Hallelu-jah en Hurrahing: Gezelle en Hopkins naast elkaar

British Jesuit and poet Gerard Manley Hopkins (1844 – 1889). (Photo by Hulton Archive/Getty Images)

Door Peter J.I. Flaton 

In zijn kantteking bij mijn artikel Gezelle en Hopkins: twee zielsverwante dichters vroeg C.W. Schoneveld zich af, of Gezelle Hopkins’ poëzie gekend heeft of dat hier louter sprake is van toeval. 

Mijn antwoord luidde, dat Christine D’haen er rekening mee hield, dat Gezelle inderdaad gedichten van hem onder ogen zou kunnen hebben  gehad en uit deze vvtt blijkt al dat zij een ruime hypothetische slag om de arm hield. 

Op zijn beurt meldde C.W. Schoneveld een ‘shock of recognition’ bij het lezen van Gezelles “Half april” dat hem deed denken aan Hopkins’ “Hurrahing in Harvest”: z.i. (ik citeer) ‘is de overeenkomst in gebruik van taalklank en thematiek haast te groot om toeval te zijn en nauwelijks verklaarbaar als overeenkomend op grond van “Zeitgeist” of “gelijkgestemdheid”’. Volgens hem is hier werk aan de winkel. 

Mijn voorstel is de gedichten voor zichzelf te laten spreken en die de lezers hierbij aan te reiken zodat die hun eigen indruk kunnen vormen.

Ik begin met Gezelles “Half april” van 12 april 1897 (Verzameld werk  Deel II: Tijdkrans, rijmsnoer, laatste verzen, p. 648): 

  HALF APRIL

Gij blauwgekaakte wolken daar,
  halfwit, omtrent uw’ boorden,
die gruwzaam in den hemel moêrt,
  en grimt in ’t gramme noorden:
hoe lange speelt gij, koud en kil,
  den baas nog hier? ’t Is half April!

’t Is onbermhertig koud: en ’t kan,
  de zonne ondanks, gebeuren,
dat, ’s morgens, al dat gers is, wit
  geruwrijmd, staat te treuren!
Waar wilt gij, boos geweld, naartoe, 
  des winters? Wij zijn wintermoe!

’t Moet zomer zijn, geen koude lucht,
  die bijt en straalt; ’t moet open,
dat, wachtende, in de botte zit
  of weêr in ’t gers gekropen, 
van schuchterheid, voor ’t nijpen van
  den hardgevuisten winterman!

Staat op, gij oostersch zonnelicht,
  en schiet, bij volle grepen, 
uw schichten uit; doorkwetst, doorlijdt
  het graf, daarin, genepen, 
de zomer zat: verrijzenist
  des konings kind! Te late al is ‘t!

Hallelu-jah! Dan zingen zal,
    dat ’t wederklinkt alomme,
den gorgel los, de vogel en 
  de luidgekeelde blomme;
de klepel zal de klokke slaan
  en kondigen den Koning aan. 

Opvallend is allereerst in dit vijfstrofige gedicht met elke zes regels het gebroken en tegelijk gekruiste eindrijm in de regels 1-4 (øaøa) dat gevolgd wordt door een gepaard rijmend distichon (bb) en zo voort. Daarbij zijn de regels 1 en 3 staand en de regels 2-4 slepend, terwijl de twee slotregels steeds een staand eindrijm hebben. 

Die combinatie van regelmaat en onregelmatigheid onderstreept m.i. dat het weer van slag is: waar normaal gesproken in april (niet voor niets ‘grasmaand’ genoemd) de lente doorbreekt, is het nu nog altijd bitterkoud. Voeg daarbij het dominante staande eindrijm dat iets bijtends heeft en de indruk is, dat dit klankspel betekenisdragend  (iconisch) is. 

Ik merk nog op, dat het metrum een combinatie is van een viervoetige en drieëneenhalf-voetige jambe (rekening houdend ook met elisies en assimilaties) waarbij antimetrieën en enjambementen hun ritmische werk doen. Het resultaat is een vierheffingenvers dat Gezelle vanuit zijn studie van de Middelnederlandse literatuur vertrouwd was en dat hij zo vond passen bij wat hij zag als écht, zuiver Westvlaams dat op zijn beurt spoorde met de eenvoudige volksdevotie die hij in o.a. Kerkhofblommen thematiseerde. 

Bezien we het gedicht nu per strofe wat nader. Vooral in de eerste strofe vallen de assonantie (‘blauwgekaakte’/‘daar’) en de alliteraties op (‘gruwzaam’/’grimt’/’gramme’ en ‘koud’/’kil’): alsof de kou je om de oren slaat. De personificatie ‘blauwgekaakte’ suggereert, dat het wit van de wolken blauwig is zoals kaken dat zijn wanneer de kou die teistert. [Moêren’ betekent trouwens “morrelen”, “in de weer zijn”.] De strofe eindigt met een retorische vraag: jullie, winterwolken daar vanuit het noorden, hoe durven jullie? Het is immers half april. 

Strofe 2 bevestigt wat er gaande is en kijk maar naar het gras dat wit van de rijp (‘geruwrijmd’ onderstreept dat allitererend) gebogen staat bij het ochtendgloren (gepersonifieerd hier in ‘treuren’) i.p.v. groen en wel de dag te begroeten en dat terwijl het -als al gezegd- grásmaand is. En weer is er een retorische vraag: waar bij jij, wintergeweld, op uit? We zijn je zat. 

Het zou immers, aldus strofe 3, bij wijze van antithese t.o.v. de vorige zomer moeten zijn. I.p.v. deze bijtend koude en striemende lucht zou wat op uitbotten staat moeten opbloeien, terwijl het nu is weggedoken in het gras, bang voor de kou die het anders zou doen bevriezen (“’t nijpen van den hardgevuisten winterman”). 

Ik stel nog vast, dat het de winter is die aan het slot van de strofen 1-3 het laatste woord heeft. 

De omslag volgt met strofe 4 met die exclamatie of apostrofe waarin het ‘oostersch zonnelicht’ wordt gemaand op te staan bij wijze van ‘ex oriente lux’. Gelet op die ‘schichten’ (“stralen”) gaat het hier allereerst om de zon die gemaand wordt zijn pijlen vanuit zijn volle koker weg te schieten en het graf waarin de zomer zat opgesloten (‘genepen’) zo te treffen (‘schichten’/ ‘schieten’ alsmede het dubbele ‘door-‘ laten dat allitererend horen) dat die eruit bevrijd wordt. Het ‘verrijzenist’ is hier m.i. een werkwoord in de betekenis van “doe verrijzen uit de dood”. 

Tegelijk speelt hier het Paasmotief nadrukkelijk mee en ook dat is april: de Paasmaand bij uitstek. Christus’ opstanding bewerkt, dat het warme licht van de zomerzon (‘des konings kind’) eindelijk de ruimte krijgt, gelezen het ‘Te late al is ‘t!’. 

Vandaar dat het gedicht in Paasmajeur eindigt en daarvan is bij uitstek het ‘Hallelu-jah’ de expressie (denk maar aan het driewerf aangeheven viervoudige ‘alleluja’ tijdens de Paaswake). Alles en iedereen, vogel en ‘luidgekeelde blomme’ (een synesthesie die blijkbaar zeggen wil, dat de kelk zich openvouwt om te zingen) heffen deze lofzang aan om zo de verrezen Heer te  verwelkomen die op zijn beurt de zomer doet herrijzen. 

En geheel in stijl eindigt het gedicht met een viervoudige alliteratie die inderdaad klinkt als een klok bij wijze van spiegeling-in-contrast met de grauwklanken in de eerste strofe. 

Al bij al is dit gedicht typerend Gezelliaans vanwege zijn sterk op het bereiken van klankeffecten gerichte poëtische gestalte waarachter een al even Gezelliaanse thematiek schuilgaat: die van een grote aandacht van de natuur (in dit geval: die van een nog onverwacht winters april) die gelezen wordt vanuit een fysico-theologisch perspectief want in dat boek der natuur is Gods scheppend zorgende aanwezigheid steeds naspeurbaar. Hij heeft het laatste woord ook als een nog winters half april op het tegendeel lijkt te wijzen. 

Voor het nu volgende Hopkinsgedicht maak ik gebruik van de tekst in Gerard Manley Hopkins, Gedichten. Keuze uit zijn poëzie (…), p. 74:

Hurrahing in Harvest

Summer ends now: now, barbarous in beauty, the stooks rise
Around; up above, what wind-walks! what lovely behaviour 
Of silk-sack clouds! has wilder, wilful-wavier
Meal-drift moulded ever and melted across skies?

I walk, I lift up, I lift up heart, eyes,
Down all that glory in the heavens to glean our Saviour;
And, éyes, heárt, what looks, what lips yet gave you a 
Rapturous love’s greeting of realer, of rounder replies?

And the azurous hung hills are his world-wielding shoulder
Majestic – as a stallion stalwart, very-violet-sweet! –
These things, these things were here and but the beholder
Wanting; which two when they once meet, 
The heart rears wings bold and bolder
And hurls for Him, O half hurls earth for him off under his feet. 

“Het Hurrahing-sonnet”, noteert Hopkins in een brief aan Bridges over dit op 1 september 1877 geschreven gedicht, “was het resultaat van een half uur extreem enthousiasme” (hij had zo-even gehoord dat hij op 22 september tot priester gewijd zou worden) “toen ik op een dag in mijn eentje naar huis wandelde na in de Elwy te hebben zitten vissen” (zie hiervoor en voor andere kanttekeningen het commentaar bij dit sonnet op de pagina’s 76-79 in de eerder genoemde editie). 

Qua rijmschema oogt dit sonnet traditioneel met zijn omarmend rijm in het octaaf (Hopkins verdubbelt het zelfs: 2 x abba, waarbij het ‘you a’ in vers 7 een oogrijm is t.o.v. ‘Saviour’) en zijn verspringende cdc-dcd in het sextet. Typerend Hopkinsiaans is het ‘sprung rhythm’ dat de accenten verdeelt niet volgens een metrisch schema maar volgens zoals hij het noemde de ‘nominale scandering’. Het resultaat is een met dat van Gezelle vergelijkbaar heffingenvers, bijvoorbeeld in vers 13: ‘The heárt réars wings bóld and bolder’ (aldus de accentuering van Hopkins zelf). 

Dat Hopkins net als Gezelle volop allitereert, blijkt al uit strofe 1 waar de stafrijmen welhaast over elkaar heen buitelen: ‘barbarous’/’beauty’, ‘rise’/’Around’, ‘what’/’wind’/’-walks’, ‘silk-sack’, ‘wilder’/’wilful-wavier’ en ‘Meal-drift’/’moulded’/’melted’. In het vervolg neemt de frequentie wat af maar er laten zich nog steeds alliteraties aanwijzen zoals de lezer zelf kan nagaan. 

Opvallend verder op het niveau van het ritme zijn de enjambementen in met name de eerste strofe: één lange adem doorheen de vier regels zo nu en dan even ingehouden op plekken waar de interpunctie erom vraagt. Die frasering met haar accelerandi en ritardandi is te horen in het gehele sonnet. 

Al bij al geldt voor Hopkins én voor Gezelle: hun gedichten willen voor alles hardop gelezen worden, opdat het klankbeeld hóórbaar wordt. 

Bezien we ook dit gedicht nu per strofe wat nader. Gezien de schoven op de velden loopt, aldus de constatering in strofe 1, de zomer op zijn einde. Die zijn ‘barbaars mooi’ waarvoor Hopkins ‘barbarous’ kiest (met de klemtoon op de tweede lettergreep) i.p.v. ‘barbaric’ vanwege de toespeling op ‘barbs’, aanduiding voor de behaarde aren van het graan. De rest van de strofe is gewijd aan een exclamatieve evocatie van het uitspansel dat boven die schoven uittorent. Het ‘Meal-drift’ duidt m.i. op het stuifmeel van het akkerkruid dat tijdens het oogsten vrijkomt en in de gedaante van die zijdezak-wolken door de lucht zweeft. 

In strofe 2 leest de ik bij wijze van ‘sursum corda’ (waarop m.i. v. 5 alludeert) in en door al die natuur-lijke heerlijkheid Gods presentie,  immanent in zijn transcendentie. Daarbij vraagt de ik zich retorisch af of ooit iemand anders dan hij die aanwezigheid welbespraakter heeft verwoord. We mogen hier beslist denken aan Hopkins’ stemming die er een van extase was, hij wist immers dat hij spoedig tot priester zou worden gewijd. Tegelijk formuleert hij hier het poëticale doel van zijn poëzie: dichten ‘ad maiorem Dei gloriam’. 

Het sextet opent met een kras beeld: dat van de heuvels die Gods schouder zijn wier majesteit vervolgens vergeleken wordt met een forse hengst die tegelijk veel-viooltjes-zoet is, evenzovele ‘ditheden’, “haecceitates” die samen voor de schoonheid zorgen als ‘wilde en onvervalste pracht’. 

Al die natuurlijke fenomenen (zoals beschreven in het voorgaande) zijn er dan wel altijd geweest, ze worden pas die ze werkelijk zijn als ze worden waargenomen met de ogen van het geloof: sporen van Zijn aanwezigheid in de wereld om ons heen. Tegelijk noopt een dergelijke waarneming tot een transcenderen daarvan: de beschouwer wil verder en streeft naar een rechtstreeks contact met God. 

Daarop zinspeelt het tweede terzet: zodra de natuur en de ‘beholder’ elkaar ontmoeten, krijgt het hart vleugels en laat het de wereld achter en onder zich op weg naar Hem. Ook dat is winst, net als de oogst die is en dus is er alle reden tot juichen: “Hurrahing in Harvest”. 

De opbrengst op zijn beurt van deze parallellie wil zijn, dat er een markante overeenkomst is tussen Gezelle en Hopkins zowel op het niveau van de poëtische gestalte met haar onmiskenbare muzikaliteit als op dat van de thematiek die erop neerkomt dat ook deze gedichten Gods aanwezigheid lezen in de natuur of die nu die van half april is met zijn onverwacht koude winterweer of die van de late zomer met zijn rijke oogst. De lofprijzing is er dezelfde om: ‘Hallelu-ja’ en ‘Hurrahing’.