Programma van toetsing en afsluiting voor het schoolvak Nederlands vwo en havo

Door Alex van de Kerkhof

Mijn ideale examenprogramma bestaat uit vier onderdelen van gelijk gewicht: twee voor het schoolexamen, twee voor het centrale examen (dat derhalve uit twee zittingen zal bestaan).

Schoolgebonden deel examen

  1. De leerling verzorgt een opiniërende voordracht over een taalkundig of letterkundig onderwerp, die naast een informatief deel bestaat uit een kritische reflectie over het bestudeerde c.q. onderzochte, met gebruikmaking van secundaire literatuur. Duur maximaal 10 minuten (met maximaal vijf minuten voor het beantwoorden van vragen). Aantal deelnemers maximaal 2. Beoordeling bij voorkeur door twee docenten, eventueel ondersteund door een jury van medeleerlingen.
  2. De leerling ondergaat aan de hand van een centraal voorgeschreven literatuurlijst van 4 moderne en 4 historische letterkundige werken een kennistoets (met gesloten vragen/meerkeuzevragen) over deze werken en hun inbedding in de historisch-literaire context. Een landelijke onderwijscommissie Nederlands stelt jaarlijks, tweejaarlijks of vijfjaarlijks deze lijst en bijbehorende contexten vast. De ontwikkeling van de toets kan door de school zelf gebeuren, maar kan ook wordt verzorgd door een landelijke instelling. Een van de ondersteunende onderwijsinstellingen kan voor een voorbeeldtoets zorgen. Duur: 1 à 1,5 uur. De correctie gebeurt door de school zelf.

Centraal deel landelijk examen

  1. De leerling schrijft een betogende verhandeling, een beschouwing of essay aan de hand van enkele centraal aangeleverde teksten (over maatschappelijk belangwekkende onderwerpen, eventueel ook over taalkundige of letterkundige onderwerpen) die als ijkpunt dienen voor een kritische benadering van het onderwerp of van de opvattingen zoals in de teksten gepresenteerd. Het gaat om enkele keuzeopdrachten. Duur: maximaal vier uur. De werken worden door twee onafhankelijke docenten beoordeeld, met eventueel een extra beoordeling door een gecommitteerde bij al te uiteenlopende oordelen.
  2. In het kader van de toetsing van leesvaardigheid (analyseren, interpreteren) beantwoordt de leerling plusminus 45 meerkeuzevragen over enkele zakelijke, betekenisvolle teksten van het juiste referentieniveau (4f of 3f). De antwoorden worden centraal nagekeken.

Toelichting: Het vak Nederlands moet een betekenisvol (kern)vak zijn. De examinering moet zichtbaar maken welke kennis en vaardigheden van belang zijn voor verder studeren en voor het leven als een kritische, zelfbewuste burger. Het programma mag niet overladen zijn, er zijn nog veel andere schoolvakken en belangrijke onderwijsinhouden. Ook moet de belasting van de docenten draagbaar zijn. Ten slotte moet er zo min mogelijk energie verspild hoeven worden aan onverkwikkelijke verschillen van inzicht in het onderwijsveld.

  • Ad A. Vaardigheden en kennisdomeinen: o.a. presenteren, spreken, formuleren, onderzoeken, selecteren, samenvatten, argumenteren, kritisch reflecteren, argumenteren, luisteren, kennis van taalkundig of letterkundig onderwerpen.
  • Ad B. Vaardigheden en kennisdomeinen: kennis van literaire werken in literaire, c.q. culturele context, literaire interpretatievaardigheden.
  • Ad C. Vaardigheden en kennisdomeinen: o.a. schriftelijke formuleren, compositie, argumentatieve vaardigheden, correct taalgebruik.
  • Ad D. Vaardigheden en kennisdomeinen: o.a. analyseren, interpreteren, samenvatten, argumenteren.

Voordelen

Enkele voordelen van dit voorstel ten opzichte van het vigerende examenprogramma:

  • Vier gelijke, volwaardige delen van hetzelfde gewicht.
  • Meer individuele beoordeling die recht doet aan individuele prestatie bij mondelinge vaardigheden, die tevens een aantal vaardigheden synthetiseert (beoordeling kost tijd, maar die wordt weer gewonnen door de mondelingen literatuur te laten vervallen); geen diffuse groepsbeoordelingen meer bij debat en discussie.
  • Geen tijdrovende sessies meer voor mondelinge examinering van literatuur.
  • Centrale regie literatuuronderwijs.
  • Geïntegreerde toetsing (argumentatieve vaardigheden, kritische reflectie ondergebracht bij mondelinge presentatie en bij de schrijfopdrachten)
  • Geen geruzie en onverkwikkelijke debatten meer over correctievoorschriften.
  • Onafhankelijke beoordeling van schrijfvaardigheid.
  • Voldoende mogelijkheden voor verdieping taalkundige en literaire onderwerpen.
  • Verminderde belasting docenten.