De bacil van het kwaad

Door Nico Keuning

De bacil van het kwaad

De pest (1942) van Albert Camus in de vertaling van Willy Corsari uit 1977 (22ste druk) blijkt gewoon in mijn boekenkast te staan. Toch maar eens lezen, ook al heeft de werkelijke inhoud niets met de pest of corona van doen, maar gaat de roman om het nationaal-socialisme en het antisemitisme dat tijdens de Tweede Wereldoorlog ook de stad Oran, in Algerije, in de greep hield, waar veel joden de dupe van werden. Een stad, volgens ‘de verteller’ in de roman, van tweehonderdduizend inwoners, ‘een gewone Franse prefectuur’, maar met veel Spaanse inwoners, ontheemde ballingen, die opgestookt worden in haat tegen de joden.

Na een introductie van de ‘heel alledaagse stad’ in drie bladzijden, begint het verhaal op klassieke wijze: ‘Op de morgen van de zestiende april verliet dr. Bernard Rieux zijn werkkamer en struikelde over een dode rat, die midden op het portaal lag.’ Het is een beginzin die doet denken aan de eerste zin van De avonden, van toen Simon van het Reve: ‘Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeëntwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte.’

De hoofdpersoon in De pest is dokter Rieux. Hij is de verteller. Maar achter de verteller schuilt de schrijver Camus die Oran goed kent; hij woonde er van 1938 tot de zomer van 1942 en werkte voor de krant Alger républicain, tot deze verboden werd. Oran is een stad van tegenstellingen: Franse kolonisten en joden, Arabieren en Berbers en een groot aantal Spaanse emigranten, die zich als blanken de minderen voelen ten opzichte van de joden. ‘Camus was er getuige van hoe het politieke klimaat in Oran steeds meer vergiftigd raakte,’ schrijft Ieme van der Poel in een historische schets van de stad (De Groene Amsterdammer, juni 2020). ‘In 1940 schaarde de tweede stad van Algerije zich zonder aarzelen achter het collaborerende regime van maarschalk Pétain; de joodse inwoners van Oran raakten van de ene dag op de andere hun Franse staatsburgerschap kwijt en daarmee het recht om een publieke functie te vervullen.’

Het antisemitisme – de pest – ontstaat vanuit de stad zelf. Camus schrijft vanuit eigen ervaring en verschuilt zich als kroniekschrijver achter de verteller, die zich goed moet documenteren: ‘De verteller van dit verhaal heeft dit dan ook gedaan; ten eerste is er zijn eigen ooggetuigenverslag, dan dat der anderen, daar hij, door de rol die hij vervulde, van alle personen uit deze kroniek bekentenissen te horen kreeg en ten slotte de teksten, die hem in handen vielen.’ Onder andere de notities uit het aantekenboekje van ‘Jean Tarrou’, die zich op een dag in een hotel in het centrum van de stad heeft gevestigd en contacten onderhoudt met ‘Spaanse dansers en musici, die in vrij groten getale in onze stad vertoefden’. Tarrou zal uitgroeien tot de vriend van dokter Rieux.

Het verhaal wordt voortdurend – vaak na een witregel – onderbroken door ‘de verteller’ die in een onderonsje met de lezer commentaar geeft, wat de authenticiteit en het realistisch karakter van de roman versterkt. Het is Camus immers om de waarheid te doen. ‘Het woord “pest” was voor de eerste maal uitgesproken. Op dit punt van het verhaal gekomen, waar Bernard Rieux aan zijn venster staat, veroorlove men de verteller een uitleg te geven voor de onzekerheid en verbazing van de dokter’. Hij is net als de andere burgers net zo weinig voorbereid ‘op pest als op oorlog’. Hij wankelt tussen ‘onrust en vertrouwen’.

Voor de stad geldt een lock down. Rieux voelt zich een banneling, maar ‘de verteller’ begrijpt dat het voor iemand als de journalist Rambert nog zwaarder is niet alleen gescheiden te zijn van een geliefd wezen, ‘maar ook van het eigen land’. Dat geldt voor de Fransen, de joden,de Spanjaarden, en Camus.

De verteller spreekt de lezer halverwege het verhaal toe: ‘De mensen zijn eerder goed dan slecht. Maar zij zijn min of meer onkundig, en dat noemt men dan kwaad of goed, en de fataalste ondeugd is die der onwetendheid, die meent alles te weten en zichzelf daarom het recht toekent tot doden. (…) Daarom zal de verteller niet de loftrompet steken over de wilskracht en moed, waaraan hij slechts een redelijke waarde hecht. Maar hij zal voortgaan met de historieschrijver te zijn van het hartverscheurend en bitter verlangen, waarmee de pest de harten van al onze medeburgers vervulde.’ Het gaat erom niet te buigen voor het kwaad, maar de strijd aan te binden: ‘Daarvoor bestond slechts één middel: te vechten tegen de pest.’

De geschiedenis die wordt verteld, kent geen specifieke held of bewonderenswaardige daad. De ‘kroniekschrijver beseft hoe jammer dat is, maar wat hij wil laten zien is wat er gebeurt en hoe burgers deze ‘oorlog’ ondergaan ‘als een onafgebroken druk die gaandeweg alles op zijn weg vermorzelde’.

Als de oorlog ten einde loopt rest de verteller nog slechts de taak de uren van ‘die vreugde’ van de bevrijding te beschrijven. Maar hij beziet de feestelijkheden van een afstand, zonder eraan deel te nemen. En dan, een paar bladzijden voor het slot, wordt het tijd ‘dat dokter Rieux zich als de schrijver bekendmaakt’ en hoopt het verhaal te hebben verteld met de toon van ‘een objectief getuige’ van ‘een soort misdaad’. Zijn eigen beproevingen zijn daarbij buiten beschouwing gelaten, of zijn verteld in het leed van de anderen. Hij sprak immers namens allen.

In de verte hoort hij vreugdekreten, maar hij weet dat deze blijdschap nog steeds bedreigd wordt, overdenkt Rieux aan het einde van de roman: ‘Want hij wist, wat die menigte onbekend was en wat men kan leren uit boeken, dat de bacil van de pest nooit sterft of geheel verdwijnt, dat zij tientallen jaren kan blijven sluimeren in de meubels en het linnengoed, dat zij geduldig wacht in de kamers, de kelders, de koffers, de zakdoeken en paperassen en dat wellicht de dag zou komen waarop, tot onheil en lering der mensen, de pest haar ratten weer zou wekken en uitzenden om te sterven in een gelukkige stad.’

Veertig bladzijden voor het einde van de roman komt Rieux op een nacht Tarrou in de stad tegen. Ze besluiten naar zee te gaan (Tarrou is een verwoed zwemmer). Het is een fragment dat er op de een of andere manier uitspringt. De twee vrienden keren de stad de rug toe en lopen over de pier naar de zee. Ze snuiven de geur op van jodium en algen. ‘Toen hoorden zij haar.’ Ze kleden zich uit. Rieux duikt het water in. Dat maakt hem voor de lezer ineens jongensachtig, jong. Op zijn rug drijvend kijkt hij naar de maan en de sterren. Tarrou komt met krachtige slagen dichterbij: ‘Enkele minuten lang gingen zij vooruit in dezelfde cadans en met dezelfde snelheid, eenzaam, ver van de wereld, eindelijk bevrijd van de stad en de pest.’

In de zomer van 1942 ontvluchtte Albert Camus de stad Oran. Per schip stak hij de Middellandse Zee over om zich in Zuid-Frankrijk in een hotel te vestigen tegen het dorp Le Chambon-sur-Lignon. Het dorp, dat onder het Duitse regime duizenden joden verborgen hield, onderduikers over de grens naar Zwitserland smokkelde en twaalfhonderd kinderen redde. Camus schreef er aan La peste, midden in de strijd tegen het kwaad: niet buigen, maar vechten ‘tegen de pest’.