacht gebracht.

Dat Perelaers populariteit verder strekte dan de landgrenzen blijkt ook uit vertalingen van het tweedelige Borneo van Zuid naar Noord (1881). Van 1860 tot 1864 was hij civiel gezaghebber in het zuidoosten van Borneo. Op zijn missies verkende hij grote delen van het onherbergzame eiland en leerde de Dajaks, die het koppen snellen nog niet verleerd hadden, goed kennen. In deze romans laat de schrijver vier soldaten, twee Zwitsers, een sinjo (kind van een Europeaan en een ‘njai’, een huishoudster of concubine) en een Waal uit de buurt van Luik deserteren. Een en ander leidde tot een succesvolle etnografische roman. ‘Nooit maakt gij een aangenamer en veiliger uitstapje uit uw eentonig-beschaafde wereld naar de binnenlanden van Borneo’, luidde een aanbeveling in de pers. In Amerika werd de roman vertaald onder de veelzeggende titel Ran away from the Dutch or Borneo from South to North (1887). In 1896, een paar jaar voor Perelaers overlijden, kwam er een Franse vertaling uit, Aventures de quatre déserteurs à travers de Bornéo. In 1897 verscheen bij Elsevier in Amsterdam zijn verzameld werk, zeven delen ‘Verzamelde Romantische Werken’.

Ook al is Perelaer geen pastoor geworden, soldaat lijkt toch ook niet zijn roeping te zijn geweest. De sabel werd een strijdvaardige, geslepen pen. Al in 1872 werd hij gekozen tot lid van De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Wilde hij aanvankelijk vooral informeren, over de militaire dienst in Indië, over het leven daar, over de mensen, hun gewoonten, de Indische natuur, allengs verschoof de nadruk naar willen getuigen, over de toestand in dat verre Indië, over de wijze waarop Nederland de kolonie bestuurde en gebruikte. Parallel daaraan werd hij steeds meer literair schrijver dan kroniekschrijver. Zijn verhalen, eerst nog ‘aaneengeregen met een romantische draad’, raakten steeds meer ingebed in een ‘romantisch kleed’. Veelzeggend is dan ook de ondertitel van de Borneo-boeken: ‘ethnografische roman’.

Michel Perelaer behoort tot de grote groep van schrijvers die de thuisblijvers wilden informeren over de Indische samenleving. Zijn oprechte belangstelling voor Indië en de nodige kritiek op de Nederlandse inbreng hebben hem tot een schrijver gemaakt die niet onopgemerkt mag blijven.

Literatuur

M.T.H. Perelaer, Baboe Dalima. Opium-roman, Rotterdam 1886, Deel 1 en Deel 2

Rob Nieuwenhuys, Oost-indische Spiegel. Wat schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven, vanaf de eerste jaren der Compagnie tot op heden, Amsterdam 1972. Op pag. 197-201 staat de paragraaf over M.T.H. Perelaer.

Karin Evers, ‘De opiumroman Baboe Dalima (1886) van M.T.H. Perelaer’. In: Indische Letteren. Documentatieblad van de Werkgroep Indisch-Nederlandse letterkunde 1 (1986) 3

Dit artikel verscheen in Literatuurportret, een online reeks over Limburgse auteurs en literaire thema’s onder redactie van Ben van Melick en Ine Sijben. De portretten verschijnen acht maal per jaar op de pagina Literatuurgeschiedenis van de site van het LGOG (Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap). Alle literatuurportretten leest u hier.