Taalkrachtelozigheid

Door Marc van Oostendorp

Beoordeling voor dit boek: 3,7 ballen

Er bestaat van alles op de wereld, en er bestaan dus ook mensen die een club stichten op basis van “een grondig ervaren kritische houding tegenover het regime van maat en getal dat zoveel belangrijks aan het oog onttrekt, waaronder taal en reflectie”. Mensen kortom, die denken dat ze de taal kunnen redden door lelijke zinnen te schrijven.

Het clubje heet Babel, is samengebracht door de bekende sociologe Christien Brinkgreve, en heeft nu een boek uitgebracht dat Taalkracht heet. Het bevat enkele tientallen bijdragen (uit angst voor het regime van maat en getal durf ik niet te zeggen hoeveel) over taal, maar dat geheel is gevat in een zeldzaam schimmig geformuleerd kader – een inleiding én een slothoofdstuk van de samenstellers – vol met misschien wel bewust schimmige gedachten. Taal moet ons immers bevrijden van de precisie van ‘taal en getal’!

Dat wil niet zeggen dat er geen aardige bijdragen in staan. Alleen houden precies die bijdragen geen verband met de grote lijn die Brinkgreve en haar mederedacteurs hebben willen aanbrengen. Adriaan van Dis schrijft bijvoorbeeld met grote kennis van zaken over het Afrikaans – hoe dat nog steeds wordt gezien als een taal van het fascisme, terwijl het minstens even zeer een taal is van een groep slachtoffers en nakomelingen van slachtoffer van de apartheid, en hoe die groep zich gelukkig steeds meer emancipeert.

Dat is interessant om te lezen, maar het verband met de krachteloze ‘reflectie’ van de redacteuren, in het slothoofdstuk, is zoek. Dit is meteen een proeve van de taalmishandeling die ze plegen ter verdediging van de taal:

Het gaat ons in dit boek om de bewustwording van de woorden die we gebruiken, om reflectie over de gevolgen voor hoe wij de dingen en mensen, de wereld en onszelf, ervaren en wat wij buitensluiten. En om hoe wij een adequatere taal kunnen ontwikkelen die meer recht doet aan de ervaring, die minder buitensluitend en veronachtzamend is, die verschillen onderzoekt en minder polariseert, en minder destructief uit- werkt

Nadenken over de relatie tussen taal en werkelijkheid: tal van denkers – taalkundigen en vooral taalfilosofen – hebben het de afgelopen eeuw gedaan. Het is kenmerkend voor dit boek dat van hen vrijwel niemand wordt aangehaald. Ja, de onvermijdelijke Wittgenstein mag twee keer komen opdraven, maar alleen met de twee citaten die in iedere citatentrommel over taal te vinden zijn (‘De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld’ en ‘Waarover men niet kan spreken, daarover moet men zwijgen’), maar in beide gevallen eigenlijk alleen omdat ze zo mooi en diepzinnig klinken, zonder bekommernis om wat Wittgenstein er zelf eigenlijk mee bedoeld zou hebben:

‘Waarover men niet kan spreken, daarover moet men zwijgen’, zegt de filosoof Wittgenstein. Een zin die vaak bij mij opkomt wanneer ik door het ziekenhuis loop. Een aanraking, een blik, een stil bij elkaar zitten: het zijn momenten die zich niet laten vangen door de beleidstaal van transparantie en verantwoording. En toch zijn ze zo betekenisvol.

(geschreven door een hoogleraar zorgethiek)

De enige taalkundige die voor zover ik kan nagaan wordt aangehaald, is Ferdinand de Saussure (1857-1913), door de psychoanalyticus Paul Verhaeghe, die kennelijk door de redacteuren als de deskundige bij uitstek wordt gezien, want hij mag het voorwoord schrijven.

Ook in dat voorwoord gaat het alleen over oppervlakkigere – maar wel razend populaire – gedachte, namelijk dat de klank van een woord ‘willekeurig’ is: uit de klank van boom valt op geen enkele manier af te leiden dat het ding takken heeft. De in dit kader veel belangrijkere opmerking van Saussure dat er ook geen rechtstreekse relatie is tussen die klanken en dat ding in de tuin, verdwijnt in de mist. De betekenis van ‘boom’ is niet rechtstreeks dat ding in de tuin, maar iets wat in ons hoofd zit, een idee over wat bomen zijn. Bomen bestaan in ‘de werkelijkheid’, buiten de taal, vermoedelijk niet, dat wij denken ze los te kunnen zien van de aarde waarin ze wortelen en de lucht waardoor de bijen trekken van tak tot tak, heeft meer te maken met de manier waarop de mens denkt dan met de werkelijkheid buiten ons hoofd, die veel te chaotisch en fluïde is voor ‘bomen’.

We kunnen het helemaal niet hebben over de werkelijkheid, we kunnen het hooguit hebben over het beeld van de werkelijkheid dat we hebben.

Dit laatste is misschien niet oncontroversieel maar volgens mij wel redelijk wijdverbreid in het denken over taal. Het lijkt Brinkgreve en consorten met al hun hang naar ‘reflectie’ niet werkelijk te interesseren. Ze incorporeren het niet, ze leggen ook niet uit wat er verkeerd aan is; ze lijken er niet van op de hoogte.

Zoals misschien ook de taal hen niet echt interesseert. Vandaar de moeizame stijl, de afkeer van de duidelijke formulering; een en ander lijkt meer gebaseerd op een algemeen onbehagen over het ‘regime van maat en getal’ dan met een werkelijke fascinatie voor de taal.

Oprecht interessant is bijvoorbeeld de bijdrage van Willem Oerlemans, een neuroloog, over hoe lastig het is om als arts met patiënten over pijn te praten. Pijn valt behalve in heel algemene termen zoals ‘stekend’ en ‘drukkend’ niet te beschrijven, laat staan over te dragen via taal. (Daaruit volgt al dat allebei de citaten van Wittgenstein niet letterlijk moeten worden genomen zoals elders in het boek gebeurt, want pijn is, hoewel voorbij de grenzen van de taal, wel degelijk een belangrijk deel van de wereld van de pijnlijder.)

Dat is echter geen probleem van ‘maat en getal’ of van ‘beleidstaal’, maar eenvoudigweg een reële grens aan de taal. Ik heb de indruk dat Brinkgreve en de haren dat niet zien omdat ze denken dat taal het tegendeel is van maat en getal: waar de eersten per definitie een heel precies net over de werkelijkheid gooien waar allerlei visjes doorheen glippen, daar is de taal lekker vaag, zodat je altijd alles kunt zeggen. Natuurlijk joh, en als het nu niet lukt, dan bedenk je een nieuw woord, en dan kan het natuurlijk wel.

De redacteuren dragen in hun slotwoord een enorm naïef vertrouwen in de taal uit, en met name in de mogelijkheid van (bewuste. actieve) taalvernieuwing, naar een taal die de ‘complexe wereld’ wel zou kunnen beschrijven. En passant spreken ze daarbij hun afkeer uit voor ‘inhoudelijke experts’ – wat misschien verklaart waarom ze ook geen kennis hebben genomen van inhoudelijke experts waar het over taal gaat:

Verschillende contexten behoeven verschillende talen, en complexe werelden vragen om andere begrippen dan overzichtelijke werelden. Dat geldt voor de complexe wereld van de psychiatrie en de seksualiteit en voor snel veranderende werelden waarin de machtsverhoudingen verschuiven, en er ruimte komt voor gevoeligheden en ervaringswerelden waar lang geen oog en oor voor was. Dat brengt een strijd om taal met zich mee, en de ontwikkeling van nieuwe woorden die beladen termen moeten vervangen, of erkenning beogen van wat ervaren is en veronachtzaamd wordt.

Het klinkt allemaal enorm diepzinnig, het betekent allemaal niets: dat er geen taal is voor psychiatrische verschijnselen, of voor seks, of voor pijn, of voor ‘ervaringswerelden waar lang geen oog en oor voor was’, is niet iets dat we kunnen fiksen door even wat nieuwe woorden uit te vinden, of ‘verschillende talen’. Het is een deel van de menselijke conditie. Dat alles te negeren, en daarbij de taal zo te mishandelen, is geen teken van taalkracht maar van taalkrachtelozigheid.

Christien Brinkgreve, Eric Koenen, Sanne Bloemink. Taalkracht. Andere woorden, andere werelden. Leusden: ISVW, 2020. Bestelinformatie bij de uitgever.