‘Het loon der Liefdadigheid’ (1839)

Jeugdverhalen over joden (90)

Door Ewoud Sanders

Auteur: onbekend
Vertaald uit het Duits
Moraal: wie goed doet, goed ontmoet

Herkomst en drukgeschiedenis

Het verhaal ‘Het loon der Liefdadigheid’ werd in 1839 gepubliceerd in Philarete, tijdschrift voor de jeugd. Dat tijdschrift bestond van 1837 tot 1843 en bevatte veel vertalingen van artikelen uit Duitse en Franse jeugdtijdschriften. ‘Het loon der Liefdadigheid’ is vertaald uit het Duits. Deze geschiedenis begint in een dorp in de buurt van Hannover kort voor het uitbreken van de zevenjarige oorlog (1756-1763).

Philarete betekent ‘liefde door deugd’. Doel van het tijdschrift was zedelijke vorming.

Samenvatting

Salomo is een arme joodse marskramer. Op een koude winterdag klopt hij aan bij het landgoed van de familie Van K. Mevrouw Van K. en haar twee dochters staan vanwege hun liefdadigheid in de omgeving bekend als ‘de drie engelen op het kasteel’.

Voor hun deur valt de ‘jodenknaap’ Salomo ‘half dood’ neer van koorts en vermoeidheid. Mevrouw Van K. laat hem in ‘een klein zindelijk vertrekje’ in een bed leggen. Als hij de volgende dag niet is opgeknapt, laat zij een dokter komen. Die verwacht dat Salomo zal sterven. ‘Evenwel, de voorgeschrevene artsenijen, eene onvermoeide liefdevolle oppassing bragt, onder ’s Hemels zegen‚ binnen weinige dagen eene gunstige wending te weeg.’

In tranen vertelt Salomo zijn levensverhaal. Zijn moeder is al zes jaar dood, zijn vader is vier weken geleden gestorven en Salomo zocht tevergeefs hulp bij ‘geloofsgenoten’.

Drie weken later vertrekt Salomo. Hij krijgt van mevrouw Van K. kleding en wat reisgeld mee. ‘Ik hoop dat God u loonen zal voor uwe barmhartigheid’, zegt Salomo bij het afscheid.

 De zevenjarige oorlog brengt rampspoed voor de familie Van K. Het gezinshoofd wordt op het slagveld gedood, het landhuis verwoest, het laatste geld gestolen. Berooid komen mevrouw Van K. en haar dochters in Berlijn aan. Daar beginnen zij ‘een kleine opvoedingsinrichting’.

Op een winterdag wordt er aangebeld door een joodse marskramer. Die biedt op vriendelijke toon mevrouw Van K. zijn spullen te koop aan. Mevrouw Van K. wil hem afwijzen, maar ‘den spraakzame man’ stalde ‘nog ijveriger’ zijn waren uit en daarom besluit zij wat kleinigheden voor haar dochters te kopen. De jood verpakt ze in een blad papier en vertrekt daarna ‘in aller ijl’.

Als de dochters het pakketje openmaken, blijkt dit niet alleen veel meer dan het gekochte te bevatten, maar ook honderd gouden munten en een brief. Die begint als volgt: ‘Genadige Vrouw, nu tien jaren geleden, hebt gij den armen jodenknaap Salomo het leven gered, en waart destijds de eenige, die menschelijk met mij handeldet.’ Salomo schrijft dat hij, dankzij de hulp van een ‘oude, rijke geloofsgenoot’ een handel heeft opgezet. ‘Ik was gelukkig en mag thans een vermogend man genoemd worden. Voor eenige weken kwam ik hier aan, en stond niet weinig verwonderd, toen ik kort daarna u met uwe lieve dochters op de wandeling ontmoette. Ik herkende u aanstonds, en vernam in stilte naar uwe omstandigheden. Wat ik gedaan heb en hoe ik ’t aanleide is u thans geen geheim meer. Had ik mij bekend gemaakt, gij zoudt die kleinigheid niet hebben aangenomen. Het roode halssieraad is voor uwe lieve Mina bestemd, die mij ’t eerst aan de deur vond. Doe geen onderzoek naar mij, want zoodra ik u gezien en gesproken heb, vertrek ik van hier. De God mijner vaderen, die ook uw en mijn God is, schenke u en uwe dochters zijnen zegen!’

Moeder en dochters zijn ontroerd. Tegen haar dochters zegt mevrouw Van K.: ‘De gelukkige wending in zijn lot is het werk der Goddelijke Voorzienigheid, en het geschenk, dat hij ons op zulk een kiessche en vernuftige wijze vereerd heeft, bewijst dat hij een goed mensch is. Leert hier uit kinderen, dat ieder mensch, christen of jood, tot eene goede daad in staat is, wanneer hij zijn aangeboren zedelijk gevoel volgt. Hier bevestigt zich het woord der Heilige Schrift: “Bij God is geen aanzien des persoons; ieder die hem vreest en zijnen naaste liefheeft, vindt genade in zijn oog.” Salomo is gewis den Heere welgevallig.’

Doelgroep

Het tijdschrift Philarete was bestemd voor kinderen tussen twaalf en zestien jaar.