Het sterk verhevigde vreselijke

Door Nico Keuning

Eind april 1947 krijgt de dichter Jan Hanlo als leraar Engels aan Schoevers extra lesuren, omdat een collega naar Amerika is vertrokken. In die tijd is Hanlo tevens ‘intensief’ bezig met het schrijven van gedichten. Hij is eenzaam, drinkt te veel en slaapt te weinig, waardoor hij in een psychose terechtkomt. Als plaatsvervanger van Jezus, loopt hij zijn kamer uit naar de rand van het terras op vierhoog. ‘Er was geen keuze. Ik sprong.’ Na opname in de Valeriuskliniek in Amsterdam, wordt Hanlo vanaf 9 augustus behandeld in de katholieke St. Willibrordusstichting in Heiloo. Daar ondergaat hij de insulinekuur: een onmenselijke behandeling. Uit het dossier van ‘patiënt’ J.B.M.R. Hanlo van de Stichting blijkt dat Hanlo zich aanvankelijk tegen de insulineshockbehandeling verzette en ‘protesteerde’, maar zich later ‘gewillig’ aan de kuuronderwierp.

In Zonder geluk valt niemand van het dak (postuum 1972) en in brieven aan zijn vader in Brieven 1931-1962 (1989) vertelt Hanlo over de oorzaak, de val en de onmenselijke insulinebehandeling in Heiloo. De eerste brief aan zijn vader, in het eerste deel van de Brieven, heeft hij kort na de opname in de St. Willibrordus Stichting geschreven. Het is nog rustig in de Stichting. Hanlo luistert ‘in de zaal’ naar de radio. ‘Gisteravond was er een hoorspel van Chesterton: ‘Het oog van Apollo’, was de titel meen ik.’ Door het geroezemoes op de zaal kon hij het niet goed volgen. Bovendien heeft hij nog moeite zich te concentreren. Maar verder gaat het goed. De bezoekuren zijn op woensdag en zondag, ’s middags tussen twee en vijf uur.

Uit de volgende brief blijkt dat vader en zoon elkaar op het bezoekuur van zondag zijn misgelopen. Hanlo was uit de Stichting ontsnapt. Hij zal het zijn vader tijdens een bezoek allemaal vertellen: ‘Door het drukkende van de kuur en de teleurstelling weer hierheen te zijn gebracht, heb ik U niet geschreven.’ Hij moet ‘elke morgen’ de insulinebehandeling ‘doormaken’. Elke morgen om 5.20 uur dienen de broeders hem een injectie toe om hem in coma te brengen. Tegen 10.00 uur wordt hij ‘met suikerwater’ weer bij kennis gebracht. De kuur is ‘een risicovolle therapie’, aldus Een bron van zorg en goede werken (2002), een braaf en verhullend boek, waarin met geen woord gerept wordt over de castratiepraktijken die er plaatsvonden.

De insulinekuur werd al vanaf eind jaren dertig in Heiloo toegepast onder het beleid van geneesheer-directeur J.A.J. Barnhoorn. De behandeling geschiedt in fases, waarbij dagelijks de dosering insuline wordt verhoogd. In de tweede fase, de ‘shockfase’, wordt de patiënt in coma gebracht. In bewusteloze toestand vertoont de patiënt zenuwtrekken, krampen, spastische en dwangmatige bewegingen. Ten slotte zijn er nog slechts enkele reflexen. Na zo’n anderhalf uur wordt de comateuze toestand beëindigd door het oraal of intraveneus toedienen van vijftig tot honderd gram glucose. Dan duurt het nog twintig munten voordat de patiënt uit de coma ontwaakt. Een patiënt in genoemd boek beschrijft zijn toestand na het ontwaken als ‘de hel’, die na een half uur verbetert na het drinken van thee met een ons suiker.

In Zonder geluk valt niemand van het dak schrijft Hanlo dat hij ‘normaal’ wil worden, in de hoop op ontslag uit de Stichting. Maar om normaal te worden moeten hem ‘de duimschroeven’ worden aangedraaid: de insulinekuur als ‘paardenmiddel’. ‘Het angstwekkende bij deze kuren lag namelijk voor mij telkens in de tijd van het bijkomen. Dit nog ‘sterk verhevigde vreselijke van het abnormale’ doet hem naar ‘het oude normale zo vurig verlangen dat dit verlangen wel een stimulans moet zijn dit weer te bezitten’. Hanlo vraagt zich af in hoeverre de ‘ergheid’ van de behandeling in combinatie met ‘de onverbiddelijke dwang’ blijvende trauma’s zal achterlaten. Weten de dokters wel wat ze doen? Om zich te realiseren wat een insulinekuur werkelijk betekent, zou het goed zijn dat de verantwoordelijke personen ‘zélf eens zulk een kuur doormaakten’.

Wat zijn geest betreft voelt Hanlo zich ‘weer genezen’. Binnenkort heeft hij een gesprek met de dokter in de hoop dat de kuur niet lang meer zal duren. De kuur is zo zwaar dat de hoop hem ‘af en toe in de schoenen zinkt’: ‘Ik ben nu al aan de 7de week, en geloof dat de dokter tevreden is over het resultaat.’

In een volgende brief aan zijn vader geeft hij bij wijze van goede voornemens en zelfanalyse een heldere opsomming van acht punten. Waarom geen proeftijd, vraagt hij zich af. Hij zal niet drinken, zelfs niet roken. Zijn baan als leraar Engels bij Schoevers kan hij weer oppakken en ‘wat betreft homo-erotische neigingen en theorieën zal ik de grootste voorzichtigheid in acht nemen’. Zo veel is er nu ook weer niet gebeurd: ‘Het enige was, een leerling z’n hand vastgehouden te hebben, eigenlijk omdat ik grote behoefte aan begrip en vriendschap had, en dat ook in hem meende te herkennen.’ De homo-erotische gevoelens zouden zich na zijn ontslag uit de Stichting vooral manifesteren in pedofiele genegenheid voor jonge jongens, die niet verder ging dan aanraken, strelen, een kus op de wang. [In 1962 zal hij ‘wegens ontuchtige handelingen’ met een jongen van vijftien tot een maand gevangenisstraf worden veroordeeld, die hij uitzat in de koepelgevangenis in Haarlem].

Over de ‘martelaarstaak in navolging van Christus’ lijden’ denkt hij ‘niet abnormaal meer’. De brief sluit hij af met de zin: ‘Een mens met artistieke neigingen zoals ik zal moeilijk al zijn eigenheid kunnen verliezen.’ Deze gedachte roept het gedicht ‘Directeur’ in herinnering van Gerrit Achterberg, die na de moord op zijn hospita onder andere in de Rekkense Inrichtingen werd verpleegd. De laatste strofe van het gedicht dat in de postume bundel Blauwzuur (1969) is opgenomen luidt:

Verraden krachten richten zich op deze
mens met het enige tekort:
dat hij mij zólang zal genezen
tot ik een ander word.

De laatste brief in Brieven 1931-1962 die Hanlo stuurt vanuit de Stichting in Heiloo is van 23 augustus 1947, twee weken na zijn opname. De brief is gericht aan de directeur van het Instituut Schoevers. Hanlo stuurt alsnog de declaratie van de lessen in april, ‘voor zover betreft privé-lessen’. Zijn behandeling zal nog tot 22 december duren. Op deze datum mag hij ‘met verlof’. Op 7 februari 1948 is hij ‘genoegzaam hersteld ontslagen’. Hanlo keert terug op zijn adres in de Eerste Helmersstraat 15 II en pakt de draad van zijn leven weer op, als leraar. Maar vooral als dichter.

Uit bronnen blijkt dat de insulinebehandeling van  ‘patiënt’ J.B.M.R. Hanlo van dag tot dag is beschreven. In doktersverklaringen over lichamelijk en neurologisch onderzoek (‘Diagnose schizophrenie’) en ziekteverloop van 7 augustus tot 22 december 1947 is echter geen bewijs te vinden van castratie van Jan Hanlo, wat Hans Renders in de Hanlo-biografie Zo meen ik dat ook jij bent (1998) suggereert. Evenmin komt Hanlo voor in de zeventig castratiegevallen die geneesheer directeur A.J.A.M Wijffels bespreekt in hoofdstuk V ‘Eigen casuïstiek’ van zijn proefschrift Het castratievraagstuk (1954), dat gebaseerd is op praktijkonderzoek in de Willibrordusstichting.

Hanlo, die in brieven en boeken als Zonder geluk valt niemand van het dak en Go to he mosk (1971) openhartig over zijn psychose, insulinebehandeling en pedofilie vertelt, zegt nergens dat hij in Heiloo gecastreerd is, al was dat in die tijd, zoals onder andere blijkt uit genoemd proefschrift,  bij homoseksuele en pedofiele patiënten niet ongebruikelijk. Tussen de Stichting Heiloo en het ziekenhuis in Alkmaar reed, zoals door oudere inwoners wordt verteld, de zogenaamde ‘ballenwagen’.

Op het terrein van de voormalige Stichting zijn hier en daar nog wel patiënten gehuisvest. Zware gevallen verblijven achter hoge hekken. De Mariakoepelkerk met het befaamde kruis op de punt dat in het donker groen oplicht, is omgetoverd tot Cultuurkoepel. In het fraaie hoofdgebouw en enkele bijgebouwen zijn start ups gevestigd, het restaurant ‘Keuken met karakter’, een huisarts- en een tandartspraktijk. Ik fiets wel eens langs paviljoen Glorieux, waar Hanlo destijds op de eerste verdieping de insulinebehandeling onderging. Het is er doodstil, alsof er achter de ramen patiënten in een diepe coma liggen.