Morfonologie in tijden van de corona

Door Ad Welschen

Gisteren verscheen in het tv-programma Buitenhof aan tafel bij Nathalie Righton, een presentatrice die er eigenlijk al wel behoorlijk slag van heeft – maar dit terzijde –, een ons nog geheel onbekende ster aan het RIVM-firmanent, de heer prof. dr. ir. Hans Brug. Deze speciale gast bleek ambtelijk gezien nog net iets hoger te staan dan zijn collega prof. dr. Jaap van Dissel, zijnde de directeur-generaal van deze voor ons aller welzijn thans meer dan ooit cruciale instelling. Wat hij te berde bracht was natuurlijk belangwekkend en urgent. Voor mij als vaktechnisch, in dit geval biomedisch-gezondheidskundig buitenstaander echter, zijn er in praatprogramma’s als dit altijd ook wel diverse andere zaken die mijn aandacht trekken. Zo vallen mij bij Nathalie de duidelijk rollende r’s op, die zo herkenbaar iemands regionale herkomst determineren. Als spreker met een zachte g heb ik daar uiteraard geen waardeoordeel bij, vrije varianten van deze aard horen ook geheel waardenvrij beschouwd te worden. 

Ook in het taalgebruik van de heer Brug, althans in zijn uitspraak, waren er enkele elementen die mijn belangstelling triggerden. Natuurlijk trof mij het aplomb waarmee hij een maal het adjectief ‘aanpalend’ debiteerde, wat volgens het gangbare gebruik natuurlijk ‘aanpalend’ zou moeten zijn, maar daar wil ik niet echt over vallen, nu ik juist enkele weken geleden op deze plaats nog in alle toonaarden heb bezongen hoe deze accentverschuiving bij dit type samenstellend-afgeleide adjectieven hand over hand toeneemt. Ik moet zelfs toegeven, dat ik dit ‘aanpalend’ eigenlijk wat natuurlijker en acceptabeler vind klinken dan het door mij gewraakte prototype ‘aanvullend’. Misschien heeft dat iets te maken met de van nature krachtige articulatie van de stam –paal– versus de nogal zwakke van –vul-, maar soit, daar wou ik het hier dus eigenlijk niet zozeer over hebben. 

Er was een ander aspect van sprekers articulatie dat mij trof. Sinds Frits Bolkestein heb ik eigenlijk geen AB-spreker van het Nederlands meer zo zorgvuldig een vervoegings-n aan het woordeinde horen uitspreken. Vrijwel bij elke infinitief, voltooid deelwoord, of andere flexievorm op -en (zowel bij de sterke vervoeging van het type krijgen-kregen-gekregen, alsevengoed bij de zwakke vormen van het type horen-hoorden) was in de uitspraak bij de heer Brug onnadrukkelijk en weinig opvallend een -n te horen. Ik moet zeggen dat dit heel correct, en eigenlijk niet onprettig klinkt, terwijl  de heersende variant toch meer en meer luidt: krijge-krege-gekrege. Deze n-loze variant is overigens evenzeer AB en geheel geaccepteerd, wat niet geldt voor de platte varianten krijgah-kregah-gekregah, die tegenwoordigin de Randstadopgeld doen, ook buiten Den Haag. 

Hier viel mij nog een andere finesse op. Als ik het goed heb beluisterd, past de heer Brug een dergelijke uitspraakregel niet toe bij de derivatieve uitgang -en in de meervoudsvorm van substantieven. Daar zou hij, meen ik, dus ‘gewoon’ zeggen: boeke.  Anders dan bij de toch wat artificieel, om niet te zeggen enigermate ‘bekakt’ klinkende dictie van Frits Bolkestein, past de heer Brug deze uitspraakregel niet generiek toe bij iedere morfonologische uitgang /-en/; wel bij de werkwoordsflexie, maar niet bij de nominale derivatie. Het is een subtiel verschil. Ik ben geen variatielinguïst of dialectoloog, en ik ben benieuwd of een dergelijke systeembepaalde variatie misschien ook dialectisch bepaald zou kunnen zijn. Ik mag niet te veel zeggen en zou het misschien nog eens goed moeten naluisteren, maar anders komt mij dit toch een beetje voor als een ‘intelligente versoepeling’ van een wellicht al te knellende, iets te stringente regeltoepassing.